Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AU7142

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
22-11-2005
Datum publicatie
01-12-2005
Zaaknummer
2005/049
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het onderhavige geschil kan, voor zover thans van belang, van het volgende worden uitgegaan. [Boekbinderij] heeft in 2002 in opdracht en voor rekening van Uitgeverij Europese Bibliotheek (verder: “de uitgever”) boeken gebonden. De uitgever leverde daarbij steeds vellen papier met tekst (en, in voorkomende gevallen, illustraties) en voorzag [Boekbinderij] van instructies ten aanzien van de gewenste uiterlijke verschijningsvorm van de te binden boeken. De voor het binden noodzakelijke materialen en arbeid waren van [Boekbinderij] afkomstig. Stubosch c.s., sinds 1997 meerderheidsaandeelhouder van de uitgever, hebben tot zekerheid van de voldoening van een vordering van ruim € 1.000.000,- een pandrecht gevestigd op onder meer de voorraden van de uitgever. Begin 2003 hebben Stubosch c.s. die voorraden ter executie in hun macht gebracht. Bij vonnis van 22 januari 2003 is de uitgever in staat van faillissement verklaard. Na een verzoek daartoe van [Boekbinderij] – die uit hoofde van haar werkzaamheden een vordering op de uitgever heeft ten bedrage van € 90.174,56 –hebben Stubosch c.s. geweigerd de door [Boekbinderij] ingebonden boeken aan haar af te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2006, 329
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 november 2005

eerste civiele kamer

rolnummer 2005/49

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B.V. Boekbinderij v/h [...],

gevestigd te Groningen,

appellante,

procureur: mr. F.J. Boom,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Stubosch B.V.,

gevestigd te Zaltbommel,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Stufas B.V.,

gevestigd te Zaltbommel,

geïntimeerden,

procureur: mr. P.C. Plochg.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de vonnissen van de rechtbank te Arnhem van 12 mei 2004 en 22 september 2004, gewezen tussen appellante (hierna te noemen “[Boekbinderij]”) als eiseres en geïntimeerden (hierna afzonderlijk “Stubosch” respectievelijk “Stufas” en gezamenlijk “Stubosch c.s.” te noemen) alsmede mr. J.M.A.J. Thielen in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap Uitgeverij Europese Bibliotheek B.V. te Zaltbommel als gedaagden. Deze vonnissen zijn in fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [Boekbinderij] heeft bij exploot van 16 december 2004 aangezegd van voornoemd vonnis van 22 september 2004 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van Stubosch c.s. voor dit hof, en heeft aangekondigd te zullen gaan concluderen dat het hof bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw recht doende,

a. voor recht zal verklaren dat de boeken als genoemd in productie 8 bij de dagvaarding in eerste aanleg op 22 januari 2003 in eigendom aan [Boekbinderij] toebehoorden en dat Stubosch c.s. onrechtmatig jegens [Boekbinderij] hebben gehandeld door deze boeken desgevraagd niet aan [Boekbinderij] af te geven;

b. primair Stubosch c.s. hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, zal veroordelen aan [Boekbinderij] als schadevergoeding een bedrag van € 90.174,56, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2003 tot aan de dag der algehele voldoening, te betalen, en

subsidiair Stubosch c.s. zal veroordelen (1) opgave te doen van de sedert 22 januari 2003 door haar verkochte, in eigendom aan [Boekbinderij] toebehorende boeken, alsmede van de opbrengst daarvan, en (2) de opbrengst aan [Boekbinderij] te betalen en de nog in de macht van Stubosch c.s. zijnde boeken aan [Boekbinderij] af te geven;

c. Stubosch c.s. zal veroordelen de buitengerechtelijke kosten conform het rapport-Voorwerk aan [Boekbinderij] te betalen;

d. Stubosch c.s. zal veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties.

2.2 Bij exploot van 4 januari 2005 heeft [Boekbinderij] Stubosch c.s., voor zover van belang, opgeroepen tegen een nieuwe rechtsdag.

2.3 Bij memorie van grieven heeft [Boekbinderij] zeven grieven geformuleerd en toegelicht, heeft zij een aantal producties overgelegd en heeft zij geconcludeerd overeenkomstig de eis vervat in voormeld exploot.

2.4 Bij memorie van antwoord hebben Stubosch c.s. verweer gevoerd, hebben zij een aantal producties overgelegd en hebben zij geconcludeerd dat het hof bij arrest – voor zover en zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – [Boekbinderij] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen, althans deze zal afwijzen, met bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, en [Boekbinderij] zal veroordelen in de proceskosten van (het hof leest:) het geding in hoger beroep.

2.5 Ter terechtzitting van het hof van 27 oktober 2005 hebben partijen de zaak doen bepleiten, waarbij namens [Boekbinderij] het woord is gevoerd door mr. P.H.F. Yspeert, advocaat te Groningen, en namens Stubosch c.s. door mr. D.P. Schalken, advocaat te Boxtel, beiden aan de hand van door hen overgelegde pleitnotities.

2.6 Ten slotte hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

Nu geen grieven zijn aangevoerd tegen de vaststelling van de in het bestreden vonnis in rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.4 genoemde feiten – behoudens voorzover het om (een deel van) de onder 2.1 genoemde feiten gaat, maar de daarop betrekking hebbende grieven (I en II) zijn bij gelegenheid van de pleidooien voor dit hof ingetrokken – gaat ook het hof van die feiten uit.

4 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1 De grieven beogen het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen.

4.2 In het onderhavige geschil kan, voor zover thans van belang, van het volgende worden uitgegaan. [Boekbinderij] heeft in 2002 in opdracht en voor rekening van Uitgeverij Europese Bibliotheek (verder: “de uitgever”) boeken gebonden. De uitgever leverde daarbij steeds vellen papier met tekst (en, in voorkomende gevallen, illustraties) en voorzag [Boekbinderij] van instructies ten aanzien van de gewenste uiterlijke verschijningsvorm van de te binden boeken. De voor het binden noodzakelijke materialen en arbeid waren van [Boekbinderij] afkomstig. Stubosch c.s., sinds 1997 meerderheidsaandeelhouder van de uitgever, hebben tot zekerheid van de voldoening van een vordering van ruim € 1.000.000,- een pandrecht gevestigd op onder meer de voorraden van de uitgever. Begin 2003 hebben Stubosch c.s. die voorraden ter executie in hun macht gebracht. Bij vonnis van 22 januari 2003 is de uitgever in staat van faillissement verklaard. Na een verzoek daartoe van [Boekbinderij] – die uit hoofde van haar werkzaamheden een vordering op de uitgever heeft ten bedrage van € 90.174,56 –hebben Stubosch c.s. geweigerd de door [Boekbinderij] ingebonden boeken aan haar af te geven.

4.3 Bij gelegenheid van de pleidooien voor dit hof heeft [Boekbinderij] uitdrukkelijk gesteld dat zij niet langer haar stelling handhaaft dat de vellen papier met tekst (en eventuele illustratries) eigendom van de drukker, en niet van de uitgever, waren, en dat derhalve ervan mag worden uitgegaan – zoals Stubosch c.s. hebben gesteld – dat de uitgever eigenaar was van de vellen papier met tekst (en eventuele illustraties) en dat zij ([Boekbinderij]) de boeken voor de uitgever heeft gevormd uit materialen die deels haar en deels de uitgever in eigendom toebehoorden.

4.4 Het voorgaande impliceert – zoals [Boekbinderij] desgevraagd bij gelegenheid van de pleidooien ook heeft bevestigd – dat zij daarmee grief I en grief II heeft ingetrokken en dat deze grieven dus buiten bespreking kunnnen blijven.

4.5 De vraag waar het in het onderhavige geschil in de eerste plaats om gaat, is of [Boekbinderij], zoals zij stelt, eigenaar van de door haar in opdracht van de uitgever ingebonden boeken is geworden dan wel of de uitgever als eigenaar daarvan moet worden beschouwd. In het eerste geval zijn de boeken krachtens een door [Boekbinderij] jegens de uitgever gemaakt eigendomsvoorbehoud in (artikel 8.4 van) haar algemene voorwaarden – indien deze in het onderhavige geval althans, zoals [Boekbinderij] stelt, van toepassing zijn – eigendom van [Boekbinderij] gebleven, zodat Stubosch c.s. wegens het ontbreken van beschikkingsbevoegdheid bij de uitgever geen pandrecht op de door [Boekbinderij] ingebonden boeken hebben verkregen, indien zij – zoals [Boekbinderij] althans stelt – niet te goeder trouw zijn geweest in de zin van artikel 3:238 lid 1 BW. In het tweede geval staat vast dat het pandrecht van Stubosch c.s. rechtsgeldig is gevestigd en kan [Boekbinderij] geen rechten doen gelden ten aanzien van de door haar ingebonden boeken.

4.6 Beide partijen zijn het erover eens dat door het inbinden van vellen papier met tekst (en, in voorkomende gevallen, illustraties) een nieuwe zaak (een boek) ontstaat die door iemand is gevormd in de zin van artikel 5:16 BW. Zij verschillen evenwel van mening over de vraag of in dit geval het eerste dan wel het tweede lid van die bepaling van toepassing is.

4.7 Vaststaat in het onderhavige geval dat [Boekbinderij] in opdracht en voor rekening van de uitgever werkte, dat de uitgever daarbij steeds vellen papier met tekst (en, in voorkomende gevallen, illustraties) leverde en [Boekbinderij] voorzag van instructies ten aanzien van de gewenste uiterlijke verschijningsvorm van de te binden boeken en dat de voor het binden noodzakelijke materialen en arbeid van [Boekbinderij] afkomstig waren. Daarnaast hebben Stubosch c.s. onweersproken gesteld dat de uitgever het risico droeg van onverkoopbaarheid, vernieling, fouten in het produktieproces of de calculatie, etcetera. Op grond van al deze omstandigheden oordeelt het hof dat naar verkeersopvatting hier sprake is van een geval waarin de uitgever door middel van onder meer de binder ([Boekbinderij]) de boeken voor zichzelf heeft doen vormen, een standpunt dat eerst bij gelegenheid van de pleidooien voor dit hof met name ook uitdrukkelijk door [Boekbinderij] zelf naar voren is gebracht (zie pleitnota [Boekbinderij], blz. 1). Nu bovendien vaststaat dat de uitgever daarbij, voor zover het om zijn relatie tot [Boekbinderij] gaat, de boeken door middel van [Boekbinderij] voor zichzelf heeft doen vormen uit, althans mede uit materiaal dat niet aan hem (de uitgever) toebehoorde (de voor het proces van binden noodzakelijke materialen waren immers van [Boekbinderij] afkomstig), volgt hieruit de conclusie dat in dit geval artikel 5:16 lid 2 BW van toepassing is en de uitgever derhalve eigenaar van de boeken is geworden op het moment dat deze waren ingebonden.

4.8 Uit het voorgaande volgt dat grief III faalt.

4.9 [Boekbinderij] heeft in dit verband een beroep gedaan op de uitzonderingsregel aan het slot van het tweede lid van artikel 5:16 BW en gesteld dat de hoofdregel van lid 1 weer van toepassing wordt, als de kosten van degene die uit andermans zaken heeft gevormd of doen vormen gering zijn. [Boekbinderij] heeft in het bijzonder gesteld dat de uitgever voor de vorming niet of nauwelijks kosten heeft gemaakt, omdat de uitgever noch de drukkers noch de binder ([Boekbinderij]) heeft betaald, terwijl de andere kosten (auteurs, lay-out, etcetera) geen betrekking hebben op het vormen van de litigieuze boeken.

4.10 De vraag of de kosten die aan het vormen verbonden zijn de eigendomsovergang van artikel 5:16 lid 2 aanhef BW in de weg staan, moet ontkennend worden beantwoord. Anders dan [Boekbinderij] in haar betoog stelt gaat het bij de vaststelling van de kosten van de vorming onder meer om kosten die moeten worden betaald – en waartoe degene die voor zichzelf vormt of doet vormen verbintenisrechtelijk is gehouden – en niet om kosten van de vorming die, al dan niet, zijn voldaan. Dit laatste betekent dat de vraag of de drukkers en de binder hun vorderingen terzake bij de uitgever hebben kunnen innen, in dit verband – anders dan [Boekbinderij] stelt – niet relevant is. Nu uit de stukken blijkt dat de uitgever zich een reële inspanning heeft getroost – voor zijn rekening komen onder meer ook, anders dan [Boekbinderij] heeft betoogd, de kosten van bijvoorbeeld auteurs, lay-out, ontwerp, litho’s, proeven, redactie en fotorechten (vgl. Parl. Gesch. Boek 5, blz. 111) – staan de vormingskosten de eigendomstoewijzing van het tweede lid aanhef niet in de weg.

4.11 Het voorgaande brengt mee dat grief IV evenmin slaagt.

4.12 Nu de toepasselijkheid van artikel 5:16 lid 2 BW op het onderhavige geval impliceert dat niet meer aan toepassing van onder meer artikel 5:14 BW kan worden toegekomen, moet grief V reeds op die grond worden verworpen.

4.13 Nu grief VI en grief VII afhankelijk zijn van het welslagen van de overige grieven, falen ook deze grieven.

4.14 Voor het overige heeft [Boekbinderij] geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, zodat haar bewijsaanbod wordt gepasseerd.

5 De slotsom

Het hoger beroep faalt. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [Boekbinderij] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in hoger beroep worden veroordeeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

6.1 bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank te Arnhem van 22 september 2004;

6.2 veroordeelt [Boekbinderij] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Stubosch c.s. begroot op € 4.893,- voor salaris procureur en op € 2.705,- voor verschotten;

6.3 verklaart de onder 6.2 uitgesproken veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van der Kwaak, Rijken en Korthals Altes en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 november 2005.