Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AU6576

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-11-2005
Datum publicatie
22-11-2005
Zaaknummer
2004/831
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het hof vloeit de vordering van de Rabobank voort uit voornoemd artikel 11 van de Algemene voorwaarden. Dat aan het ontstaan van deze vordering een handeling “buiten de overeenkomst om” voorafging, zoals [appellant] stelt, doet daaraan niet af. De Rabobank was immers ingevolge de wet verplicht om het saldo dat op het moment van beslaglegging op de rekening stond en zoals ingevuld op de verklaring derdenbeslag aan de deurwaarder te voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

1 november 2005

vijfde civiele kamer

rolnummer 2004/831

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. P.C. Plochg,

tegen:

de coöperatie U.A.

Coöperatieve Rabobank Twenterand U.A.,

gevestigd te Nijverdal, gemeente Hellendoorn,

geïntimeerde,

procureur: mr. J.S.E. Vermeulen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van het vonnis van de kantonrechter (Rechtbank Almelo, Sector Kanton, Locatie Almelo) van 11 mei 2004, gewezen tussen appellant (hierna ook te noemen: [appellant]) als gedaagde en geïntimeerde (hierna ook te noemen: de Rabobank) als eiseres; van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 10 augustus 2004 de Rabobank aangezegd van dat vonnis van 11 mei 2004 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van de Rabobank voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] twee grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht. Hij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, de vordering van de Rabobank alsnog zal afwijzen, met veroordeling van de Rabobank in de kosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft de Rabobank de grieven bestreden en een aantal producties in het geding gebracht. Zij heeft geconcludeerd dat het hof [appellant] niet in zijn hoger beroep zal ontvangen, althans zijn vorderingen zal afwijzen, met bekrachtiging van het bestreden vonnis, eventueel onder verbetering van de gronden, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

2.4 Ter zitting van 16 september 2005 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr H.L. van Uchelen, advocaat te Zeewolde, vervangende mr. F.G.D. Pykstra, eveneens advocaat te Zeewolde, en de Rabobank door haar procureur voornoemd. Voor de Rabobank is verschenen de heer [...], onderdirecteur.

Beide raadslieden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

2.5 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1 Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties, dan wel als door de kantonrechter vastgesteld en in hoger beroep niet bestreden, de navolgende feiten vast.

3.2 [appellant] had bij de Rabobank een bankrekening (betaalrekening) welke stond geregistreerd onder nummer [...]. Op deze rekening was het niet toegestaan in debet te staan.

[appellant] heeft op 28 december 1998 de Overeenkomst Rabobank Betaalrekening ondertekend, in welke overeenkomst onder meer, voor zover hier van belang, staat vermeld:

“Op deze overeenkomst zijn de volgende voorwaarden van toepassing:

- de Algemene bankvoorwaarden die gelden tussen de bank en haar klanten.

- de Algemene voorwaarden voor betaalrekeningen van de Rabobankorganisatie 1997.

- indien een krediet op Betaalrekening wordt verstrekt, de Bijzondere voorwaarden voor krediet op Betaalrekening van de Rabobankorganisatie 1997.

De rekeninghouder verklaart een namens de bank ondertekend exemplaar van deze overeenkomst en de bijbehorende voorwaarden te hebben ontvangen en daarvan kennis te hebben genomen.”

3.3 Op 1 maart 2001 te 15.32 uur werd een bedrag van Fl. 5.652,50 (€ 2.564,99) bijgeschreven op de betaalrekening van [appellant].

Op 1 maart 2001 te 15.33 uur is ten verzoeke van de Ontvanger van de Belastingdienst/Ondernemingen te Almelo derdenbeslag gelegd op hetgeen de Rabobank aan [appellant] verschuldigd is of wordt. Op het moment van de beslaglegging bedroeg het saldo op de bankrekening Fl. 5.753,06 (€ 2.610,62) credit.

Op 1 maart 2001 te 16.23 uur vond op een bijkantoor van de Rabobank een kasopname plaats van Fl. 5.350,- (€ 2.427,72) ten laste van de betaalrekening van [appellant], waarna een saldo van Fl. 403,06 (€ 182,90) credit resteerde.

Bij brief van de Rabobank van 1 maart 2001 is [appellant] geïnformeerd over het onder de bank gelegde executoriale beslag.

De Rabobank heeft op 23 april 2001 op de verklaring derdenbeslag het saldo op moment van beslaglegging ad Fl. 5.753,06 (€ 2.610,62) ingevuld en nadien in mei 2001 dit bedrag op verzoek van de Belastingdienst/Ondernemingen Almelo naar haar overgeboekt.

Na 1 maart 2001 vonden geen bijschrijvingen meer plaats op de bankrekening van [appellant].

De betaalrekening van [appellant] vertoont een ongeoorloofde debetstand, welke op 30 mei 2001 Fl. 5.349,46 (€ 2.427,48) bedroeg.

De Rabobank heeft [appellant] regelmatig per brief verzocht en gesommeerd de ongeoorloofde debetstand aan te zuiveren.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 [appellant] heeft ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep niet (langer) betwist dat tussen partijen een overeenkomst Rabobank betaalrekening bestaat. Hij erkent eveneens dat de Algemene bankvoorwaarden en de Algemene voorwaarden voor betaalrekeningen van de Rabobankorganisatie 1997 deel uitmaken van die overeenkomst. Hij stelt echter dat de vordering van de Rabobank niet voortvloeit uit genoemde overeenkomst, omdat het saldotekort op zijn betaalrekening niet is ontstaan in de verhouding Rabobank - cliënt, maar door handelen van de Rabobank buiten de overeenkomst om.

4.2 Het hof stelt voorop dat het beslag op een bankrekening het op het moment van beslaglegging op die rekening aanwezige saldo treft. Niet in geschil is dat de Rabobank in de verklaring derdenbeslag het saldo van de rekening van [appellant] op het moment van beslaglegging correct heeft ingevuld. Evenmin is in geschil dat de Rabobank verplicht is (ingevolge artikel 477, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)) de overeenkomstig die verklaring verschuldigde geldsommen aan de deurwaarder te voldoen, hetgeen de Rabobank heeft gedaan.

De verschuldigdheid van de Rabobank tot betaling aan de deurwaarder ontstond derhalve op het moment van de beslaglegging.

4.3 [appellant] verwijt de Rabobank onzorgvuldig handelen. Onvoldoende gemotiveerd betwist is echter de stelling van de Rabobank dat het beslag administratief verwerkt moest worden en dat daarmee enige tijd was gemoeid. Van onzorgvuldig handelen van de Rabobank is daarom naar het oordeel van het hof geen sprake.

4.4 Niet in geschil is dat de betaalrekening een ongeoorloofde debetstand vertoont. In de verhouding tussen de Rabobank en [appellant] geldt - voor zover hier van belang - artikel 11 van de Algemene voorwaarden voor betaalrekeningen van de Rabobankorganisatie 1997. Ingevolge dit artikel is een debetsaldo op de rekening, indien aan de rekeninghouder geen kredietfaciliteit is verleend, onmiddellijk opeisbaar en dient de rekeninghouder voor onmiddellijke aanzuivering zorg te dragen.

Naar het oordeel van het hof vloeit de vordering van de Rabobank voort uit voornoemd artikel 11 van de Algemene voorwaarden. Dat aan het ontstaan van deze vordering een handeling “buiten de overeenkomst om” voorafging, zoals [appellant] stelt, doet daaraan niet af. De Rabobank was immers ingevolge de wet verplicht om het saldo dat op het moment van beslaglegging op de rekening stond en zoals ingevuld op de verklaring derdenbeslag aan de deurwaarder te voldoen.

4.5 Het hof acht voorts van belang dat de derde (in casu de Rabobank) als gevolg van het beslag niet in een slechtere positie mag komen dan waarin hij stond tegenover de geëxecuteerde (in casu [appellant]) (Hoge Raad 30 november 2001, NJ 02/419).

Omdat een in weerwil van het beslag gedane betaling aan [appellant] niet tegen de beslaglegger kan worden ingeroepen, was de Rabobank gehouden aan de Belastingdienst c.q. deurwaarder te betalen (artikel 475h Rv). Op grond van artikel 6:33 Burgerlijk Wetboek heeft de Rabobank vervolgens verhaal op [appellant]. Ook op deze grond is de vordering van de Rabobank toewijsbaar.

5 Slotsom

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

6 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter (Rechtbank Almelo, Sector Kanton, Locatie Almelo) van 11 mei 2004;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Rabobank begroot op € 1.896,- voor salaris van de procureur en op € 241,- voor griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs Fokker, Knottnerus en Van der Bel en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 november 2005.