Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AU4629

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-10-2005
Datum publicatie
19-10-2005
Zaaknummer
369/2005
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatie jongmeerderjarige, behoeftigheid en behoefte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 oktober 2005

Familiekamer

Rekestnummer 369/2005

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, verder te noemen “de dochter”,

procureur mr P. Winkelman,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder, verder te noemen “de vader”,

procureur mr A. A. Voets.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 11 april 2005, uitgesproken onder zaak/rekestnummer 120711 / FA RK 04-12906.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 15 april 2005, is de dochter in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De dochter verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende het verzoek van de vader tot wijziging van de kinderalimentatie alsnog af te wijzen, kosten rechtens.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 12 mei 2005, heeft de vader het verzoek in hoger beroep van de dochter bestreden. De vader verzoekt het hof het hoger beroep van de dochter ongegrond te verklaren, met bekrachtiging van de bestreden beschikking.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 13 september 2005 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, beiden bijgestaan door hun procureur.

3 De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 De vader en [de moeder] (verder te noemen “de moeder”) zijn op 24 juni 1977 met elkaar gehuwd. Bij vonnis van 6 januari 1994 heeft de rechtbank te Arnhem echtscheiding tussen hen uitgesproken. Het echtscheidingsvonnis is op 14 februari 1994 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Uit het huwelijk van de vader en de moeder zijn de thans (jong-) meerderjarige kinderen geboren:

- [dochter] (verder te noemen “[A.]”), op 16 april 1983 en

- [verzoekster] (“de dochter”), op 29 maart 1987.

3.3 Bij beschikkingen van 3 maart 2003 heeft de rechtbank te Arnhem bepaald dat de vader met ingang van 1 februari 2002 aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de dochter en als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [A.] € 250,- per kind per maand zal betalen.

3.4 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank te Arnhem op 24 november 2004, heeft de vader verzocht de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 3 maart 2003 te wijzigen, ten aanzien van [A.] een verklaring voor recht te geven inhoudende dat de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie met ingang van 16 april 2004 is geëindigd dan wel op nihil wordt vastgesteld en ten aanzien van de dochter de bijdrage in haar kosten van verzorging en opvoeding met ingang van

1 september 2003 op nihil vast te stellen. De moeder en [A.] zijn in eerste aanleg niet verschenen. Bij de bestreden -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking heeft de rechtbank de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 3 maart 2003 gewijzigd en de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de dochter met ingang van 1 september 2003 en de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [A.] met ingang van 16 april 2004 op nihil vastgesteld.

Ten aanzien van de vader

3.5 De vader is alleenstaand. Zijn inkomen bedroeg tot 1 september 2005 blijkens de salarisspecificaties van januari, februari, maart en april 2005 € 2.600,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag. Er is een ontslagvergunning aan de werkgever van de vader verleend. De werkgever heeft de arbeidsovereenkomst vervolgens opgezegd tegen 1 september 2005. De vader heeft een WW-uitkering aangevraagd die circa € 1.823,- bruto per maand zal bedragen (70% van het laatstverdiende salaris). De vader is tegen ziektekosten verzekerd krachtens de Ziekenfondswet.

3.6 De lasten van de vader bedragen per maand:

- € 394,95 aan huur;

- € 22,90 aan premie aanvullende ziekenfondsverzekering;

- € 256,25 aan bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie ten behoeve van [A.] (tot 16 april 2004);

- € 8,31 aan premie begrafenisverzekering.

Ten aanzien van de dochter

3.7 De dochter woont bij de moeder en volgt vanaf september 2003 een driejarige opleiding bij het ROC Rivierenland College te [woonplaats]. De opleiding bestaat voor één dag per week uit theorie en vier dagen per week uit praktijk. De dochter heeft in het kader van haar opleiding stage gelopen bij de Hema, Miss Etam en loopt nu stage bij Duthler. Haar stagevergoeding bedroeg in het eerste jaar € 229,- netto per maand en bedraagt thans € 260,- netto per maand op basis van 20 uur per week.

4 De motivering van de beslissing

4.1 Partijen verschillen van mening over de behoefte van de dochter aan een door de vader te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie.

4.2 De vader stelt dat de dochter, gelet op haar inkomsten uit arbeid (stagevergoeding), geen behoefte meer heeft aan een bijdrage van hem in de kosten van levensonderhoud en studie. De dochter voert daarentegen aan dat zij nog steeds behoefte heeft aan een bijdrage van de vader in de kosten van levensonderhoud en studie.

4.3 Artikel 1:395a BW bepaalt dat ouders verplicht zijn te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt. Deze verlengde onderhoudsplicht geldt niet alleen jegens de meerderjarige studerende kinderen van 18 tot 21 jaar, maar ook jegens de meerderjarige kinderen van die leeftijd die al dan niet inkomsten uit arbeid hebben. In artikel 1:392 lid 2 BW is bepaald dat voornoemde onderhoudsplicht bestaat ongeacht de behoeftigheid van de jong-meerderjarige. Niettemin dient conform artikel 1:397 lid 1 BW bij de bepaling van de verschuldigde bijdrage voor levensonderhoud rekening te worden gehouden met de behoefte van de tot onderhoud gerechtigde.

4.4 Het hof neemt bij de bepaling van de behoefte van de dochter haar inkomsten uit arbeid van € 260,- netto per maand als uitgangspunt, nu het hof -gelet op het aantal uren dat de dochter per week werkt- dit inkomen redelijk acht en de vader tijdens de mondelinge behandeling niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de dochter meer uren kan gaan werken. Het hof is van oordeel dat, gelet op voormeld inkomen van de dochter, het feit dat de dochter in het kader van haar opleiding stage loopt, in dat kader een vergoeding ontvangt en het feit dat zij de hiermee samenhangende kosten, zoals schoolgeld en boeken dient te betalen, de dochter nog steeds behoefte heeft aan een door de vader te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie. Aangezien de dochter bij de moeder woont en zij, zoals zij tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard, aan de moeder niets betaalt voor kost en inwoning, stelt het hof deze bijdrage in redelijkheid vast op € 150,- per maand.

4.5 Partijen verschillen voorts van mening over de draagkracht van de vader.

4.6 De dochter stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de draagkracht van de vader ontoereikend is om de vastgestelde bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie te betalen. De vader betwist dat. Hij heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn stelling nader toegelicht en verklaard dat hij vanaf 1 september 2005 in staat is een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de dochter van € 200,- per maand te betalen. Het hof acht de man dan ook in staat een bijdrage te voldoen die de voormelde behoefte dekt.

4.7 Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de gewijzigde alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. De rechter dient van zijn bevoegdheid tot wijziging van een bijdrage over een periode in het verleden een behoedzaam gebruik te maken. De rechter zal moeten beoordelen of van de onderhoudsgerechtigde in redelijkheid kan worden verlangd dat deze gehouden is tot terugbetaling van hetgeen in overeenstemming met haar behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven.

Het hof hanteert als ingangsdatum van de wijziging van de onderhoudsbijdrage 1 september 2005, de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, nu de vader vanaf die datum werkloos is.

4.8 Het hof is van oordeel dat de vader in staat is met ingang van 1 september 2005 een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de dochter te betalen van € 150,- per maand. Het hof stelt de alimentatie voor de periode tot 1 september 2005 vast op hetgeen de vader tot die datum feitelijk aan de dochter heeft betaald, nu partijen het exacte bedrag dat de vader tot 1 september 2005 aan de dochter heeft betaald niet inzichtelijk hebben gemaakt, de dochter tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat zij de alimentatie in die periode nodig heeft gehad om in de kosten van haar levensonderhoud te voorzien en aannemelijk is dat de dochter niet in staat is om enig bedrag aan de vader terug te betalen.

5 De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hierboven is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover het de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de dochter betreft, te vernietigen.

5.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een familierechtelijke betrekking met elkaar hebben.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 11 april 2005, voor zover het de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 3 maart 2003 en bepaalt dat de vader aan de dochter met ingang van 1 september 2005 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie € 150,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

stelt de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de dochter voor de periode tot 1 september 2005 vast op hetgeen de vader tot die datum feitelijk heeft voldaan;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs Van Ginkel, Hammerstein en Schaafsma - Beversluis en is op 4 oktober 2005 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.