Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AU6933

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
24-10-2005
Datum publicatie
28-11-2005
Zaaknummer
03-00829
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting

De bewijslast inzake de toerekening van voorbelasting bij gemengde (vrijgestelde en niet-vrijgestelde) prestaties ligt bij de ondernemer.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 15
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/16.16 met annotatie van Redactie
FutD 2005-2359
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

tweede meervoudige belastingkamer

nummer 03/00829

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : X

te : Z

verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst te P

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar

betreft : naheffingsaanslag omzetbelasting voor de jaren 1997 tot en met 2000

nummer : 0.F.01.0501

mondelinge behandeling : met schriftelijke toestemming van partijen niet gehouden

Gronden:

1. Belanghebbende exploiteert een personeelsmanagementbureau en een personeelswervings-, selectie-, en outplacementbureau. Belanghebbende is als ondernemer in de zin van artikel 7, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) aangemerkt.

2. Belanghebbende heeft gedurende de jaren 1997 tot en met 2000, in opdracht van gemeenten, trainingen verzorgd. Belanghebbende heeft ter zake van deze trainingen, die kunnen worden aangemerkt als beroepsopleiding in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel o, sub 2, van de Wet juncto artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968, geen omzetbelasting aan de desbetreffende gemeenten in rekening gebracht. Naast deze vrijgestelde prestaties heeft belanghebbende tevens met omzetbelasting belaste prestaties verricht op het gebied van personeelsmanagement.

3. Belanghebbende heeft op aangifte alle aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting (hierna: voorbelasting) op de voet van artikel 15, eerste lid, letter a, van de Wet in aftrek gebracht.

4. Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de Inspecteur de door belanghebbende in aftrek gebrachte omzetbelasting gecorrigeerd. De splitsing tussen de aftrekbare en de niet aftrekbare voorbelasting is aangebracht overeenkomstig het bepaalde in artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (hierna: Uitv. Besch.). Voor het niet voor aftrek in aanmerking komende deel van de voorbelasting is een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 52.398, vermeerderd met 25% boete en heffingsrente.

5. Tussen partijen is in geschil in hoeverre belanghebbende recht heeft op aftrek van voorbelasting. De opgelegde boete is niet in geschil.

6. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de kosten geboekt op de hiernavolgende grootboekrekeningen, betrekking hebben op goederen en diensten welke uitsluitend worden gebezigd ten behoeve van prestaties als bedoeld in artikel 11 van de Wet waarvoor geen recht op aftrek van voorbelasting bestaat (artikel 11, eerste lid, onderdeel a, van de Uitv.Besch.):

? 1997 grootboekrekening 5000 en 5003

? 1998 grootboekrekening 5000 en 5004

? 1999 grootboekrekening 5004

? 2000 -

7. Naar het oordeel van het Hof ligt het op de weg van belanghebbende om, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, de toerekening van de voorbelasting aan de verschillende door belanghebbende verrichte prestaties aannemelijk te maken. Belanghebbende is hier niet in geslaagd. Met het enkel opsommen van een aantal grootboekrekeningen maakt belanghebbende niet aannemelijk dat uitsluitend de op deze grootboekrekeningen geboekte kosten betrekking hebben op de vrijgestelde onderwijsprestaties c.q. dat andere grootboekrekeningen geen kosten bevatten die aan deze prestaties toerekenbaar zijn.

8. Naar het Hof begrijpt stelt belanghebbende zich voorts op het standpunt dat geen goederen en diensten zijn aangeschaft als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van de Uitv.Besch., die zowel worden gebruikt voor prestaties als bedoeld in artikel 11 van de Wet waarvoor geen recht op aftrek bestaat als voor andere prestaties.

9. Gelet op het feit dat belanghebbende zowel belaste als vrijgestelde prestaties verricht en op de omstandigheid dat belanghebbende beschikt over een bedrijfspand, inventaris en een auto, is het naar oordeel van het Hof niet aannemelijk dat belanghebbende in het geheel geen kosten heeft gemaakt als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel c van de Uitv.Besch. Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die in de onderhavige situatie tot een andere conclusie moeten leiden.

10. Het beroep is ongegrond.

Proceskosten:

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing:

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 24 oktober 2005 door mr. C.M. Ettema, voorzitter, prof.dr.mr. J.A. Monsma en mr. J.M.J. Denie, raadsheren. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (C.M. Ettema)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 28 oktober 2005

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.