Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AU6835

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-11-2005
Datum publicatie
24-11-2005
Zaaknummer
2004/1165
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vraag waar het in het onderhavige geschil in de eerste plaats om gaat, is of OMO het recht had om de tussen haar en IBO gesloten overeenkomst te ontbinden en recht heeft op betaling door IBO van de door haar gefourneerde gelden tot een bedrag van in totaal ƒ 773.296,89 (€ 350.906,83).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 november 2005

eerste civiele kamer

rolnummer 2004/1165

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

Informatiebeheer Onderwijs,

gevestigd te Ede,

appellante,

procureur: mr. N.L.J.M. Rijssenbeek,

tegen:

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

Ons Middelbaar Onderwijs,

gevestigd te Tilburg,

geïntimeerde,

procureur: mr. P.A.C. de Vries.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de vonnissen van de rechtbank te Arnhem van 12 december 2002 en 29 september 2004, gewezen tussen enerzijds appellante (hierna te noemen “OMO”) [lees: IBO] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en anderzijds geïntimeerde (hierna te noemen “IBO”) [lees: OMO] als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie. Dit vonnis is in fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 IBO heeft bij exploot van 30 november 2004 aangezegd van voornoemd vonnis van 29 september 2004 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van OMO voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft IBO twaalf grieven geformuleerd en toegelicht, heeft zij een aantal producties overgelegd en bewijs aangeboden en heeft zij geconcludeerd dat het hof het tussenvonnis van 12 december 2002 en het eindvonnis van 29 september 2004 zal vernietigen en, opnieuw recht doende, OMO alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering dan wel deze aan haar zal ontzeggen en OMO alsnog zal veroordelen tot betaling van de laatste periodieke betaling ad € 99.548,04, met verwijzing van OMO in de kosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft OMO verweer gevoerd, heeft zij een aantal producties overgelegd en bewijs aangeboden en heeft zij geconcludeerd dat het hof het tussenvonnis van 12 december 2002 en het eindvonnis van 29 september 2004 zal bekrachtigen, en IBO niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering om OMO te veroordelen tot betaling van een laatste periodieke betaling van € 99.548,04 dan wel deze vordering zal afwijzen, met veroordeling van IBO in de kosten van (het hof leest:) het geding in hoger beroep.

2.4 Ter terechtzitting van het hof van 6 oktober 2005 hebben partijen de zaak doen bepleiten, waarbij namens IBO het woord is gevoerd door mr. J.G. Rietkerk, advocaat te Amsterdam, en namens OMO door mr. H.C. Lenaerts, advocaat te Breda, beiden aan de hand van door hen overgelegde pleitnotities. Daarbij is tevens aan IBO akte verleend van haar wijziging van eis in dier voege dat het hof haar vordering jegens OMO voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren.

2.5 Ten slotte hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

Nu geen grieven zijn aangevoerd tegen de vaststelling van de in het eindvonnis van 29 september 2004 in rechtsoverweging 1.1 tot en met 1.17 genoemde feiten, behoudens voorzover het om het onder 1.14 genoemde feit gaat, gaat ook het hof in zoverre van die feiten uit.

4 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1 De grieven, die beogen het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen, zullen zoveel mogelijk gezamenlijk worden behandeld.

4.2 Nu het hoger beroep zich blijkens de bij memorie van grieven geformuleerde vordering mede richt tegen het tussenvonnis van 12 december 2002, maar daartegen geen grieven zijn aangevoerd, zal het hof IBO niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering in hoger beroep voor zover deze tegen dat vonnis is gericht.

4.3 In het onderhavige geschil kan, voor zover thans van belang, van het volgende worden uitgegaan. CMG heeft in het verleden voor schooladministraties software ontwikkeld. Een groot deel van de scholen voor voortgezet onderwijs die van de door CMG ontwikkelde programmatuur gebruik maakten, hebben zich in 1985 verenigd in IBO, tot 1999 nog genaamd Gebruikersgroep CMG (verder: “GGC”), waarvan ook OMO lid was. Omstreeks 1996/1997 is in overleg tussen GGC en CMG besloten dat CMG een geheel nieuw programma voor de administraties van de scholen zou gaan ontwikkelen, te weten Schoolfact 6. Dit project zou in drie fases worden uitgevoerd. Eerst zou een zogenaamde Quick-scan worden uitgevoerd, waarin de functionaliteit zou worden gedefinieerd en de kosten zouden worden geschat, waarna in de tweede fase een functioneel ontwerp zou worden ontwikkeld. De derde fase zou de bouw/ontwikkeling van het functioneel ontwerp omvatten. GGC heeft dit plan in een brief van 23 mei 1997 aan haar leden voorgelegd, en deze daarbij onder meer uitgenodigd om de ontwikkelkosten en bouw mede te financieren. In 1998, nadat de Quick-scan was voltooid, heeft OMO ingetekend op het project, en heeft zij vervolgens in 1998 en 1999 terzake een bedrag betaald van in totaal ƒ 773.296,89 (€ 350.906,83). Op 1 juni 1999 (in het bestreden eindvonnis van 29 september 2004 staat kennelijk abusievelijk: 1 september 1999) hebben IBO en CMG een overeenkomst inzake Schoolfact 6 ondertekend (verder: “de overeenkomst van juni 1999”). De ontwikkeling (met name de bouw) van Schoolfact 6 verliep echter niet volgens afspraak, en in het najaar van 2000 heeft CMG de wens te kennen gegeven dat zij met het project wilde stoppen. Overleg tussen CMG en IBO heeft vervolgens onder meer ertoe geleid dat CMG zich bereid heeft verklaard de inmiddels via SDGI – een stichting die IBO bij de administratie en het beheer van middelen ondersteunde en namens IBO de door de deelnemende scholen voor het project gefourneerde gelden had ontvangen en had betaald aan CMG – ontvangen gelden, alsmede een substantiële schadevergoeding, aan IBO te betalen. Dit betaalde bedrag is vervolgens door IBO aangewend om een ander bedrijf, Cap Gemini, het gewenste nieuwe onderwijsinformatiesysteem te laten ontwikkelen. Cap Gemini heeft het inmiddels in gebruik genomen programma @VO ontwikkeld. Voordat dit laatste was geëffectueerd heeft OMO de overeenkomst tussen haar en IBO ontbonden en de door haar gefourneerde gelden van in totaal ƒ 773.296,89 (€ 350.906,83) van IBO teruggevorderd. In eerste aanleg heeft de rechtbank deze vordering van OMO toegewezen.

4.4 De vraag waar het in het onderhavige geschil in de eerste plaats om gaat, is of OMO het recht had om de tussen haar en IBO gesloten overeenkomst te ontbinden en recht heeft op betaling door IBO van de door haar gefourneerde gelden tot een bedrag van in totaal ƒ 773.296,89 (€ 350.906,83).

4.5 Voor het antwoord op die vraag acht het hof de kwalificatie en met name inhoud van de rechtsverhouding tussen OMO en IBO beslissend.

4.6 In dat verband stelt het hof voorop dat de verhouding tussen IBO en CMG als opdracht in de zin van artikel 7:400 lid 1 BW moet worden gekwalificeerd. Dit blijkt onder meer uit (artikel 1.1 van) de overeenkomst van juni 1999, uit (de considerans onder A van) de overeenkomst tussen IBO, CMG en Iosys B.V. i.o. (verder: “Iosys”) van 19 januari 2001 (verder: “de overeenkomst van januari 2001”) – waarbij onder meer de overeenkomst van juni 1999 is beëindigd en de gevolgen daarvan zijn geregeld – en uit de brief van GGC aan haar leden van 23 mei 1997 en de brief van GGC aan OMO van 26 februari 1998.

4.7 De overeenkomsten die GGC met de deelnemende scholen – waaronder OMO – heeft gesloten kunnen als lastgeving in de zin van artikel 7:414 lid 1 BW worden aangemerkt. Door in te tekenen op de door GGC aan de scholen gezonden uitnodigingen daartoe (zie onder meer producties 1-3 bij dagvaarding in eerste aanleg) gaven deze GGC in feite opdracht om in eigen naam maar voor hun rekening – de scholen fourneerden immers gelden voor het project, waarbij IBO bij CMG had bedongen dat haar totale bijdrage aan de ontwikkeling van Schoolfact 6 het door haar ontvangen bedrag aan participaties niet te boven zou gaan (zie onder meer artikel 1.2. van de overeenkomst van juni 1999) – aan CMG opdracht(en) te verstrekken tot (aanvankelijk) het ontwerpen en (later) bouwen van Schoolfact 6, onder voorwaarde dat door GGC ten behoeve van hen licentierechten tegen gereduceerd tarief bij CMG zouden worden bedongen en verkregen (zie onder meer artikel 7.2. van de overeenkomst van juni 1999).

4.8 Van cruciaal belang acht het hof de al dan niet juistheid van de stelling van OMO dat de door de scholen – waaronder OMO – aan GGC verstrekte last inhield dat uitsluitend aan CMG opdracht zou worden verstrekt tot het ontwerpen en bouwen van Schoolfact 6, en dus niet aan bijvoorbeeld “een terzake kundig producent” of “een door GGC nader te bepalen producent”. IBO heeft nadrukkelijk betwist dat de overeenkomst (van lastgeving) tussen haar en onder meer OMO aldus moet worden uitgelegd. Het komt er dus op aan hoe de overeenkomst tussen GGC en OMO moet worden uitgelegd.

4.9 Het hof stelt daarbij voorop dat het voor de vraag hoe in een contract de verhouding van partijen is geregeld aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij van belang kan zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht (vgl. HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635). Daarbij zijn telkens van beslissende betekenis alle concrete omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Dit betekent onder meer dat de uitleg van een schriftelijk contract niet dient plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin het is gesteld. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift echter vaak wel van groot belang (vgl. HR 20 februari 2004, RvdW 2004, 34).

4.10 Hiervan uitgaande komt het hof tot het oordeel dat de door de scholen – waaronder OMO – aan GGC verstrekte last inhield dat uitsluitend aan CMG opdracht zou worden verstrekt tot het ontwerpen en bouwen van Schoolfact 6. In de aan onder meer de overeenkomst tussen GGC en OMO ten grondslag liggende correspondentie (zie met name 1-3 bij dagvaarding in eerste aanleg) is op geen enkel moment ooit de mogelijkheid genoemd dat GGC eventueel ook met een andere producent dan CMG het project zou kunnen gaan ontwikkelen. IBO heeft evenmin gesteld dat die mogelijkheid op enigerlei moment voorafgaande aan het sluiten van de betrokken overeenkomsten met de scholen, mondeling aan deze is voorgehouden. GGC – waarvan ook uit de naam (volledig: Gebruikersgroep CMG) al blijkt dat zij uitsluitend was gelieerd aan CMG – was bovendien al in 1985 totstandgekomen en had in het verleden al software door CMG laten ontwikkelen voor de bij haar aangesloten leden. OMO – dat blijkens de “voorlopige overeenkomst” met CMG Bedrijfsinformatiesystemen B.V. van 5 juni 1989 en het “memorandum of understanding” met diezelfde partij van 19 mei 1998 al gedurende langere tijd een nauwe band had met CMG – heeft daarom de aan de overeenkomst tussen haar en GGC ten grondslag liggende correspondentie zo mogen begrijpen dat de strekking van die overeenkomst was om een eventuele opdracht uitsluitend aan CMG, en geen enkel ander bedrijf, te geven. Daar komt nog bij dat de door GGC toegepaste constructie (dezelfde schriftelijke uitnodigingen aan alle betrokken scholen om in te tekenen op het project) in beginsel mede pleit voor een uniforme, meer objectieve uitleg van de contracten zoals die tussen IBO en de betrokken scholen tot stand zijn gekomen, waarbij aan de bewoordingen van die uitnodigingen in het licht van de context van de situatie – GGC was al jarenlang de personificatie van een exclusieve samenwerking met CMG – in beginsel veel betekenis toekomt. Daarbij neemt het hof eveneens in aanmerking dat IBO en OMO weliswaar geen commerciële partijen waren maar wel professionals op hun gebied en dat, voor zover GGC haar (nauw aan CMG gelieerde naam) later heeft gewijzigd (27 april 1999), dit heeft plaatsgevonden nadat OMO (bij brief van 2 juli 1998) had ingetekend en nadat GGC opdracht aan CMG had gegeven voor het uitvoeren van de Quick-scan (brief van 9 juli 1997), het opstellen van een functioneel ontwerp (brief van 1 juli 1998) en het uitvoeren van de tweede fase Schoolfact 6 (brief van 19 maart 1999), op basis van het Plan van Aanpak en Realisatie, versie 1.0. Tekenend voor de exclusieve samenwerking die al jarenlang bestond tussen GGC en CMG is ook de stelling van IBO zelf dat een belangrijke drijfveer voor de statutenwijzing in 1999 van GGC/IBO was “dat de leden van de vereniging zich niet meer expliciet wilden binden aan één bepaalde leverancier (CMG)” (conclusie van antwoord tevens houdende conclusie van eis in reconventie onder 2).

4.11 Dat onder meer de overeenkomst tussen IBO en OMO inhield dat uitsluitend aan CMG opdracht zou worden verstrekt tot het ontwerpen en bouwen van Schoolfact 6, betekent dat het IBO, toen de ontwikkeling (met name de bouw) van Schoolfact 6 niet volgens afspraak verliep en CMG in het najaar van 2000 de wens te kennen gaf dat zij met het project wilde stoppen, niet vrijstond – nu OMO reeds bij brief aan IBO van 8 november 2000 uitdrukkelijk te kennen had gegeven in het geheel niet met de door IBO ingeslagen koers te kunnen instemmen – om zonder uitdrukkelijke instemming van OMO de aanvankelijk aan CMG verstrekte opdracht na totstandkoming van de overeenkomst van januari 2001 mede op kosten van OMO door een derde (Cap Gemini) te gaan laten uitvoeren. Vaststaat immers dat IBO in de onderhandelingen met CMG omtrent beëindiging van de opdracht van CMG de toezegging had gekregen dat deze onder meer de geïnvesteerde gelden (waaronder die van OMO) aan IBO zou voldoen (zie met name de brief van IBO aan OMO van 18 december 2000 en artikel 10.2 van de overeenkomst van januari 2001), dat dit ook daadwerkelijk is gebeurd en dat IBO deze gelden vervolgens heeft aangewend om daarmee de derde (Cap Gemini) te betalen.

4.12 OMO heeft niet alleen bij brief van 8 november 2000 uitdrukkelijk te kennen gegeven in het geheel niet met de door IBO ingeslagen koers te kunnen instemmen. OMO is om die reden evenmin verschenen op het op die datum op instigatie van IBO gehouden overleg in De Meern (het zogenaamde rectorenoverleg) en op het eind januari 2001 te Ede belegde overleg tussen de deelnemende scholen, en heeft om die reden haar vertegenwoordiger in het bestuur van IBO teruggetrokken, haar lidmaatschap van IBO per 1 januari 2001 beëindigd, CMG bij brief van 31 januari 2001 – in antwoord op haar brief van december 2000 – bericht dat zij niet instemde met de door CMG en IBO ontwikkelde plannen en aanspraak maakte op restitutie van het door haar geïnvesteerde bedrag van ƒ 775.000,- en IBO bij brief van 25 april 2001 onder meer laten weten dat zij niet langer wilde deelnemen in het project Schoolfact 6 en aanspraak maakte op restitutie van het door haar in dat kader betaalde bedrag van ƒ 775.000,-. De stelling van IBO dat OMO eerst bij brief van 25 februari 2002 haar in het project geïnvesteerde geld heeft teruggevorderd (zie onder meer memorie van grieven onder 23), is dan ook onjuist.

4.13 Nadat IBO en CMG de tussen hen (althans GGC en CMG) gesloten overeenkomst in onderling overleg hadden ontbonden en de gevolgen van die overeenkomst – in hoofdzaak voor CMG de ontwikkeling van Schoolfact 6 en voor IBO betaling van het door de scholen gefourneerde geldsbedrag – ongedaan hadden gemaakt, stond vast dat IBO tekort was geschoten in haar verplichtingen op grond van de tussen haar en de deelnemende scholen – waaronder OMO – gesloten overeenkomsten, en dat nakoming van die overeenkomsten blijvend onmogelijk was. Dit gaf de deelnemende scholen ingevolge artikel 6:265 BW het recht om hun overeenkomst met IBO te ontbinden zonder dat noodzakelijk was om IBO tevoren in verzuim te brengen. Alle deelnemende scholen, behoudens OMO, hebben van die bevoegdheid geen gebruik gemaakt en (kennelijk) expliciet dan wel impliciet ingestemd met een wijziging van de aanvankelijk door hen aan IBO gegeven opdracht in dier voege dat IBO aan een andere producent dan CMG, te weten aan Cap Gemini, opdracht zou geven voor de (verdere) ontwikkeling van Schoolfact 6. Blijkens het hiervoor (onder 4.12) overwogene heeft OMO, nadat IBO en CMG medio oktober 2000 hadden vastgesteld dat verdere samenwerking tussen hen niet meer mogelijk was, duidelijk en stelselmatig te kennen gegeven dat zij daarmee niet instemde en aanspraak maakte op terugbetaling van de door haar gefourneerde gelden. Onder die omstandigheden kan niet worden geconcludeerd – zoals IBO heeft gesteld – dat OMO, toen zij bij brief aan IBO van 7 januari 2002 deze meedeelde dat zij gebruik maakte van haar recht op ontbinding van de overeenkomst met IBO indien IBO niet uiterlijk 15 februari 2002 het programma Schoolfact 6 zou opleveren, haar recht op ontbinding had verwerkt.

4.14 Uit het voorgaande volgt dat OMO de tussen haar en IBO bestaande overeenkomst mocht ontbinden en dat hieruit krachtens artikel 6:271 BW onder meer de verplichting voor IBO voortvloeit om de reeds door haar ontvangen prestaties ongedaan te maken, dat wil zeggen om de door OMO gefourneerde gelden tot een bedrag van in totaal ƒ 773.296,89 (€ 350.906,83) aan deze terug te betalen.

4.15 Voor het overige heeft IBO geen feiten gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, zodat haar bewijsaanbod wordt gepasseerd.

5 De slotsom

Het hoger beroep faalt. IBO zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering in hoger beroep voor zover deze is gericht tegen het tussenvonnis van 12 december 2002, terwijl het bestreden eindvonnis van 29 september 2004 zal worden bekrachtigd. IBO zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in hoger beroep worden veroordeeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

6.1 verklaart IBO niet-ontvankelijk in haar vordering in hoger beroep voor zover deze is gericht tegen het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank te Arnhem van 12 december 2002;

6.2 bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank te Arnhem van 29 september 2004;

6.3 veroordeelt IBO in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van OMO begroot op € 9.789,- voor salaris procureur en op € 5.669,- voor verschotten.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van der Kwaak, Mannoury en Rinzema en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 november 2005.