Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AU6542

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
31-10-2005
Datum publicatie
22-11-2005
Zaaknummer
21-001295-05
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BF5074, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2008:BF5074
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden- dat verdachte zich gedurende de periode van 1 november 1999 tot en met 31 maart 2004 schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van het voorschrift van artikel 82, eerste lid, van de WTK. Door aldus te handelen heeft verdachte zich op een gereguleerde markt begeven zonder zich aan de daarbij behorende markttoetredingsbepalingen te houden. Zij heeft zich, zonder haar cliënten noemenswaardige veiligheid te bieden voor de aanzienlijke beleggingen waartoe zij hen wist te verleiden, aan het toezicht door de bankinstelling onttrokken, welk toezicht wordt uitgeoefend met het oog op de stabiliteit van de financiële sector en de bescherming van de belangen van crediteuren in het algemeen.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren

Wetsverwijzingen
Wet op de economische delicten
Wet toezicht kredietwezen 1992 82
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-001295-05

Uitspraak d.d.: 31 oktober 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer in de rechtbank te Almelo van 15 februari 2005 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1970],

thans verblijvende in PI Overijssel, PIV HvB Zwolle te Zwolle.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 oktober 2005 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Partiële nietigheid van de dagvaarding

Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de dagvaarding nietig dient te worden verklaard voor zover daarin tenlaste wordt gelegd dat verdachte niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting tot het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek omdat dit bestanddeel niet in de omschrijving van artikel 341 van het Wetboek van Strafrecht is terug te vinden en de dagvaarding daarom op dit punt onbegrijpelijk zou zijn en derhalve nietig.

Het hof is van oordeel dat de tenlastelegging een voldoende duidelijke en voldoende feitelijke opgave inhoudt van het strafbare feit dat verdachte onder 4 tenlaste is gelegd en dus in zoverre in overeenstemming is met de eisen die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering stelt. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Omvang van het hoger beroep

De verdachte heeft ter terechtzitting opgegeven dat zij geen rechtsmiddel heeft willen instellen tegen tegen voormeld vonnis, voorzover zij daarbij van het onder 3 tenlastegelegde werd vrijgesproken. Ook het hof gaat van een dergelijk beperkt appel uit.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep,voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, vernietigen nu het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage IIa en voor de inhoud van de wijziging van de tenlastelegging bijlage IIb)

Daarbij geldt dat indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, deze zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn strafvervolging omdat de vervolging in strijd is met het una via beginsel. Het openbaar ministerie zou het recht op vervolging hebben verspeeld doordat verdachte reeds een last onder dwangsom en een onderbewindstelling van de onderneming ex artikel 29 van de Wet op de Economische Delicten zijn opgelegd. Volgens de raadsman dienen zowel die last onder dwangsom als de onderbewindstelling als bestuurlijke sancties (maar) met een strafkarakter te worden gekwalificeerd en daarom staan deze sancties volgens hem aan een strafrechtelijke vervolging terzake van hetzelfde feitencomplex in de weg.

Een last tot dwangsom heeft tot doel nieuwe overtredingen te voorkomen, zodat een dergelijke

last niet als een administratieve sanctie kan worden aangemerkt.

De onderbewindstelling van de onderneming op grond van artikel 29 van de Wet op de Economische Delicten is een voorlopige maatregel die kan worden bevolen indien tegen een verdachte ernstige bezwaren zijn gerezen en tevens de belangen welke door het vermoedelijk overtreden voorschrift worden beschermd een onmiddellijk ingrijpen vereisen en is eveneens niet als een sanctie (van welke aard ook) te kwalificeren. Het hof is van oordeel dat een last tot dwangsom en een onderbewindstelling van de onderneming zoals voornoemd daarom zeker niet als punitieve sancties moeten worden beschouwd, zodat bij een daarop volgende strafrechtelijke vervolging door het openbaar ministerie zoals hier het geval was dan ook geen sprake is van handelen in strijd met het via una beginsel of met het ne bis in idem beginsel.

Nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient te leiden, wordt het verweer verworpen.

Schending van het lex certa gebod ex artikel 7 EVRM en artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht

Met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken wegens strijd met het lex certa gebod en aldus met het rechtszekerheidbeginsel, strijd met het vertrouwensbeginsel en met het verbod van willekeur. Verdachte heeft de "depotbrieven" zoals zij die aanvankelijk uitgaf omgezet in "schuldbrieven" en deze schuldbrieven vervolgens (nogmaals) omgezet in vernieuwde schuldbrieven, genaamd "Participatie Rente Rekening" (PRR), om (alsnog) in overeenstemming te handelen met wat bij of krachtens de Wet toezicht kredietwezen 1992 (WTK) is voorgeschreven. Verdachte heeft daarbij de juridische expertise van notarissen en advocaten ingehuurd waaruit volgens de verdediging blijkt dat zij zorgvuldig heeft gehandeld, althans zorgvuldig heeft wíllen handelen.

Het hof begrijpt dit verweer aldus dat er geen sprake is geweest van opzettelijk handelen zoals als in de telastelegging vermeld en dat verdachte zich bovendien met succes kan beroepen op afwezigheid van alle schuld.

Beoordeling van dit verweer.

Nadat verdachte in november 2003 door medewerkers van [bankinstelling1][bankinsteling 1][bankinstelling1] er op was gewezen dat zij door gelden aan te trekken van derden met de door haar gehanteerde depotregeling artikel 82 van de WTK overtrad. Verdachte heeft daarop de[bankinstelling 1][bankinsteling 1] schriftelijk laten daarmee te zijn gestopt.

Vervolgens heeft zij in overleg met haar advocaat die depotregeling aangepast. De overeenkomsten waarbij derden geld aan verdachte (of aan [verdachte's bedrijf] (b.v) ter beschikking stelden werden zo aangepast dat verdachte volgens de door haar ingeschakelde advocaat zou profiteren van de in de Vrijstellingsregeling Wet toezicht effectenverkeer 1995 opgenomen coupurevrijstelling. Dit nieuwe, aldus aangepaste, beleggingsproduct werd "schuldbrief" genoemd. Deze schuldbrieven werden vervolgens afgegeven voor nominale waarden vanaf

€ 50.000,--. Deze waarde kon per schuldbrief verschillen, evenals de daarbij toegekende rentevergoeding.

De [bankinsteling 1] gaf, na raadpleging van de Autoriteit Financiële Markten (AFM), evenmin goedkeuring aan het gebruik van die -aldus aangepaste- schuldbrieven en heeft op 8 maart 2004 laten weten de "schuldbrief" niet te kwalificeren als effect, ten gevolge waarvan, aldus de [bankinsteling 1] deze schuldbrieven ook (dus) niet vielen onder de vrijstellingsregeling van artikel 7, eerste lid van de Vrijstellingsregeling WTK. De [bankinsteling 1] liet weten nog steeds het standpunt in te nemen dat verdachte art. 82 van de WTK overtrad.

Vervolgens hebben verdachte en haar advocaat in maart 2004 de leenvoorwaarden van het product nogmaals aangepast. Het financiële product dat daarvan het resultaat was werd de "Participatie Rente Rekening" (PRR) genoemd. Dit andermaal aangepaste product is op 15 maart 2004 ter beoordeling aan de AFM voorgelegd. Volgens de AFM mocht verdachte met de PRR (dus de nieuwste versie van de schuldbrief) zonder vergunningen of ontheffingen gelden van het publiek aantrekken. Vervolgens is FDE B.V. in april 2004 gestart met het omzetten van alle oude leningen/schuldbrieven naar een PRR. Dat omzetten gold de eerder, onder de oude, voor de AFM in het licht van de WTK niet aanvaardbare regiems, aangetrokken gelden.

Nu aan verdachte onder 1 wordt verweten dat zij in de periode van 1 november 1999 tot en met 31 maart 2004 opzettelijk artikel 82, eerste lid, van de WTK heeft overtreden kan uit de hiervoor beschreven gang van zaken niet worden afgeleid dat verdachte generlei verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot een eventuele overtreding van art. 82 van de WTK met betrekking tot de handelingen verricht vóórdat verdachte gelden ging aantrekken met het PRR product. Dat verdachte mogelijk is afgegaan op mogelijk onjuiste adviezen van haar adviseurs, doet aan dit oordeel niet af. Ook een beroep op afwezigheid van opzet faalt. Dit volgt uit de door het hof voor de bewezenverklaring gebezigde bewijsmiddelen

Ook het verweer dat voor verdachte niet kenbaar was wat rechtens wel mogelijk was bij het aantrekken van gelden faalt. Artikel 82 van de WTK bevat een norm met een voldoende feitelijke inhoud.

Bespreking van een verweer inzake de tenlastegelegde oplichting

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte van het onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken en in dat verband de volgende (deels hiervoor reeds vermelde) omstandigheden aangevoerd.

- de naam waaronder verdachte handelde, heeft reeds ver voor de sommatie en onderzoeken van [bankinsteling 1] veelvuldig contact gehad met accountants, notarissen en advocaten;

- de nieuwe schuldbrieven, versie 2 en 3 (PRR), waar duidelijk op vermeld stond dat de uitgeleende gelden werden gebruikt ter financiering van de normale bedrijfsvoering van [verdachte's bedrijf][bedrijf], zijn allemaal getekend geretourneerd door de cliënten van [verdachte's bedrijf][bedrijf] welk element van het verweer kennelijk de strekking heeft dat verdachtes cliënten instemden met elke in dat verband gezette stap instemden;

- [verdachte's bedrijf] of [verdachte's bedrijf][bedrijf] heeft een aantal cliënten wel depotrentes en depotbedragen terugbetaald;

- de verklaringen van de boekhouder, [naam boekhouder], zijn niet voor het bewijs bruikbaar aangezien hij bij uitstek een motief had om, in strijd met de waarheid, belastend over verdachte te verklaren;

- verdachte heeft alles wat binnen haar bereik heeft gedaan om uiteindelijk een deugdelijke en inzichtelijke boekhouding te laten opstellen, inclusief productiecijfers en prognoses, met de bedoeling om met behulp hiervan de financiële verplichtingen van [verdachte's bedrijf][bedrijf] na te komen;

- volgens verdachte heeft de bewindvoerder/curator niet alle zorgvuldigheid betracht bij de beoordeling van de levensvatbaarheid van [verdachte's bedrijf]. De bewindvoerder, zou onvoldoende kennis hebben genomen van de feiten, deze grotendeels onjuist hebben beoordeeld en op geen enkele wijze open hebben gestaan voor de opvattingen van andere betrokken accountants, boekhouders en bedrijfsadviseurs. [bewindvoerder] heeft als bewindvoerder de geldkraan dichtgedraaid terwijl er, afgezien van de werknemers die voor de komst van Aerts wel waren betaald en de depotklanten) geen crediteuren waren, en vervolgens op schijnbaar oneigenlijke gronden het faillissement 'uitgelokt';

- alle aangiftes hebben pas na de onderbewindstelling ex artikel 29 van de Wet op de Economische Delicten plaatsgevonden en zijn door de bewindvoerder 'uitgelokt';

- het doel van verdachte was om de gedeponeerde bedragen af te lossen, zodat geen sprake was van het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling;

- er is geen sprake van een valse naam of hoedanigheid aangezien verdachte alle openheid heeft betracht en voortdurend contact met notarissen en advocaten heeft onderhouden;

- [verdachte's bedrijf] meende en kon menen bevoegd te zijn om de schuldbrieven aan het publiek aan te bieden;

- na ondertekening van de schuldbrieven wisten de cliënten zeker dat de gelden zouden worden aangewend ten behoeve van de bedrijfsvoering van [verdachte's bedrijf].

Naar het oordeel van het hof wordt dit verweer wordt weerlegd door de met betrekking tot de bewezenverklaring van feit 2 gebezigde bewijsmiddelen, in aanvulling daarop wordt het volgende overwogen:

Verdachte heeft haar cliënten de volgende constructie geboden. Cliënten sloten door tussenkomst van [verdachte's bedrijf] bij een bank of institutionele belegger een nieuwe hypotheek af en eventueel een aanvullend krediet af. Het geld dat de cliënt zo leende, in veel gevallen méér dan het bedrag van de oude hypotheekschuld, leende de cliënt dat vervolgens uit aan verdachte voor een looptijd van vijf of tien jaar. Verdachte verplichtte zich ertoe om over dit aan haar (of [verdachte's bedrijf] of [verdachte's bedrijf][bedrijf]) uitgeleende geld aan de cliënt een vergoeding te betalen die aanmerkelijk hoger zou zijn dan de rente die de klant zelf over het nieuw geleende bedrag aan de bank zou

moeten betalen.

Tegen die feitelijke achtergrond is opmerkelijk dat verdachte bij haar verhoren door de verbalisanten, noch in eerste aanleg, noch ter terechtzitting in hoger beroep duidelijk heeft kunnen maken hoe zij dergelijke, rendementen, die naar van algemene bekendheid is de rendementen geboden door de professionele beleggingsinstellingen zelfs maar zou kunnen evenaren. Van enig, concreet uitgewerkt, door haar (of [verdachte's bedrijf] of [verdachte's bedrijf][bedrijf]) te hanteren

beleggingsplan is niets gebleken.

Tegen deze feitelijke achtergrond is verder het volgende van belang:

*[naam administrateur][naamadministrateur], administrateur in loondienst van [verdachte's bedrijf][bedrijf], heeft verklaard dat de resultaten van [verdachte's bedrijf] heel slecht waren. Volgens [naamadministrateur] is een deel van het ingelegde geld opgegaan aan het oprichten van diverse ondernemingen in Nederland en in het buitenland, een deel van de ingelegde gelden is opgegaan aan de bedrijfsvoering en een deel van het ingelegde geld is overgeboekt naar de privé-rekening van verdachte. Ook heeft[naamadministrateur]gezien aan de hand van het verloop vandiverse bankrekeningen dat verdachte grote bedragen contant heeft opgenomen. Een deugdelijke verantwoording ontbreekt ook nu nog.

*[naam buitendienstmedewerker], buitendienst medewerker in loondienst van [verdachte's bedrijf][bedrijf], heeft verklaard dat alle depotgelden vrijwel zijn opgemaakt.

*[naam hoofd-binnendienst], hoofd-binnendienst bij [verdachte's bedrijf][bedrijf], heeft verklaard dat hij veel klachten van cliënten heeft ontvangen over toezeggingen die verdachte had gedaan die zij niet was nagekomen, hetgeen het hof tot de vaststelling brengt dat verdachte, kennelijk, onderwijl doende met het aantrekken van nieuwe gelden aan haar lopende verplichtingen al niet kon voldoen.

* [naam huidige accountant], huidige accountant van verdachte [verdachte]/[verdachte's bedrijf][bedrijf], heeft verklaard dat hij rond begin november 2003 bij [verdachte's bedrijf] is komen werken. Volgens[naam deskundige]was er bij het bedrijf een schuldpositie van vier miljoen euro en was de administratie een puinhoop. [naam deskundige] zag dat er behoorlijke bedragen in Duitsland werden opgenomen en heeft het idee dat een gedeelte van de miljoenen aan de gokverslaving van verdachte is opgegaan.

*[aministrateur in loondienst][administrateurin loondienst], administrateur in loondienst van [bedrijf 2]., heeft verklaard dat er personen binnen de organisatie waren die een behoorlijk salaris verdienden en die maar enkele dagen werken. Dit waren hoofdzakelijk familieleden. Volgens[administrateurin loondienst] was de administratie van [verdachte's bedrijf] een puinhoop en werd het geld uit de depots door het bedrijf en verdachte opgemaakt aan extreem hoge onkosten, zoals een dure inrichting van het kantoor, en hoge privé-uitgaven. Om het bedrijf levensvatbaar te maken moest er naar het idee van [administrateurin loondienst] flink worden gesneden in de kosten en moest de omzet worden opgekrikt.

* Uit het verslag van de bewindvoerder van [verdachte's bedrijf][bedrijf], later de curator, blijkt onder meer dat er nogal wat kas-transacties zijn geweest maar dat er geen kasboek was. Substantiële betalingen werden niet of ongenoegzaam gedocumenteerd. De post langlopende schulden omvatte € 4.154.000,-. Het eigen vermogen van de vennootschap was negatief (€ 591.000,-). Verdachte is niet in staat om haar schuld aan FDE B.V. af te lossen en FDE B.V. is niet in staat om de ingeleende gelden terug te betalen. Verreweg het grootste gedeelte van de "schuldbrieven" voldoet niet aan de criteria van de AFM. De meeste rentepercentages wijken af van de voorgeschreven 7,5%.

Gelet op deze verklaringen en dit verslag is het hof van oordeel dat verdachte niet alles (en zelfs allerminst) binnen haar bereik heeft gedaan om een deugdelijke en inzichtelijke boekhouding te laten opstellen, inclusief productiecijfers en prognoses, met de bedoeling om met behulp hiervan de financiële verplichtingen van haar, [verdachte's bedrijf] of [verdachte's bedrijf][bedrijf] na te komen en dat zij geen levensvatbare onderneming heeft gerealiseerd, laat staan in stand gehouden. Haar verwijten aan de bewindvoerder zijn onterecht (voor zover het hof dat in dit bestek kan beoordelen). Doordat mr. Aerts in de onderneming heeft ingegrepen, heeft hij nog grotere financiële problemen weten te voorkomen. In de kern kwam de handelwijze van verdachte (of [verdachte's bedrijf] of [verdachte's bedrijf][bedrijf]) er immers op neer dat verdachte, zonder aanwijsbare beleggingsactiviteiten, beleggingen met een toegezegd hoog rendement aantrok en die gelden, voor zover dat al gebeurde, benutte om eerdere beleggers tevreden of rustig te houden. De (reeds eerder besproken) omstandigheid dat verdachte veel contact heeft onderhouden met advocaten en notarissen en dat de nieuwe schuldbrieven en de PRR's -waar duidelijk op vermeld stond dat de uitgeleende gelden werden gebruikt ter financiering van de normale bedrijfsvoering (waarvan niet of evenmin is gebleken)-, allemaal getekend geretourneerd zijn door de cliënten van [verdachte's bedrijf][bedrijf] en dat [verdachte's bedrijf][bedrijf] aan een aantal cliënten wel depotrentes en depotbedragen (terug) heeft betaald, doet daar niets aan af. Dat beeld wordt geschraagd doordat, zoals uit het dossier blijkt, niet alle inleggers vrede hadden met de gang van zaken. De cliënt [naam client-1] heeft pas na lang aandringen en met behulp van een advocaat het geld dat hij bij verdachte in het depot had gestort, teruggekregen. Begin 2004 zijn er met de cliënt [naam client-2] problemen ontstaan over het vaststellen van de juiste hoogte van het depotbedrag. [naam client-2] ontving vervolgens een berekening van [naam administrateur][naamadministrateur] waar [naam client-2] het niet mee eens was. [naam client-2] heeft de omzetting van depot naar schuldbrief/PRR niet willen tekenen waarna hij bericht heeft gekregen dat hij uiterlijk

Mei 2005 zijn depotbedrag zou terugontvangen.

De inhoud van de -scherp door verdachte en de verdediging als inhoudelijk onjuist en rancuneus bekritiseerde- verklaringen (hiervoor aangehaald) die [naam boekhouder] bij de FIOD en bij de rechter-commissaris heeft afgelegd is consistent en wordt ondersteund door de (reeds aangehaalde) inhoud van de verklaringen die [naam administrateur][naamadministrateur], [naam buitendienstmedewerker], [naam hoofd-binnendienst], [naam huidige accountant], [aministrateur in loondienst][administrateurin loondienst] hebben afgelegd en het verslag van de bewindvoerder. Het hof acht het niet aannemelijk dat de inhoud van de verklaringen die [naamboekhouder]heeft afgelegd onbetrouwbaar moeten worden geacht, zodat deze voor het bewijs mogen worden gebezigd.

Het hof acht het niet aannemelijk dat de aangiftes die de gedupeerden binnen een periode van enkele maanden na de onderbewindstelling ex artikel 29 van de Wet op de Economische Delicten tegen verdachte hebben gedaan, door de bewindvoerder zijn 'uitgelokt'.

Waar het om de tenlastegelegde oplichting gaat acht het hof bewezen dat verdachte valselijk en/ of listiglijk en/ of bedrieglijk en in strijd met de waarheid (met wat waarheid was op het moment dat zij die gelden aantrok), in een aantal gevallen op gefingeerde gronden (een belegging in Amerika of in monumentaal onroerend goed) de betrokken gedupeerden redelijkerwijze niet te behalen of in elk geval op dat moment niet te verwachten rendementen heeft voorgespiegeld.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof dan ook wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

(zie voor de inhoud van de bewezenverklaring bijlage III)

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht

De raadsman heeft verzocht om artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht toe te passen, indien het hof de verdachte niet van het onder 2 tenlastegelegde vrij zal spreken. De raadsman heeft daarbij aangevoerd dat het feit in twee strafbepalingen valt, te weten artikel 82, eerste lid, van de WTK en artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht.

De aard en strekking van de strafbepalingen van art. 82, eerste lid, van de WTK en van artikel 326 van het Wetboek van strafrecht is geheel verschillend zodat artikel 55 van het Wetboek van strafrecht niet van toepassing is.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Medeplegen van:

Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 82, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Medeplegen van:

Oplichting, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

Bedrieglijke bankbreuk,

begaan door een rechtspersoon, terwijl hij opdracht tot het feit heeft gegeven en feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden- dat verdachte zich gedurende de periode van 1 november 1999 tot en met 31 maart 2004 schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van het voorschrift van artikel 82, eerste lid, van de WTK. Door aldus te handelen heeft verdachte zich op een gereguleerde markt begeven zonder zich aan de daarbij behorende markttoetredingsbepalingen te houden. Zij heeft zich, zonder haar cliënten noemenswaardige veiligheid te bieden voor de aanzienlijke beleggingen waartoe zij hen wist te verleiden, aan het toezicht door de bankinstelling onttrokken, welk toezicht wordt uitgeoefend met het oog op de stabiliteit van de financiële sector en de bescherming van de belangen van crediteuren in het algemeen.

Gedurende diezelfde periode heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan oplichting van diezelfde cliënten of (bewijsbaar) een aantal daarvan, die (zoals gezegd) aanzienlijke bedragen aan haar in depot hebben gegeven. Verdachte heeft haar cliënten voorgespiegeld dat zij over de ingelegde depotgelden een rentevergoeding tussen de 8%, 12%,14% en in een enkel geval 19% zouden ontvangen, waarbij zij hen heeft doen geloven dat zij een betrouwbare onderneming voerde. Verdachte heeft, voor zover na te gaan, deze depotgelden, zonder dat sprake was van normale beleggingen, onder meer in de privé-sfeer uitgegeven aan vakanties naar de Verenigde Staten, aan een huwelijkscadeau, aan woninginrichting en aan casinobezoek. Van enige serieuze, bij de toegezegde rendementen passende, belegging is zelfs niet gebleken en dat de groeimogelijkheden van de eigen onderneming van verdachte dusdanig waren dat de gedane toezeggingen op andere wijze waargemaakt zouden kunnen worden evenmin. Voorspelbaar was het tegendeel. Verdachte heeft een groot deel van de depotbedragen en rentevergoedingen niet aan haar cliënten uitbetaald. Haar cliënten zijn daardoor in een aantal gevallen (de omvang van de hierna te behandelen vorderingen laat dat zien) in grote financiële problemen geraakt.

Voorts heeft verdachte zich gedurende de periode van 1 januari 2003 tot en met 26 april 2004 schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk waarmee zij enorme bedragen buiten de verhaalsmogelijkheden van haar crediteuren, de gedupeerden, heeft gebracht.

Het hof moet -gemeten aan het aantal benadeelde partijen en de bedragen die met hun schade gemoeid zijn- vaststellen dat verdachte door haar handelwijze een spoor van financiële problemen en, soms, ontreddering heeft getrokken. Zij heeft bewerkstelligd dat een aantal van hen de overwaarde van hun huis hebben omgezet in contant geld, soms nog een persoonlijke lening daarbij namen en dat geld vervolgens investeerden in een luchtkasteel en daar nog jarenlang de gevolgen van zullen ondervinden

Het door verdachte opgezette stelsel van financieringen vertoont in vergaande mate de kenmerken van een piramide. Verdachte heeft haar financiële verplichtingen (respectievelijk die van [verdachte's bedrijf]) slechts tijdelijk kunnen nakomen met behulp van telkens opnieuw aangetrokken geldleningen. De reguliere inkomsten uit provisies stonden in geen verhouding tot de uitgaven.

Ontvankelijkheid van de vorderingen van de benadeelde partijen

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen dienen te worden verklaard aangezien zij zich met hun vorderingen niet vóór de aanvang van de terechtzitting van 27 juli 2004 in het geding hebben gevoegd.

Dit verweer is strijdig met de wettelijke regeling inzake voeging van benadeelde partijen in het strafgeding. [B.P.1]

Ingevolge artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan een benadeelde partij zich voor de aanvang van de terechtzitting voegen door een opgave van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust bij de officier van justitie die met de vervolging van het strafbare feit berust. Deze opgave vindt plaats door middel van een voegingsformulier.

Ingevolge artikel 51b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan een benadeelde partij zich echter ook ter terechtzitting voegen door opgave, zoals voornoemd, bij de rechter uiterlijk voordat de officier van justitie in de gelegenheid is gesteld overeenkomstig artikel 311 van het Wetboek van Strafvordering het woord te voeren. Deze opgave kan ook mondeling worden gedaan.

Nu alle benadeelde partijen hun vorderingen op de bij de wet bepaalde wijze hebben ingediend voordat de officier van justitie de eerste maal overeenkomstig art. 311 van het Wetboek van strafvordering het woord voerde , kunnen zij in zoverre in hun vorderingen worden ontvangen.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 29.671,00 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 22.779,77. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet tevens aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 17.500,00 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 100.000,00 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 55.246,80 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 50.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet tevens aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 97.193,75 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 75.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet tevens aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 62.106,00 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 60.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 105.271,00 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 57.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet tevens aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 8]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 151.000,00 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 100.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet tevens aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 9]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 41.888,00 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 40.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 10]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 31.000,00 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 15.882,31.

De vordering is naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 11]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 57.750,00 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 51.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet tevens aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 12]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 51.277,16 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

De vordering is naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 13]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 50.000,00 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 14]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 50.491,62 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 15]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 4.510,00 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 16]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 38.747,21 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 32.500,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet tevens aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 17]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 156.467,74 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 126.756,04. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet tevens aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde parij 17]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 50.000,00 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 18]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 61.128,00 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 54.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet tevens aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 18]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 100.000,00 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 19]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 24.489,09 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 20.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 20]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 85.000,00 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 21]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ingesteld zonder daarbij een te vorderen bedrag op te geven. De benadeelde partij is in deze vordering, bij vonnis waarvan beroep, niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

Nu niet voldoende wordt aangegeven waartoe de vordering strekt kan de benadeelde partij niet in haar vordering worden ontvangen. Zij kan haar -nader te specificeren- vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering van de benadeelde partij[benadeelde 27]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 13.511,31 ingesteld. De benadeelde partij is in deze vordering, bij vonnis waarvan beroep, niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De vordering is naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 22]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ingesteld zonder daarbij een te vorderen bedrag op te geven. De benadeelde partij is in deze vordering, bij vonnis waarvan beroep, niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

Nu niet voldoende wordt aangegeven waartoe de vordering strekt kan de benadeelde partij niet in haar vordering worden ontvangen. Zij kan haar -nader te specificeren- vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 23]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ingesteld zonder daarbij een te vorderen bedrag op te geven. De benadeelde partij is in deze vordering, bij vonnis waarvan beroep, niet-ontvankelijk verklaard.

Nu niet voldoende wordt aangegeven waartoe de vordering strekt kan de benadeelde partij niet in haar vordering worden ontvangen. Zij kan haar -nader te specificeren- vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 24]

De benadeelde partij heeft in hoger beroep voor het eerst een vordering tot schadevergoeding van € 48.000,00 ingesteld.

Ingevolge artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering kan de benadeelde partij in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 25]

De benadeelde partij heeft in hoger beroep voor het eerst een vordering tot schadevergoeding ingesteld zonder daarbij een te vorderen bedrag op te geven.

Ingevolge artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering kan de benadeelde partij in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 26]

De benadeelde partij heeft in hoger beroep voor het eerst een vordering tot schadevergoeding ingesteld zonder daarbij een te vorderen bedrag op te geven.

Ingevolge artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering kan de benadeelde partij in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 47, 51, 57, 63, 326 en 341 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1(oud), 2 (oud) en 6 (oud) van de Wet op de economische delicten en artikel 82(oud) van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

BESLISSING

Het hof:

Verstaat, dat het door verdachte ingestelde rechtsmiddel niet is gericht tegen dat deel van het vonnis, waarvan beroep, waarbij verdachte terzake van het onder 3 tenlastegelegde werd vrijgesproken.

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

de in beslag genomen voorwerpen

Gelast de teruggave aan de personen onder wie de voorwerpen inbeslaggenomen zijn van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

administratieve bescheiden.

de aan [benadeelde 1] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde 1], te betalen een bedrag van

€ 22.771,60 (tweeëntwintigduizend zevenhonderdeenenzeventig euro en zestig cent).

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 1], in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde 1], een bedrag te betalen van € 22.771,60 (tweeëntwintigduizend zevenhonderdeenenzeventig euro en zestig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

de aan [benadeelde 2] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde 2], te betalen een bedrag van

€ 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro).

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde 2], een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

de aan [benadeelde 3] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde 3], te betalen een bedrag van

€ 100.000,00 (honderdduizend euro).

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde 3], een bedrag te betalen van € 100.000,00 (honderdduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 31 (eenendertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

de aan [benadeelde 4] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde 4], te betalen een bedrag van € 50.000,00 (vijftigduizend euro).

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 4], in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde 4], een bedrag te betalen van € 50.000,00 (vijftigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

de aan [benadeelde 5] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde 5], te betalen een bedrag van

€ 95.000,00 (vijfennegentigduizend euro).

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 5], in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde 5], een bedrag te betalen van € 95.000,00 (vijfennegentigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 29 (negenentwintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

de aan [benadeelde 6] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde 6], te betalen een bedrag van

€ 62.106,00 (tweeënzestigduizend honderdzes euro).

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde 6], een bedrag te betalen van € 62.106,00 (tweeënzestigduizend honderdzes euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 19 (negentien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

de aan [benadeelde 7] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde 7], te betalen een bedrag van

€ 57.000,00 (zevenenvijftigduizend euro).

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 7], in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde 7], een bedrag te betalen van € 57.000,00 (zevenenvijftigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 17 (zeventien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

de aan [benadeelde 8] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde 8], te betalen een bedrag van

€ 100.000,00 (honderdduizend euro).

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 8], in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde 8], een bedrag te betalen van € 100.000,00 (honderdduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 31 (eenendertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

de aan [benadeelde 9] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde 9], te betalen een bedrag van

€ 41.888,00 (eenenveertigduizend achthonderdachtentachtig euro).

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde 9], een bedrag te betalen van € 41.888,00 (eenenveertigduizend achthonderdachtentachtig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 13 (dertien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

de aan [benadeelde 10] toegebrachte schade

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 10], in haar vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

de aan [benadeelde 11] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde 11], te betalen een bedrag van

€ 51.000,00 (eenenvijftigduizend euro).

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 11], in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde 11], een bedrag te betalen van € 51.000,00 (eenenvijftigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 (zestien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

de aan [benadeelde 12] toegebrachte schade

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 12], in haar vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

de aan [benadeelde 13] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde 13], te betalen een bedrag van

€ 50.000,00 (vijftigduizend euro).

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde 13], een bedrag te betalen van € 50.000,00 (vijftigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

de aan [benadeelde 14] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde 14], te betalen een bedrag van

€ 50.491,62 (vijftigduizend vierhonderdeenennegentig euro en tweeënzestig cent).

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde 14], een bedrag te betalen van € 50.491,62 (vijftigduizend vierhonderdeenennegentig euro en tweeënzestig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

de aan [benadeelde 15] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde 15], te betalen een bedrag van

€ 4.510,00 (vierduizend vijfhonderdtien euro).

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde 15], een bedrag te betalen van € 4.510,00 (vierduizend vijfhonderdtien euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

de aan [benadeelde 16] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde 16], te betalen een bedrag van

€ 32.000,00 (tweeëndertigduizend euro).

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 16], in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde 16], een bedrag te betalen van € 32.000,00 (tweeëndertigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

de aan [benadeelde 17] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde 17], te betalen een bedrag van

€ 129.939,00 (honderdnegenentwintigduizend negenhonderdnegenendertig euro).

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 17], in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde 17], een bedrag te betalen van € 129.939,00 (honderdnegenentwintigduizend negenhonderdnegenendertig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

de aan [benadeelde partij 17] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 17], te betalen een bedrag van

€ 50.000,00 (vijftigduizend euro).

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd F van Es, een bedrag te betalen van € 50.000,00 (vijftigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

de aan [benadeelde 18] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde 18], te betalen een bedrag van € 54.000,00 (vierenvijftigduizend euro).

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 18], in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde 18], een bedrag te betalen van € 54.000,00 (vierenvijftigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 17 (zeventien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

de aan [benadeelde partij 18] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 18], te betalen een bedrag van

€ 100.000,00 (honderdduizend euro).

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd C Bregman, een bedrag te betalen van € 100.000,00 (honderdduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 31 (eenendertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

de aan [benadeelde 19] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde 19], te betalen een bedrag van

€ 24.489,09 (vierentwintigduizend vierhonderdnegenentachtig euro en negen cent).

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde 19], een bedrag te betalen van € 24.489,09 (vierentwintigduizend vierhonderdnegenentachtig euro en negen cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

de aan [benadeelde 20] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde 20], te betalen een bedrag van

€ 85.000,00 (vijfentachtigduizend euro).

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde 20], een bedrag te betalen van € 85.000,00 (vijfentachtigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 26 (zesentwintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

de aan [benadeelde 21] toegebrachte schade

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 21], in haar vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

de aan [benadeelde 27] toegebrachte schade

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 27], in haar vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

de aan [benadeelde 22] toegebrachte schade

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 22], in haar vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

de aan [benadeelde 23] toegebrachte schade

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 23], in haar vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

de aan [benadeelde 24], [benadeelde 24] toegebrachte schade

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 24], [benadeelde 24], in haar vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

de aan [benadeelde 25] toegebrachte schade

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 25], in haar vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

de aan [benadeelde 26] toegebrachte schade

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 26], in haar vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door

mr C.G. Nunnikhoven, voorzitter,

mrs H.W. Koksma en B.P.J.A.M. van der Pol, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr J.M.T. Bouwman, griffier,

en op 31 oktober 2005 ter openbare terechtzitting uitgesproken.