Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AU5416

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
25-10-2005
Datum publicatie
02-11-2005
Zaaknummer
2005/433
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgemeenschap, verknochtheid schuld, verdeling bij helfte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2006, 7
JPF 2006/2
JIN 2005/461
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

25 oktober 2005

Familiekamer

Rekestnummer 433/2005

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, verder te noemen “de man”,

procureur mr Y.L.L. van Zutphen,

tegen

[verweerster],

verblijvende in het Pieter Baan Centrum te Utrecht,

verweerster, verder te noemen “de vrouw”,

procureur mr E.E.M. Messink.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 3 februari 2005, uitgesproken onder zaak/rekestnummer 119047 / ES RK 04-788.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 3 mei 2005, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Hij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen voor zover daarbij de rechtbank heeft bepaald dat de schuld bij de IDM Bank bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld en, opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad, die schuld volledig aan de vrouw toe te delen en te bepalen dat de man terzake van verrekening van deze schuld aan de vrouw slechts een bedrag van € 2.480,50 verschuldigd is.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 1 juni 2005, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en het verzoek van de man af te wijzen, kosten rechtens.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 27 september 2005 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, beiden bijgestaan door hun procureur.

3 De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen hebben vanaf medio 1994 een relatie met elkaar gehad en zijn op 14 oktober 2002 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 25 februari 2005 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank onder meer de wijze van verdeling van de schuld bij de IDM Bank en de inboedel vastgesteld overeenkomstig hetgeen daarvoor in die beschikking is overwogen. In de overweging heeft de rechtbank de wijze van verdeling van voornoemde schuld en de inboedel als volgt vastgesteld:

“aan ieder van partijen wordt de helft van de schuld bij de IDM Bank toegedeeld (dus € 20.000,--) zonder nadere verrekening en de inboedel wordt toegedeeld aan de man, zonder nadere verrekening.”

3.3 Tussen partijen staat vast dat de vrouw bij het aanvragen van de lening bij de IDM Bank (overeenkomstnummer 747533059) van € 40.000,- d.d. 1 april 2003 de handtekening van de man heeft vervalst.

3.4 De rechtbank heeft de vrouw veroordeeld terzake van poging tot moord op de man en opzettelijke brandstichting, gepleegd op 5 juli 2004. De vrouw heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij dit hof. In het kader van deze strafrechtelijke procedure is de vrouw op last van het hof in augustus 2005 opgenomen in het Pieter Baan Centrum te Utrecht.

4 De motivering van de beslissing

4.1 De man herhaalt in hoger beroep zijn stelling dat de omstandigheden waaronder de vrouw de leningen is aangegaan aanleiding vormen om de daaruit ontstane ontstane schuld wegens verknochtheid dan wel op grond van redelijkheid en billijkheid in zijn geheel en zonder nadere verrekening aan de vrouw toe te rekenen. De vrouw heeft de stellingen van de man betwist.

4.2 Op grond van artikel 1:94 lid 2 BW omvat de wettelijke gemeenschap van goederen wat haar lasten betreft alle schulden van ieder der echtgenoten. Lid 3 van dit artikel bepaalt dat schulden die aan een der echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, slechts in de gemeenschap vallen voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet.

4.3 Naar het oordeel van het hof heeft de man onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de schuld bij de IDM Bank aan de vrouw is verknocht. Het feit dat de vrouw die schuld is aangegaan en daarbij de handtekening van de man heeft vervalst, de man niet van het bestaan van die schuld op de hoogte was, hij geen dan wel onvoldoende inzicht heeft in het ontstaan van die schuld en in deze schuld mede is begrepen een voorhuwelijkse studieschuld en een voorhuwelijkse schuld aan de sociale dienst van de vrouw, acht het hof ook indien deze feiten in samenhang worden bezien van onvoldoende gewicht om te oordelen dat die schuld op bijzondere wijze aan de vrouw verknocht is. Het hof betrekt hierbij dat de vrouw door overlegging van rekeningoverzichten van Neckermann en Wehkamp aannemelijk heeft gemaakt dat mede in de schuld aan de IDM Bank zijn begrepen de bestedingen bij voormelde postorderbedrijven welke in de loop van de relatie van partijen zijn opgebouwd, dat die bestedingen in de periode van medio 1997 tot 2004, aldus de verklaring van de man tijdens de mondelinge behandeling meer dan € 7.000,- hebben bedragen en dat dit voornamelijk huishoudelijke aankopen en kleding heeft betroffen. Dat thans niet meer kan worden achterhaald waaraan de gedurende relatie van partijen als lening opgenomen bedragen voorts zijn besteed, rechtvaardigt niet dat de schuld als verknochte schuld geheel aan de vrouw dient te worden toegedeeld.

4.4 Op grond van artikel 1:100 BW hebben de echtgenoten een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, tenzij anders is bepaald bij huwelijkse voorwaarden of bij een overeenkomst die tussen de echtgenoten bij geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding der gemeenschap anders dan door de dood of ten gevolge van opheffing bij huwelijkse voorwaarden. Uit deze bepaling volgt voorts dat de -voormalige- echtgenoten ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schulden van de gemeenschap. Op grond van de redelijkheid en billijkheid kan in zeer uitzonderlijke gevallen van de verdeling bij helfte -en van de draagplicht bij helfte- worden afgeweken, aldus HR 7 december 1990, NJ 1991, 593. Vooropgesteld dient te worden dat de onderhavige zaak in zoverre wezenlijk verschilt van het in het aangehaalde arrest beoordeelde geval, dat in het laatste geval de dader een levensmisdrijf had gepleegd teneinde zich van het vermogen van zijn echtgenote te verzekeren. De poging van de vrouw de man het leven te benemen heeft in het onderhavige geval niet een dergelijk oogmerk.

4.5 De man stelt ook in dit verband dat hij niet kan achterhalen hoe de schuld aan de IDM Bank, met name de in die schuld op 1 april 2003 begrepen schuld aan de DSB Bank van € 34.680,-, is ontstaan, hij niet op de hoogte was van het bestaan van die schuld, de vrouw bij afsluiting van de leningovereenkomst bij de IDM Bank zijn handtekening heeft vervalst, zij een postbusnummer heeft genomen om te voorkomen dat de man het bestaan van de lening/schuld zou ontdekken en dat zij het onder 3.4 vermelde strafbare feit heeft gepleegd. De vrouw stelt dienaangaande dat de betreffende schuld is ontstaan en opgelopen gedurende de relatie van partijen mede omdat de man niet heeft willen mee betalen aan de studieschuld van de vrouw en een schuld van de vrouw aan de sociale dienst.

4.6 Het hof heeft in de onderhavige zaak te beoordelen of het in de door de man gestelde omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat hij voor de helft draagplichtig is terzake de schuld aan de IDM Bank.

4.7 Nu de man stelt dat sprake is van een zo uitzonderlijk geval dat verdeling bij helfte resulteert in een naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar resultaat, is het aan hem deze stelling -bij betwisting door de vrouw- te bewijzen. Het is dus de man die -bij betwisting door de vrouw- feiten en omstandigheden moet stellen en bewijzen welke kunnen meebrengen dat hij ter zake van de schuld aan de IDM Bank niet draagplichtig is. Het hof gaat dan ook voorbij aan de stelling van de man dat de vrouw niet heeft aangetoond waarvoor zij indertijd de lening bij de DSB Bank is aangegaan dan wel op welke wijze die schuld is ontstaan.

4.8 De man heeft na de betwisting door de vrouw niet nader onderbouwd dat hij niet op de hoogte was van de studieschuld van de vrouw en haar schuld aan de sociale dienst. Hij heeft ook geen bewijs van die stelling aangeboden. Evenmin is gebleken dat de grote uitgaven van partijen ten tijde van hun relatie, zoals de aanschaf van een keuken, laminaat, inboedelgoederen en een of meer personenauto’s, van de door de man beheerde spaarrekening van partijen werden bekostigd, nu de man ook deze stelling niet feitelijk met bewijsstukken heeft onderbouwd.

4.9 Dat de vrouw de handtekening van de man heeft vervalst bij het aangaan van de geldleenovereenkomst met de IDM Bank acht het hof op zichzelf niet een zo zwaarwegende omstandigheid dat op grond van de onaanvaardbaarheid uit oogpunt van redelijkheid en billijkheid kan worden afgeweken van de in artikel 1:100 lid BW neergelegde regel dat echtgenoten een gelijk aandeel hebben in de ontbonden gemeenschap. Dat geldt temeer, daar de vrouw deze overeenkomst eerst op 1 april 2003 is aangegaan en partijen al sinds medio 1994 een relatie hadden.

4.10 Ook de omstandigheid dat de vrouw een postbusnummer heeft genomen om te voorkomen dat de man op de hoogte zou geraken van de door haar afgesloten lening(en), acht het hof geen zo uitzonderlijke omstandigheid dat afgeweken dient te worden van de hiervoor vermelde wettelijke regeling van verdeling bij helfte. Hierbij houdt het hof rekening met het feit dat de vrouw onbetwist heeft gesteld dat zij daartoe eerst is overgegaan medio 2002 toen de relatie van partijen reeds acht jaar bestond.

4.11 Voorts staat naar het oordeel van het hof het door de vrouw gepleegde strafbare feit jegens de man, hiervoor onder 3.4 vermeld, niet aan een toerekening bij helfte van de schuld aan de IDM Bank in de weg, nu dit feit losstaat van het ontstaan van die schuld.

4.12 Op grond van het onder 4.4 tot en met 4.11 overwogene is het hof van oordeel dat de door de man gestelde feiten en omstandigheden noch op zichzelf noch in onderlinge samenhang zo uitzonderlijk zijn, dat onverkorte toepassing van de krachtens artikel 1:100 BW tussen deelgenoten in een ontbonden huwelijksgemeenschap geldende regeling van verdeling bij helfte naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

5 De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hierboven is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te bekrachtigen.

5.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 3 februari 2005, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs Wammes, Van den Dungen en Van der Kwaak en is op 25 oktober 2005 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.