Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AU7325

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-11-2005
Datum publicatie
01-12-2005
Zaaknummer
02-00789
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting

Eerst bij het onvoorwaardelijk worden van voorwaardelijk toegekende werknemersoptierechten is sprake van een fiscaal genietingsmoment.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/35.2.7
FutD 2005-2420
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Eerste meervoudige belastingkamer

nummer 02/00789

Uitspraak

op het beroep van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst te P op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 1.072.437. Er is voorts een bedrag aan heffingsrente berekend van ƒ 44.741.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft het bezwaar afgewezen en de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft bij brief van 30 december 2004 nadere stukken ingezonden.

1.4. De eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 13 januari 2005 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, zijn gemachtigde, alsmede de Inspecteur.

1.5. Partijen hebben ter zitting van 13 januari 2005 ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota’s vormen onderdeel van het proces-verbaal van die zitting.

1.6. Aan het slot van deze zitting heeft het gerechtshof de behandeling geschorst, waarna belanghebbende bij brief van 22 april 2005 en de Inspecteur bij brief van 24 mei 2005 nadere inlichtingen hebben verschaft.

1.7. De tweede mondelinge behandeling heeft plaatsgehad op 22 september 2005 te Arnhem. Aldaar zijn dezelfde personen verschenen.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde op de zittingen de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende heeft in de negentiger jaren verschillende managementfuncties vervuld in dienstbetrekking bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A BV. A BV behoort tot het Amerikaanse B-concern met als topvennootschap de in de Verenigde Staten van Amerika gevestigde C Corporation USA(hierna: C Corp.).

2.2. Tot in de eerste helft van het jaar 1994 had belanghebbende de functie van “European Technical Manager” en was hij in die functie verantwoordelijk voor de support operatie in de regio Benelux en diende hij te rapporteren aan de General Manager Benelux. In de tweede helft van het jaar 1994 is hem vanwege zijn kennis op Europees niveau gevraagd om deel te gaan uitmaken van het Europees hoofdkwartier van C Corp. in Parijs teneinde als “Business Analysis Manager for the support operation in Europe” (vanaf 1999: “Europe, Middle East and Africa”) de effiency en de effectiviteit van de support operatie te managen.

2.3. Belanghebbende stond op de loonlijst bij A BV en is ook na medio 1994 op de loonlijst van A BV blijven staan. Zijn loonkosten zijn vanaf die tijd door A BV doorberekend aan het Europese hoofdkwartier.

2.4. C Corp. kent aan werknemers die een bepaalde toegevoegde waarde hebben voor de organisatie optierechten toe om die werknemers aan de organisatie te binden. Ook belanghebbende heeft als werknemer van A BV deelgenomen aan de door C Corp. in het leven geroepen aandelenoptieregeling. De rechten en verplichtingen uit deze optieregeling zijn opgenomen in een “Stock Option Agreement” en in het “C Corporation 1991 Stock Option Plan". In paragraaf 9, onderdeel b van de laatstgenoemde regeling is in de vertaalde tekst het volgende vermeld:

"(b) Beëindiging van de Werknemersstatus. In geval van beëindiging van de Doorlopende Werknemersstatus van een Optiehouder, heeft de Optiehouder het recht aandelenopties uit te oefenen voorzover deze op de beëindigingsdatum uitoefenbaar zijn. Zodanige uitoefening moet binnen drie (3) maanden (of zoveel eerder als mogelijk bij toekenning van de Optie is gespecificeerd) na de beëindigingsdatum (doch in geen geval later dan de einddatum van de looptijd van deze optie als vermeld in de Optieovereenkomst) worden geëffectueerd. Voorzover de Optiehouder op de beëindigingsdatum niet gerechtigd was tot uitoefening van de Optie, of de Optie niet binnen de hierin nader omschreven tijd uitoefent, eindigt de Optie".

Deze passage komt ook voor in artikel 4 van de tussen C Corp. en haar werknemers gebezigde aandelenoptieovereenkomsten. In het plan van 1991 en in de overeenkomsten komen ook, de uitoefening van de optiebeperkende, regelingen voor ingeval van onder meer overlijden en arbeidsongeschiktheid.

2.5. Er zijn opties toegekend vóór 1 juli 1994 (hierna: oude opties) en ná 1 juli 1994 (hierna: nieuwe opties). De oude opties kunnen, tot maximaal 25%, worden uitgeoefend voor het eerst anderhalf jaar na de toekenning. Vervolgens kan na elk volgend half jaar 12,5% van de opties worden uitgeoefend, zodat vierenhalfjaar na de toekenning alle opties uitoefenbaar zijn. De uitoefenperiode bedraagt tien jaar. Binnen die periode heeft belanghebbende het recht het optierecht om te zetten in aandelen.

Voor de nieuwe opties geldt een soortgelijke regeling. Van die opties is reeds één jaar na toekenning 12,5% van de opties uitoefenbaar en vervolgens elk volgend half jaar 12,5%, zodat na vierenhalfjaar alle opties uitoefenbaar zijn. De uitoefenperiode bedraagt 7 jaar. Binnen die periode heeft belanghebbende het recht het optierecht om te zetten in aandelen.

De uitoefenprijs van de opties wordt vastgesteld door C Corp.. Die prijs komt overeen met de waarde van de onderliggende aandelen op het moment van toekenning van de opties.

2.6. Belanghebbende heeft een aantal optieovereenkomsten met C Corp. gesloten. Hij heeft het in de overeenkomsten gedane aanbod steeds aanvaard door vermelding van zijn naam onder de tekst van de overeenkomst en door vervolgens gevolg te geven aan de aansporing "Click to accept". Het gaat, voorzover hier van belang, om de volgende overeenkomsten met daarbij de door de Inspecteur belaste bedragen:

nr. 21105 toekenning 07-07-1992 uitoefening 07-01-1997 ƒ 89.594,58

nr. 30853 toekenning 30-07-1993 uitoefening 30-01-1997 ƒ 152.641,64

nr. 30853 toekenning 30-07-1993 uitoefening 30-07-1997 ƒ 254.839,33

nr. 45573 toekenning 21-07-1994 uitoefening 21-01-1997 ƒ 61.823,26

nr. 45573 toekenning 21-07-1994 uitoefening 21-07-1997 ƒ 107.694,09

nr. 61138 toekenning 31-07-1995 uitoefening 31-01-1997 ƒ 53.064,54

nr. 61138 toekenning 31-07-1995 uitoefening 31-07-1997 ƒ 99.841,34

nr. 72717 toekenning 15-07-1996 uitoefening 15-07-1997 ƒ 106.837,91

-----------------

Totaal ƒ 926.336,69.

2.7. Belanghebbende heeft overgelegd de optieovereenkomst met nummer 87334 waarin per 1 juli 1997 aan hem een optie wordt toegekend. De tekst van deze overeenkomst komt volgens belanghebbende, op de getallen na, geheel overeen met de in de hiervoor onder 2.6. vermelde overeenkomsten gebezigde tekst.

2.8. Op 2 mei 1995 zijn tussen A BV en de Belastingdienst afspraken (ruling) gemaakt over de wijze waarop de voordelen uit de optieregeling moeten worden berekend en in de inkomstenbelasting moeten worden betrokken. De overeenkomst geldt voor de periode van 1 januari 1995 tot en met 31 december 1998 en heeft betrekking op zowel de reeds toegekende als de nog toe te kennen aandelenopties. Afgesproken is dat het verschil tussen de uitoefenprijs van de optie en de beurswaarde (de intrinsieke waarde) op het moment van het onvoorwaardelijk worden in de inkomstenbelasting wordt betrokken. Daarnaast is de verwachtingswaarde van de optie belast. Beide waarden worden belast als inkomsten uit arbeid buiten dienstbetrekking en er wordt volgens het normale, progressieve, tarief geheven.

2.9. Belanghebbende heeft aangifte gedaan van een belastbaar inkomen van ƒ 146.101. A BV heeft de Inspecteur meegedeeld dat het in 1997 genoten voordeel op opties berekend op de in de ruling voorziene wijze ƒ 926.336,69 bedraagt. De Inspecteur heeft het bedrag van het in de aangifte vermelde belastbare inkomen met het genoten optievoordeel verhoogd.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag in welk jaar en tot welke waarde de opties in aanmerking genomen moeten worden.

3.2. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat sprake is van een voorwaardelijk optierecht, dat het optievoordeel in het jaar van uitoefening moet worden belast en dat het voordeel conform de ruling moet worden berekend. Belanghebbende betrekt de stelling dat het voordeel moet worden berekend naar de situatie op de toekenningsdatum (“grantdate”) en dat mitsdien de waardeverandering tussen die datum en de uitoefendatum buiten de heffing dient te blijven.

3.3. Belanghebbende heeft zijn overige klachten (aftrek elders belast en vertrouwensbeginsel) ter zitting ingetrokken.

3.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Van het verhandelde op de beide zittingen zijn processen-verbaal opgemaakt. Afschriften daarvan zijn aan deze uitspraak gehecht.

3.5. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot één naar een belastbaar inkomen ten bedrage van ? 170.133 (€ 77.203). De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid bezwaar

4.1. Niet-ontvankelijkverklaring van een vóór het begin van de termijn ingediend bezwaarschrift blijft volgens artikel 6:10, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht achterwege indien ten tijde van die indiening het besluit reeds tot stand was gekomen.

4.2. Partijen gaan er beide van uit dat die situatie zich in casu voordoet. Het bezwaar is mitsdien ontvankelijk.

4.3. De Inspecteur heeft het bezwaar ontvankelijk geacht omdat hij met voorbijzien aan de omstandigheid dat het bezwaarschrift ter inspectie is ingekomen op 19 juli 2000 dit geschrift beschouwt als te zijn binnengekomen op 28 juli 2000. Deze handelwijze kan niet worden aanvaard aangezien, gelet op het hiervoor onder 4.1. overwogene, slechts in bijzondere, in de wet vastgelegde gevallen, niet-ontvankelijkverklaring van een te vroeg ingediend bezwaarschrift achterwege kan blijven.

Optievoordeel

4.5. Al hetgeen uit dienstbetrekking wordt genoten vormt loon. Niet in geld genoten loon wordt in aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend. In het geval aan de werknemer in het kader van zijn dienstbetrekking aandelenopties worden toegekend en hij deze accepteert, geniet hij loon dat in de heffing moet worden betrokken. Bij opties die onvoorwaardelijk zijn toegekend zonder dat aan de uitoefenbaarheid voorwaarden zijn gesteld geniet de werknemer het voordeel op het moment van toekenning van het recht. Bij opties waarbij aan de uitoefenbaarheid wel voorwaarden zijn gesteld geniet de werknemer het voordeel op het tijdstip dat zijn recht onvoorwaardelijk wordt, namelijk op het moment waarop de opties uitoefenbaar worden.

4.6. Het Hof is van oordeel dat, gelet op de inhoud van de overgelegde stukken en in het bijzonder de onder 2.4 genoemde paragraaf 9, onderdeel b, van het C Corporation 1991 Stock Option Plan, te dezen sprake is van een dergelijk voorwaardelijk optierecht. De door belanghebbende aangevoerde feiten en omstandigheden leiden het Hof niet tot een ander standpunt.

4.7. Belanghebbende heeft aangevoerd dat in de jaren negentig van de vorige eeuw de kans dat hij van werkgever zou veranderen gering was. Om die reden was naar zijn mening feitelijk sprake van een onvoorwaardelijk optierecht. Belanghebbende ziet hierbij over het hoofd dat de kans dat een werknemer - en ook hijzelf - om welke reden dan ook van werkgever verandert niet kan worden veronachtzaamd. Voorts konden omstandigheden als gedwongen ontslag, arbeidsongeschiktheid of overlijden aan de uitoefening van de opties in de weg staan.

4.8. Belanghebbende heeft voorts aangevoerd dat het belasten van de waardeontwikkeling van de opties tot het moment waarop de opties uitoefenbaar zijn niet proportioneel is. Zijn standpunt dat het met een dergelijke optie verkregen voordeel, ook als “weliswaar nog niet voldaan is aan alle formele condities”, toch moet worden berekend naar de situatie op de toekenningsdatum, rekening houdend met “alle daaraan verbonden positieve en negatieve kansen” vindt geen steun in het recht. Het staat de belastingrechter bovendien niet vrij de redelijkheid en billijkheid van de wet te toetsen.

4.9. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat belanghebbende het voordeel uit de opties in 1997 heeft genoten. Partijen zijn van oordeel dat in dat geval het voordeel moet worden berekend op grond van de in de ruling vervatte regeling. Belanghebbende heeft de bij onjuistbevinding van zijn standpunten in aanmerking te nemen waarde van ƒ 926.336,69 op zichzelf niet betwist.

Conclusie

4.10. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 3 november 2005 door mr. Lamens, voorzitter, mr. Hammerstein en mr. Röben, raadsheren. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. Te Brake-Berg als griffier.

(C.E. te Brake-Berg) (J. Lamens)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad