Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AU6605

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
25-10-2005
Datum publicatie
22-11-2005
Zaaknummer
04/1105
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het onderhavige hoger beroep betreft de vordering van [appellanten] tot verklaring voor recht dat de pachtovereenkomst is geëindigd door het onder 3.4 bedoelde aangetekend schrijven van 24 november 1997. De pachtkamer in eerste aanleg heeft deze vordering afgewezen onder voorbijgaan aan een bewijsaanbod van [appellanten] Dit bewijsaanbod had betrekking op een door [appellanten] gestelde bespreking die 3 oktober 1996 gehouden zou zijn tussen [D.], [B.] en [geïntimeerde sub 1] en waarin zou zijn afgesproken dat [B.] het aanspreekpunt zou vormen en correspondentie naar zijn adres gezonden diende te worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

25 oktober 2005

pachtkamer

rolnummer 2004/1105 P

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

1. [appellant sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [appellant sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [appellant sub 3],

wonende te [woonplaats],

4. [appellant sub 4],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

procureur: mr. H. Van Ravenhorst,

tegen:

1. [geïntimeerde sub 1],

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. P.A.C. de Vries,

2. [geïntimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats],

niet in hoger beroep verschenen,

geïntimeerden,

1 De procedure in eerste aanleg

De pachtkamer van de rechtbank te Alkmaar, sector kanton, locatie Alkmaar heeft op 5 oktober 2004 een vonnis gewezen tussen appellanten (verder te noemen: [appellanten]) als eisers en geïntimeerden (verder noemen: [geïntimeerden]) als gedaagden. Van dat vonnis is een afschrift aan dit arrest gehecht. Naar dat vonnis wordt verwezen voor de procesgang in eerste aanleg alsmede de in die instantie genomen beslissing en de gronden daarvoor.

2 De procedure in hoger beroep

2.1 Bij exploot van 19 oktober 2004 zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van het onder 1 bedoelde vonnis met dagvaarding van [geïntimeerden] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven hebben [appellanten] tegen dat vonnis drie grieven aangevoerd en toegelicht, hebben zij bewijs aangeboden en hebben zij geconcludeerd dat het hof hun vordering alsnog zal toewijzen met veroordeling van geïntimeerde nr. 1 (verder te noemen: [geïntimeerde sub 1]) dan wel [geïntimeerden], indien geïntimeerde nr. 2 alsnog in hoger beroep verschijnt, in de kosten van beide instanties.

2.3 Geïntimeerde nr. 2 is niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend.

2.4 [geïntimeerde sub 1] heeft bij memorie van antwoord verweer gevoerd en heeft geconcludeerd dat het hof [appellanten] in hun vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, dan wel deze zal afwijzen als rechtens ongegrond en onbewezen, met instandhouding van het vonnis waarvan beroep en met veroordeling van [appellanten] in de kosten van (het hof begrijpt:) het hoger beroep.

2.5 Ter zitting van het hof van 22 augustus 2005 hebben partijen hun zaak doen bepleiten, [appellanten] door mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te Den Haag en [geïntimeerde sub 1] door mr. M. Maasdam, advocaat te Bovenkarspel. Beide advocaten hebben bij die gelegenheid pleitnotities overgelegd.

2.6 Ter uitvoering van een bij de pleidooien gemaakte afspraak heeft [geïntimeerde sub 1] bij akte een productie in het geding gebracht, waarna partijen de stukken aan het hof hebben overgelegd voor het wijzen van arrest.

3 De vaststaande feiten

3.1 Tussen partijen staat als van de ene zijde gesteld en van de andere zijde is erkend dan wel niet of onvoldoende is betwist en mede op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van overgelegde producties, het navolgende vast.

3.2 [A.] en appellant sub 4 hebben bij overeenkomst van augustus 1974 aan [B.] en [C.] verpacht een perceel bouwland groot 1.99 ha, kadastraal bekend gemeente [...]. De pachtovereenkomst is op 30 december 1974 door de grondkamer voor Noord-Holland goedgekeurd.

3.3 [C.] is in 1982 overleden. [geïntimeerde sub 1] is diens zoon.

3.4 Bij aangetekend schrijven met bericht van ontvangst d.d. 24 november 1997 heeft [D.] namens de verpachters de pachtovereenkomst opgezegd met ingang van 1 januari 1999. De brief was gericht aan “De heer [B.] en erven [C.], p/a [adres 1]”.

3.5 Het adres [adres 1] was het adres van [B.]. [geïntimeerde sub 1] woont op het adres [adres 2].

3.6 [B.] is overleden op 3 maart 2000. Geïntimeerde sub 2 is zijn zoon.

3.7 Bij arrest van 13 juni 2000 heeft dit hof in de procedure tussen de onder 3.2 bedoelde verpachters als appellanten en [geïntimeerde sub 1] als geïntimeerde laatstgenoemde niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot verklaring voor recht dat de onder 3.4 bedoelde opzegging niet rechtsgeldig is.

3.8 [A.] is inmiddels overleden; appellanten nrs. 1 t/m 3 zijn diens erfgenamen.

4 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1 Het onderhavige hoger beroep betreft de vordering van [appellanten] tot verklaring voor recht dat de pachtovereenkomst is geëindigd door het onder 3.4 bedoelde aangetekend schrijven van 24 november 1997. De pachtkamer in eerste aanleg heeft deze vordering afgewezen onder voorbijgaan aan een bewijsaanbod van [appellanten] Dit bewijsaanbod had betrekking op een door [appellanten] gestelde bespreking die 3 oktober 1996 gehouden zou zijn tussen [D.], [B.] en [geïntimeerde sub 1] en waarin zou zijn afgesproken dat [B.] het aanspreekpunt zou vormen en correspondentie naar zijn adres gezonden diende te worden.

4.2 Het hof heeft ter zitting desgevraagd van partijen vernomen dat geïntimeerde nr. 2 de enige erfgenaam van wijlen [B.] is. Daarvan zal voor het vervolg van dit arrest worden uitgegaan.

4.3 In het onder 3.7 bedoelde arrest van dit hof van 13 juni 2000 heeft het hof geoordeeld dat [geïntimeerde sub 1] niet in zijn vordering kon worden ontvangen omdat zijn vordering mede de geldigheid van de opzegging aan de overige medepachters betrof en hij die medepachters niet als partij in het geding had betrokken. Daarbij is het hof er veronderstellenderwijze van uitgegaan dat [geïntimeerde sub 1] toen de enige erfgenaam van [C.] was (zie rechtsoverweging 5.1 van dat arrest: “Ervan uitgaande dat [geïntimeerde sub 1] de enige erfgenaam van [C.] is – uit de stellingen van partijen blijkt dit niet met zekerheid, terwijl stukken dienaangaande niet zijn overgelegd – zou de pachtovereenkomst gelden dan wel hebben gegolden met [B.] en [geïntimeerde sub 1] als gezamenlijke pachters.”).

4.4 In het arrest van 13 juni 2000 is voorts – ten overvloede – melding gemaakt van de vaste regel in de rechtspraak, dat de kennisgeving van art. 36, lid 2 Pw op straffe van nietigheid aan alle pachters dient te worden uitgebracht. Bij het pleidooi voor dit hof heeft [geïntimeerde sub 1] op een vraag van het hof – die gezien de hiervoor onder 4.3 geciteerde passage uit het arrest van 13 juni 2000 voor de hand lag – verklaard dat hij zich als de enige pachter beschouwt, maar dat hij nog een zuster heeft en dat ook zijn moeder, de echtgenote van wijlen [C.], nog leeft. Uit de nagezonden akte van verdeling blijkt dat zowel de zuster ([naam zuster]) als de moeder ([naam moeder]) van [geïntimeerde sub 1] mede-erfgenaam in de nalatenschap van [C.] waren, dat [C.] niet over zijn nalatenschap had beschikt en dat de pachtrechten niet in de verdeling zijn begrepen (wat de betekenis van die twee laatste gegevens voor dit geschil verder zij). Nu de rechten en plichten uit een pachtovereenkomst ingevolge art. 54 lid 1 van de Pachtwet overgaan op alle erfgenamen van een overleden pachter en van een gedeeltelijke beëindigingsovereenkomst met hen, van een procedure als bedoeld in artikel 54, leden 2 e.v. van de Pachtwet of van een procedure als bedoeld in art. 50 van die wet niet is gebleken, dient ervan te worden uitgegaan dat op 24 november 1997 niet alleen [B.] en [geïntimeerde sub 1], maar ook de moeder en zuster van [geïntimeerde sub 1] medepachters waren.

4.5 [appellanten] hebben niet gesteld dat [B.] en/of [geïntimeerde sub 1] bij de onder 4.1 bedoelde bespreking zijn/is opgetreden als gevolmachtigde(n) van de moeder en zuster van [geïntimeerde sub 1]. Dit betekent dat de door [appellanten] gestelde afspraak, indien bewezen, niet kan meebrengen dat met opzegging aan alleen het adres van [B.] kon worden volstaan. Niet is gesteld of gebleken dat de opzegging (tijdig) de moeder en zuster van [geïntimeerde sub 1] heeft bereikt. Bijzondere omstandigheden die zouden kunnen meebrengen dat het in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat opzegging aan alle medepachters wordt geëist zijn in het onderhavige geval onvoldoende aangevoerd. Dat [geïntimeerde sub 1] niet conform afspraak stukken van de vererving heeft toegezonden – indien juist – is hiertoe niet toereikend. Voormelde kennisgeving heeft dan ook geen rechtsgevolg gehad. Bewijslevering met betrekking tot de gestelde afspraak zou in dit oordeel geen wijziging brengen, zodat het bewijsaanbod wordt gepasseerd.

4.6 Het bovenstaande brengt mee dat de grieven [appellanten] niet kunnen baten. Het vonnis zal met wijziging van gronden worden bekrachtigd onder veroordeling van [appellanten] in de kosten van dit hoger beroep.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep,

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de pachtkamer van de rechtbank te Alkmaar, sector kanton, locatie Alkmaar, van 5 oktober 2004, waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde sub 2] begroot op nihil en aan de zijde van [geïntimeerde sub 1] begroot op € 241,-- wegens griffierecht en € 2.682,-- wegens salaris.

Dit arrest is gewezen door mrs. Heisterkamp, Valk en Olthof en de raden ing. De Lorijn en ir. Duenk en is uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van 25 oktober 2005.