Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AU7339

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-11-2005
Datum publicatie
02-12-2005
Zaaknummer
2005/065
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering op grond van kredietovereenkomst. Rechtsverwerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15 november 2005

vijfde civiele kamer

rolnummer: 2005/00065

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

ABN AMRO Bank N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

procureur: mr W.R.H. Jager,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr C. Boonman.

1 Het verdere verloop van het geding

1.1 Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 25 januari 2005. Ingevolge dat tussenarrest heeft op 28 april 2005 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.

1.2 Ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft ABN AMRO akte verzocht van het in het geding brengen van schriftelijke stukken met een toelichting daarop.

1.3 Bij memorie van grieven heeft ABN AMRO drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, heeft zij bewijs aangeboden, één nieuwe productie in het geding gebracht, en heeft zij gevorderd dat het hof bij arrest, voor zover wettelijk toelaatbaar uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, alsnog de oorspronkelijke vordering van ABN AMRO zal toewijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties.

1.4 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] verweer gevoerd en heeft hij geconcludeerd dat het hof bij arrest het bestreden vonnis zal bevestigen en ABN AMRO zal veroordelen in de proceskosten (naar het hof begrijpt) in hoger beroep.

1.5 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

2 De vaststaande feiten

2.1 Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties dan wel als door de kantonrechter vastgesteld en in hoger beroep niet bestreden, de navolgende feiten vast.

2.2 Partijen hebben op 18 mei 1999 een overeenkomst gesloten, waarbij door ABN AMRO aan [geïntimeerde] een doorlopend krediet is verstrekt, oorspronkelijk met een maximum van fl. 30.000,--, per 18 augustus 1999 verhoogd tot fl. 45.000,--. Dit krediet werd geadministreerd onder rekeningnummer [...] (verder te noemen : rekening 309). Daarnaast hield [geïntimeerde] een zogenaamde particuliere rekening-courant aan, die werd geadministreerd onder nummer [...] (verder te noemen: rekening 095).

2.3 Op deze overeenkomsten zijn de Algemene Voorwaarden van ABN AMRO van toepassing (verder: de algemene voorwaarden).

2.4 Bij brief van deurwaarder [deurwaarder], die namens ABN AMRO de incasso ter hand nam (verder te noemen: [deurwaarder]) van 14 augustus 2000 is [geïntimeerde] gesommeerd binnen vijf dagen het per 7 augustus 2000 uitstaand saldo van rekening 309 te voldoen, te weten een bedrag van fl. 42.494,29, fl 42.579,46 inclusief rente.

2.5 Bij brief van diezelfde datum van [deurwaarder] is [geïntimeerde] gesommeerd het debetsaldo per 13 augustus 2000 van rekening 095 te voldoen, te weten een bedrag van fl. 1.608,97, met rente, kosten en BTW een bedrag van fl. 1.894,53.

2.6 Een brief van 29 september 2000 van [deurwaarder] aan [geïntimeerde] luidt onder meer als volgt :

“ Onder verwijzing naar de gevoerde telefoongesprekken bericht ik u dat door mijn cliënte (hof: ABN AMRO) inderdaad op 25 september 2000 een bedrag van f 19.315,89 werd ontvangen. Hiervan is een bedrag ad f 1.954,52 afgeboekt op ... (hof: rekening 095), zodat deze vordering geheel is voldaan en met mijn cliënte zal worden afgerekend.

Mede gezien uw financiële positie en de hoogte van de vordering van mijn cliënte op U uit hoofde van ... (hof : rekening 309) wenst mijn cliënte een voorlopige maandelijkse betalingsregeling van minimaal f. 5.000,--, zodat van het resterende bedrag van f. 17.361,37 een bedrag van circa f 10.000,-- zal worden verrekend over de maanden augustus en september 2000 (...) “.

2.7 Bij brieven van respectievelijk 8 januari 2001 en 12 maart 2001 met steeds als bijlage een specificatie van de vordering deelt [deurwaarder] aan [geïntimeerde] mee dat nog een bedrag openstaat van fl. 17.270,36 respectievelijk fl. 17.583,83. Laatstgenoemd bedrag wordt door [geïntimeerde] met betalingen op 19 maart 2001 voldaan, waarna [deurwaarder] bij brief van 13 juni 2001 [geïntimeerde] meedeelt dat de vorderingen uit hoofde van de rekeningen 095 en 309 in hun totaliteit zijn voldaan.

2.8 Een brief van [deurwaarder] aan [geïntimeerde] van 29 januari 2002 luidt onder meer als volgt :

“ In tegenstelling tot het gestelde in mijn schrijven aan U d.d. 13 juni 2001 blijkt de onderhavige vordering uit hoofde van ... (hof : rekening 309) niet geheel te zijn voldaan. Mede onder verwijzing naar mijn schrijven van U d.d. 29 september 2000, deel ik U mede dat het verrekende bedrag ad f. 10.001,37 abusievelijk twee maal in mindering werd gebracht, welk bedrag U thans dan ook nog aan mijn cliënte verschuldigd bent. (...) “.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 De kantonrechter heeft de vordering afgewezen omdat zij deze onvoldoende onderbouwd achtte. Inmiddels heeft ABN AMRO door middel van de akte die ter gelegenheid van de comparitie van partijen is genomen wel duidelijk gemaakt hoe volgens haar de restvordering is samengesteld en hoe de verschillende betalingen zijn verwerkt. Dit kan haar echter niet baten, aangezien het hof van oordeel is dat er sprake is van rechtsverwerking.

3.2 Voor het aannemen van rechtsverwerking is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden vereist als gevolg waarvan in dit geval bij [geïntimeerde] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat ABN AMRO haar vordering niet meer geldend zou maken, hetzij dat [geïntimeerde] onredelijk zou worden benadeeld in zijn positie ingeval ABN AMRO dat nu alsnog zou doen.

3.3 [geïntimeerde] heeft gesteld dat hij heeft vertrouwd op de hiervoor onder 2.7 genoemde mededeling van [deurwaarder] van 13 juni 2001 dat hij volledig gekweten was. Toen [deurwaarder] meer dan een half jaar later bij brief van 29 januari 2002 meedeelde dat de vordering uit hoofde van rekening 309 nog niet geheel was voldaan maar dat er tweemaal een bedrag ad fl. 10.001,37 in mindering zou zijn gebracht heeft [geïntimeerde] naar zijn zeggen [deurwaarder] herhaaldelijk telefonisch verzocht om een opgaaf van de door hem betaalde en door ABN AMRO ingehouden bedragen van zijn rekening, kennelijk vergeefs, zo begrijpt het hof. [geïntimeerde] stelt voorts dat hij geen bankafschriften van rekening 095 heeft ontvangen vanaf het moment dat de vordering uit handen was gegeven aan [deurwaarder], zodat hij zelf niet kon nagaan of de mededeling van [deurwaarder] klopte.

3.4 ABN AMRO heeft gesteld dat de mededeling van [deurwaarder] van 13 juni 2001 berustte op een communicatiestoornis tussen Solveon, haar dochtermaatschappij die zich met de incasso bezig hield, en [deurwaarder]. Een dergelijke communicatiestoornis komt uiteraard voor haar rekening. Vast staat voorts dat vanaf deze mededeling tot aan de comparitie van partijen in hoger beroep door ABN AMRO geen inzicht is gegeven in de samenstelling en achtergrond van de vordering. [geïntimeerde] stelt geen bankafschriften te hebben ontvangen waaruit de gestelde verrekening kon blijken. Ook al had hij deze echter wel gehad, dan nog kon van hem niet verwacht worden dat hij daaruit zonder nadere toelichting kon opmaken hoe de onderlinge transacties tussen Solveon en [deurwaarder] waren verlopen en evenmin dat er daarbij een administratieve fout was gemaakt bij de verwerking van de betalingen. ABN AMRO erkent in de memorie van grieven dat Solveon en [deurwaarder] zelf pas ten tijde van de inleidende dagvaarding (gedateerd 18 februari 2004) hebben uitgezocht welk restantbedrag [geïntimeerde] nog precies verschuldigd was. Pas in de akte die is genomen ter gelegenheid van de comparitie van partijen is een gewaarmerkt uittreksel als bedoeld in artikel 11 van de algemene voorwaarden overgelegd. Vanaf de mededeling van [deurwaarder] van 13 juni 2001 tot aan de inleidende dagvaarding zijn voorts ruim 3,5 jaar verstreken, terwijl uit de twee brieven die [deurwaarder] kennelijk in de tussentijd heeft verstuurd (gedateerd 29 januari 2002 en 23 januari 2003) slechts kan worden opgemaakt dat er volgens ABN AMRO twee maal hetzelfde bedrag in mindering was gebracht, zonder dat dit voor [geïntimeerde] inzichtelijk wordt gemaakt. Gelet op deze omstandigheden is bij [geïntimeerde] (naar aanleiding van de mededeling van 13 juni 2001) het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat ABN AMRO geen vordering meer pretendeerde en mocht [geïntimeerde] daarop ook blijven vertrouwen.

3.5 Uit het bovenstaande volgt dat de grieven geen behandeling behoeven en dat de kantonrechter de vordering terecht heeft afgewezen zodat het vonnis zal worden bekrachtigd. ABN AMRO zal als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van het hoger beroep dienen te dragen.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Arnhem) van 30 augustus 2004;

veroordeelt ABN AMRO in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 1.505,--, waarvan te voldoen aan de griffier van het gerechtshof (bankrekeningnummer 1923.25.752 ten name van DS 533 Arrondissement Arnhem, postbus 9030 EM Arnhem, onder vermelding van het rolnummer en de namen van partijen) het bedrag van € 1.444,75 te weten:

- € 180,75 wegens in debet gesteld griffierecht,

- € 1.264,-- wegens salaris van de procureur,

en het restant ad € 60,25 aan de procureur van [geïntimeerde] wegens diens eigen aandeel in het griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs Katz-Soeterboek, Wefers Bettink en Ter Veer en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 november 2005.