Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AU7290

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-11-2005
Datum publicatie
01-12-2005
Zaaknummer
629/2005
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2007:AZ5686, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ5686
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geval van interseksualiteit: verzoeker stelt dat hij man noch vrouw is en wil dat in zijn geboorteakte geen geslacht wordt aangegeven

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2006, 16
NJF 2006, 188
JPF 2006/45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 november 2005

Familiekamer

Rekestnummer 629/2005

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[verzoekende partij],

wonende te [buitenland],

verzoekende partij, verder te noemen “[verzoekende partij]”,

procureur mr P.C. Plochg,

en

Gemeente Enschede,

zetelende te Enschede,

verwerende partij, verder te noemen “de gemeente”.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Almelo van 1 juni 2005, uitgesproken onder zaaknummer 67698 fa rk 04-833.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 23 juni 2005, is [verzoekende partij] in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. [verzoekende partij] verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat in de geboorteakte van [verzoekende partij] de geslachtsaanduiding wordt doorgehaald zonder een nieuwe geslachtsaanduiding aan te brengen.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 27 juli 2005, heeft de gemeente op het beroepschrift gereageerd.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 20 oktober 2005 plaatsgevonden. [verzoekende partij] is niet persoonlijk ter zitting verschenen en heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.A.M. Luttikhuis, advocaat te Enschede. Namens de gemeente is niemand verschenen.

2.4 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een brief van [verzoekende partij] van 18 augustus 2005 en een brief van het ressortsparket Arnhem van het Openbaar Ministerie van 6 oktober 2005.

3 De vaststaande feiten

3.1 [verzoekende partij] is op [geboortedatum] 1947 te Enschede geboren. In de geboorteakte is geregistreerd dat [verzoekende partij] een kind is van het mannelijk geslacht. [verzoekende partij] is tot de overtuiging gekomen niet tot het mannelijk geslacht te behoren en heeft op latere leeftijd een geslachtsaanpassende operatie ondergaan. [verzoekende partij] heeft vervolgens in 1989 andermaal een geslachtsaanpassende operatie ondergaan, omdat [verzoekende partij] de overtuiging had gekregen evenmin tot het vrouwelijk geslacht te behoren. [verzoekende partij] is thans op grond van langdurige en consistente gevoelens en ervaringen tot de overtuiging gekomen “niet-geseksueerd” te zijn.

3.2 Bij beschikking van 22 november 1978 heeft de rechtbank te Almelo de wijziging gelast van de voornamen van [verzoekende partij], met dien verstande dat zij zullen luiden: “[meisjesnamen]”.

3.3 Bij beschikking van 30 november 1989 heeft de rechtbank te Zutphen de ambtenaar van de burgerlijke stand te Enschede gelast de in de registers van die gemeente voorkomende akte van geboorte nr. 736 te wijzigen aldus, dat in de plaats van de voornamen [meisjesnamen] zullen worden gesteld de voornamen “[jongensnamen]”.

3.4 Bij beschikking van 21 maart 2001 heeft de rechtbank te Almelo het verzoek van [verzoekende partij] om te gelasten dat in de geboorteakte de geslachtsaanduiding van het mannelijk geslacht wordt doorgehaald zonder een nieuwe geslachtsaanduiding aan te brengen, afgewezen.

3.5 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank te Almelo op 19 november 2004, heeft [verzoekende partij] verzocht te bepalen dat de geslachtsaanduiding in de geboorteakte van [verzoekende partij] wordt doorgehaald zonder een nieuwe geslachtsaanduiding aan te brengen. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank dat verzoek afgewezen.

4 De motivering van de beslissing

4.1 [verzoekende partij] stelt zich op het standpunt dat de door hem gewenste doorhaling van de geslachtsaanduiding mogelijk is op grond van het eerste lid van artikel 1:24 Burgerlijk Wetboek. [verzoekende partij] heeft zich voorts subsidiair beroepen op de bepalingen van de Europese Conventie voor de Rechten van de Mens, waarin het recht op privéleven wordt erkend en waaruit volgens [verzoekende partij] een positieve verplichting kan worden afgeleid om zijn identiteit van persoon die noch tot het mannelijk noch tot het vrouwelijk geslacht behoort, te erkennen.

4.2 De gemeente stelt zich op het standpunt dat de geslachtsaanduiding in de geboorteakte van [verzoekende partij] niet kan worden doorgehaald zonder een nieuwe geslachtsaanduiding in die geboorteakte aan te brengen, tenzij daaraan een rechterlijke beslissing ten grondslag ligt. De ambtenaar van de burgerlijke stand van een gemeente mag alleen die gegevens in akten opnemen die bij of krachtens de wet zijn voorgeschreven. De gegevens die een geboorteakte moet bevatten zijn vermeld in de artikelen 1:18 en 1:19 Burgerlijk Wetboek en artikel 43 van het Besluit Burgerlijke Stand 1994.

4.3 Het hof oordeelt als volgt. Het eerste lid van artikel 1:24 Burgerlijk Wetboek voorziet in verbetering van een in de registers van de burgerlijke stand voorkomende akte die een misslag bevat. De omstandigheid dat [verzoekende partij] na een jarenlang proces van ervaring en bewustwording de overtuiging heeft gekregen noch tot het mannelijk noch tot het vrouwelijk geslacht te behoren, is geen grond om de vermelding in de geboorteakte als een misslag te beschouwen. De wetgever heeft voor gevallen van transseksualiteit in artikelen 1:28-28c Burgerlijk Wetboek een bijzondere voorziening getroffen, die de mogelijkheid van wijziging van de geslachtsaanduiding in de geboorteakte niet verbindt aan een ten tijde van het opmaken van de geboorteakte begane misslag, doch aan een bij de betrokken persoon bestaande overtuiging en enige nadere voorwaarden. Voor het zich hier voordoende geval van “interseksualiteit” in de zin van een seksuele identiteit die noch tot het mannelijke noch tot het vrouwelijke geslacht behoort, kent de wet een dergelijke voorziening niet.

4.4 De (enkele) doorhaling van de geslachtsaanduiding in de geboorteakte van [verzoekende partij] zou voorts leiden tot een uitkomst waarin het Burgerlijk Wetboek en het daarop gebaseerde Besluit Burgerlijke Stand 1994 niet voorzien en die ook met de aan die regelingen ten grondslag liggende systematiek in strijd is. Artikel 1:19d Burgerlijk Wetboek voorziet wel in de mogelijkheid dat in de geboorteakte wordt vermeld dat het geslacht van het kind niet is kunnen worden vastgesteld – welke vermelding in beginsel als een tijdelijke voorziening is bedoeld, zoals volgt uit het tweede en derde lid van genoemd artikel – maar niet in de mogelijkheid dat met betrekking tot het geslacht in het geheel niets wordt vermeld.

4.5 De primaire grondslag voor het verzoek kan dan ook niet tot toewijzing van het verzoek leiden.

4.6 Vervolgens is de vraag aan de orde of de Europese Conventie voor de Rechten van de Mens en in het bijzonder de erkenning in dat verdrag van het recht op privéleven meebrengt dat het verzoek niettemin moet worden toegewezen. [verzoekende partij] heeft zich in dit verband beroepen op de beslissing van het Europees Hof van de Rechten van de Mens van 11 juli 2002 (appl.nr. 28957/95), inzake [...] tegen het Verenigd Koninkrijk.

4.7 [verzoekende partij] voert op zichzelf terecht aan dat reeds de enkele omstandigheid dat de vermelding in de geboorteakte niet in overeenstemming is met de bij [verzoekende partij] bestaande overtuiging noch tot het mannelijk noch tot het vrouwelijk geslacht te behoren, zodat die vermelding niet in overeenstemming is met die identiteit, mee kan brengen dat sprake is van een schending van het door artikel 8 van genoemd verdrag gewaarborgde recht. Voorzover de rechtbank met het slot van rechtsoverweging 14 van de bestreden beschikking bedoeld heeft dat dit anders is, is die overweging onjuist en komt [verzoekende partij] daartegen met recht op.

4.8 De genoemde beslissing van het Europees Hof van de Rechten van de Mens had betrekking op een geval van transseksualiteit. Uit de uitspraak blijkt dat voor de beslissing van het Europees Hof in de desbetreffende zaak dat inderdaad sprake was van een schending van genoemd artikel 8, met name bepalend zijn geweest (1) de omstandigheid “that transsexualism has wide international recognition as a medical condition for which treatment is provided in order to afford relief” (rechtsoverweging 81) en (2) de zichtbaarheid van “a continuing international trend towards legal recognition” van transseksualiteit (rechtsoverweging 84). Waar het in deze zaak om gaat is of ook voor gevallen van interseksualiteit in de onder 4.3 bedoelde zin geldt dat sprake is van kort gezegd brede internationale medische erkenning en een bestendige internationale trend van juridische erkenning. Wat betref het eerste beroept [verzoekende partij] zich op diverse publicaties en op een rapportage van prof. dr. D.F. Swaab. Wat betreft het tweede beroept [verzoekende partij] zich met name op een rapport van de Human Rights Commission San Francisco en een uitspraak van het Constitutionele Hof van Colombia.

4.9 Het rapport van de Human Rights Commission San Francisco en de uitspraak van het Constitutionele Hof van Colombia hebben beide betrekking op de vraag op welke wijze ouders en medici behoren om te gaan met kinderen van wie het geslacht onduidelijk is of van wie een of meer geslachtskenmerken niet overeenstemmen met wat bij het mannelijke respectievelijk het vrouwelijke geslacht gebruikelijk is. Aldus kunnen bedoeld rapport en bedoelde uitspraak niet bijdragen tot het oordeel dat sprake is van een “a continuing international trend towards legal recognition” van interseksualiteit in de onder 4.3 bedoelde zin. Een dergelijke trend kan ook niet uit andere het hof bekende gegevens worden afgeleid. Uit een en ander volgt reeds dat geen grond bestaat om een schending van artikel 8 van de Europese Conventie te kunnen aannemen, zodat ook de subsidiaire grondslag van het verzoek niet tot toewijzing van dat verzoek kan leiden.

5 De slotsom

Op grond van hetgeen hierboven is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank te Almelo van 1 juni 2005.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Rijken, Van Ginkel en Valk, en is op 15 november 2005 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier. Bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend de oudste raadsheer.