Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AU4506

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-10-2005
Datum publicatie
19-10-2005
Zaaknummer
2004/659
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gaat in deze zaak om de vraag of partijen bij de vóór de huwelijkssluiting, bij akte van 8 juli 1987 overeengekomen huwelijkse voorwaarden, althans bij schriftelijk vastgelegde overeenkomst van 21 juni 2001, gesloten met het oog op de echtscheiding, de toepasselijkheid van de WVP uitdrukkelijk hebben uitgesloten in de zin van artikel 11 WVP.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2006, 8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 oktober 2005

vierde civiele kamer

rolnummer 2004/659

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

A r r e s t

in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal appèl,

geïntimeerde in het incidenteel appèl,

procureur: mr A.F.M. van Vlijmen,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appèl,

appellant in het incidenteel appèl,

procureur: mr J.C.N.B. Kaal.

1 Het geding in eerste aanleg

Met betrekking tot het verloop van het geding en de overwegingen en beslissingen in eerste aanleg verwijst het hof naar de door de rechtbank te Zutphen op 17 maart 2004 en 16 juni 2004 tussen principaal appellante (hierna te noemen: [appellante]) als gedaagde en principaal geïntimeerde (hierna te noemen: [geïntimeerde]) als eiser gewezen vonnissen, van welk laatste vonnis een afschrift aan dit arrest is gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij exploot van 29 juni 2004 heeft [appellante] [geïntimeerde] aangezegd in hoger beroep te komen van het vonnis van 16 juni 2004 en haar gedagvaard om te verschijnen voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellante] een aantal grieven tegen dat vonnis aangevoerd, enkele producties in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, dat vonnis zal vernietigen en voor recht zal verklaren dat de door [geïntimeerde] opgebouwde aanspraken op ouderdoms- en nabestaandenpensioen zullen worden verevend overeenkomstig de in artikel 1:155 juncto artikel 3 lid 1 van de wet verevening pensioenrechten bij scheiding opgenomen standaardregeling, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.

2.3 [geïntimeerde] heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden, enkele producties in het geding gebracht en bewijs aangeboden. Tevens heeft hij bij die gelegenheid onder het aanvoeren van één grief incidenteel hoger beroep ingesteld van dat vonnis. Zijn conclusie luidt in het principaal appèl dat het hof het door [appellante] ingestelde beroep niet-ontvankelijk althans ongegrond zal verklaren en in het incidenteel appèl dat het hof dat vonnis zal vernietigen voor zover daarbij de kosten van het geding zijn gecompenseerd en, opnieuw recht doende, [appellante] alsnog zal veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep.

2.4 [appellante] heeft bij memorie van antwoord in het incidenteel appèl de grief van [geïntimeerde] bestreden, enkele producties in het geding gebracht en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van [geïntimeerde] in zijn vordering, althans tot afwijzing van de vordering.

2.5 [geïntimeerde] heeft vervolgens akte gevraagd van zijn opmerkingen over die producties.

2.6 Partijen hebben vervolgens arrest gevraagd.

3 De vaststaande feiten

De door de rechtbank in het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn in hoger beroep niet betwist, zodat het hof van die feiten zal uitgaan.

4 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

De ontvankelijkheid van [appellante] in haar hoger beroep

4.1 [geïntimeerde] heeft allereerst tot verweer aangevoerd dat [appellante] niet-ontvankelijk is in het door haar ingestelde hoger beroep, nu in de door partijen op 2 respectievelijk 6 juli 2004 ondertekende overeenkomst is vastgelegd dat, conform de huwelijkse voorwaarden, geen pensioenverevening plaats vindt overeenkomstig de wet verevening pensioenrechten bij scheiding (verder: WVP). Hij heeft daaraan toegevoegd dat [appellante] weliswaar stelt onder druk van de omstandigheden te hebben getekend, maar dat zij zich niet op enige rechtens juiste wijze heeft verzet tegen ondertekening en geen grief heeft gericht tegen de veroordeling van de rechtbank tot ondertekening van deze overeenkomst. [appellante] heeft dit gemotiveerd betwist.

4.2 Het hof volgt dit verweer niet. Het hoger beroep van [appellante] strekt onmiskenbaar ertoe het gehele bestreden vonnis te vernietigen. Haar betoog komt erop neer dat de rechtbank ten onrechte voor recht heeft verklaard dat [appellante] geen aanspraak heeft op het door [geïntimeerde] (tijdens het huwelijk) opgebouwde ouderdoms- en nabestaandenpensioen. Indien de door haar aangevoerde grieven zouden slagen, zou dat meebrengen dat het bestreden vonnis houdende in de eerste plaats die verklaring voor recht zou moeten worden vernietigd. De uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, van een dwangsom voorziene veroordeling van [appellante] om de bewuste overeenkomst te ondertekenen -een vordering die subsidiair door [geïntimeerde] is ingesteld en die het sequeel is van de door hem verlangde verklaring voor recht- zou alsdan zonder rechtsgrond zijn. De gegrond bevinding van de grieven van [appellante] zou dan ook noodzakelijkerwijs meebrengen dat het bestreden vonnis ook wat betreft die veroordeling vernietigd zou moeten worden. [appellante] is ontvankelijk in haar hoger beroep.

Het principaal en incidenteel appèl

Het ouderdomspensioen van de man

4.3 Het gaat in deze zaak om de vraag of partijen bij de vóór de huwelijkssluiting, bij akte van 8 juli 1987 overeengekomen huwelijkse voorwaarden, althans bij schriftelijk vastgelegde overeenkomst van 21 juni 2001, gesloten met het oog op de echtscheiding, de toepasselijkheid van de WVP uitdrukkelijk hebben uitgesloten in de zin van artikel 11 WVP.

4.4 Artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden luidt:

Er zal tussen de echtgenoten geen huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap bestaan.

en artikel 7:

Na echtscheiding en/of scheiding van tafel en bed zal tussen partijen in geen geval in verrekening worden gebracht de waarde van vóór en tijdens het huwelijk door een van hen of beiden opgebouwde pensioenaanspraken.

4.5 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis, voor zoveel hier van belang, de vordering van [geïntimeerde] strekkend tot het verkrijgen van een verklaring voor recht dat [appellante] geen aanspraak heeft op het door [geïntimeerde] (tijdens het huwelijk van partijen) opgebouwde ouderdoms- en nabestaandenpensioen, toegewezen met compensatie van de kosten van het geding aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dat oordeel is kort gezegd hierop gegrond dat aannemelijk is dat artikel 7 in de huwelijkse voorwaarden van partijen is opgenomen met het oog op een eventueel komend wettelijk recht op verdeling van pensioenrechten dat verder zou gaan dan die op grond van “[...]” (arrest van de Hoge Raad van 21 november 1981, NJ 1982, 503) en dat zodoende van toepassing is de eerste uitzondering op de werking van de WVP bedoeld in artikel 11 WVP . De rechtbank heeft de door de man subsidiair aan zijn vordering ten grondslag gelegde overeenkomst, die volgens hem op 21 juni 2000 tussen partijen -met tussenkomst van hun advocaten- is gesloten, onbesproken gelaten.

4.6 Het hof begrijpt de memorie van grieven van [appellante] aldus dat zij allereerst aanvoert dat de verwijzing door de rechtbank naar de beschikking van het hof Den Haag van 6 december 2000, LJN nummer AA9931, onjuist is. Anders dan [appellante] betoogt, heeft de rechtbank de feitelijke situatie die voor het Haagse hof speelde niet (zonder meer) met de feitelijke situatie in dit geval gelijk gesteld. De rechtbank heeft met de gewraakte zinsnede kennelijk enkel tot uitdrukking willen brengen dat in deze zaak, evenals in de Haagse, aannemelijk is dat de desbetreffende bepaling in de huwelijkse voorwaarden (in dit geval artikel 7) is opgenomen met het oog op een eventueel komend wettelijk recht op pensioenverevening (of -verrekening). In zoverre faalt de grief.

4.7 [appellante] vecht het oordeel van de rechtbank ook in die zin aan dat zij stelt dat de rechtbank op onjuiste wijze toepassing heeft gegeven aan artikel 11 WVP, mede gelet op het feit dat in de Haagse zaak sprake was van een periodiek verrekenbeding, terwijl het in deze zaak om een geval van “koude uitsluiting” gaat. Deze stelling kan [appellante] echter niet baten. Blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 11 WVP is de bepaling in het bijzonder bedoeld om de wet vanaf haar inwerkingtreding van toepassing te doen zijn op uit het verleden stammende gevallen van koude uitsluiting. Het artikel bepaalt verder, in aansluiting op artikel 1:155 BW, dat alleen dan geen verevening van pensioenrechten plaatsvindt, indien de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de echtscheiding uitdrukkelijk anders hebben bepaald. Met dit laatste wordt blijkens de parlementaire geschiedenis gedoeld op een bepaling die expliciet op de verevening van pensioenrechten betrekking heeft.

4.8 Het hof is van oordeel dat artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden expliciet op de verevening van pensioenrechten betrekking heeft. Bij de uitleg van deze bepaling komt het aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het hof oordeelt dat de bewoordingen van de bepaling geen aanleiding geven tot een andere lezing dan die welke [geïntimeerde] voorstaat. Voorts hecht het hof belang aan hetgeen mr H. Dijkstra, de notaris die de ten processe bedoelde akte huwelijkse voorwaarden heeft opgemaakt, in zijn brief van 31 mei 2002 aan de advocaat van [geïntimeerde] (productie 9 conclusie van eis) heeft geschreven:

Naar aanleiding van uw brief van 3 mei jongstleden deel ik u mede dat het standpunt van uw cliënt volledig juist is. Uit mijn herinnering sprekend hadden partijen enige maanden voor het passeren van de akte van huwelijkse voorwaarden ten overstaan van mij een notarieel samenlevingscontract gesloten. In dat kader was er geen alimentatieplicht en waren er geen pensioenperikelen.

Bij het passeren van het samenlevingscontract kwam ook de successierechtsituatie ter sprake. Toen bleek mij dat partijen dat aspect zeer wezenlijk vonden maar onvoldoende aandacht hadden gegeven. De enige oplossing was mijns inziens: toch trouwen, maar dan onder huwelijkse voorwaarden en wel in alle opzichten: koude uitsluiting.

Nadrukkelijk is toen -mede omdat een en ander in de literatuur ook al veel aandacht had gehad- gesproken over en afgesproken dat elke deling van pensioenrechten onder welke benaming dan ook achterwege moest blijven. Dus ook verevening of onder welke andere term zulks in de toekomst ook verplicht zou worden.

4.9 [appellante] heeft ten aanzien van deze brief opgemerkt dat niet geloofwaardig is dat mr Dijkstra na zoveel jaren zich nog exact kan herinneren wat besproken is, dat de brief onoirbaar is, omdat mr Dijkstra verbonden is aan het kantoor waaraan ook de advocaat van [geïntimeerde] is verbonden, dat de inhoud van de brief onjuist is, omdat partijen nooit een samenlevingscontract hebben gesloten en dat mr Dijkstra nimmer een wetswijziging met partijen besproken heeft.

4.10 Uit de door [appellante] bij memorie van antwoord in het incidenteel appèl overgelegde, bij brief van 3 juni 1987 (productie 8) aan beide partijen, tezamen met het concept huwelijkse voorwaarden, toegezonden notitie van mr Dijkstra is onder 1 en 2 te lezen:

1. In verband met de heffing van successiebelasting verdient het de voorkeur dat de Heer [geïntimeerde] en Mevrouw [appellante] in het huwelijk treden.

2. In dat kader dienen huwelijksvoorwaarden opgemaakt te worden, zodat de echtgenoten buiten gemeenschap van goederen gehuwd zijn. In de huwelijksvoorwaarden kunnen, grotendeels, dezelfde bepalingen worden opgenomen als thans in de samenlevingscontracten zijn vermeld.

Het hof leidt hieruit af dat partijen alvorens met elkaar te huwen in elk geval een concept-samenlevingscontract hebben laten opmaken – althans daarover met mr Dijkstra hebben gesproken - en dat, zoals ook in de brief van mr Dijkstra van 31 mei 2002 (productie 9 conclusie van eis) te lezen is, de reden om met elkaar te huwen werd ingegeven door aspecten van heffing van successiebelasting.

Mr Dijkstra schrijft in die laatste brief voorts niet over een wetswijziging, maar over de aandacht die de kwestie in de literatuur had gehad. [appellante] heeft de in de brief vermelde achtergrond van het huwelijk van partijen en de opneming van artikel 7 in de huwelijkse voorwaarden (de laatste twee hiervoor weergegeven alinea’s) niet betwist. Het hof houdt het er dan ook voor dat deze achtergrond juist is. [appellante] heeft voorts niet betwist de overweging van de rechtbank dat in het jaar 1987 reeds geruime tijd bekend was dat voorstellen waren gedaan om in de wet een verdergaande regeling ten aanzien van pensioenverlening na echtscheiding op te nemen. Het hof neemt ten slotte in aanmerking dat bij de door [appellante] verdedigde uitleg van de huwelijkse voorwaarden artikel 7 geen betekenis zou hebben, aangezien van verrekening van pensioenrechten in dit geval naar het toen geldende recht geen sprake was. Op grond van een en ander is naar het oordeel van het hof minst genomen zeer aannemelijk dat partijen in dat artikel 7 “uitdrukkelijk” verevening in de zin van de WVP hebben willen uitsluiten zoals bedoeld in artikel 11 van die wet. De omstandigheid dat de term “verevening” in artikel 7 niet is gebezigd acht het hof daarbij niet van belang, nu het wetsontwerp dat tot de WVP heeft geleid ten tijde van het opmaken van de voorwaarden nog niet was ingediend. [appellante] erkent in haar memorie van grieven ook zelf dat de term verevening toen nog niet bekend was. [appellante] heeft geen feiten en omstandigheden genoemd die tot een ander oordeel leiden. Het hof gaat daarom aan haar bewijsaanbod (dat overigens kennelijk voornamelijk betrekking heeft op de vraag of partijen de door de man gestelde overeenkomst van 21 juni 2001 hebben gesloten) voorbij. De grief faalt ook in zoverre.

4.11 De omstandigheid dat de rechtbank in haar beschikking van 8 april 2003, gegeven op het verzoek van [geïntimeerde] tot vermindering van de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van [appellante], bij de bepaling van de draagkracht van [geïntimeerde] rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat zijn inkomen met ingang van 1 mei 2002 is verminderd doordat [appellante] -volgens de man in strijd met de gemaakte afspraken- toch aanspraak is gaan maken op de door hem tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten, doet aan het voorgaande niet af. Dat was alstoen immers een feitelijk gegeven dat niet op korte termijn te redresseren viel en vormde voor [geïntimeerde] aanleiding om verlaging van de alimentatie van [appellante] te verzoeken wegens een wijziging in de omstandigheden. De rechtbank heeft in haar beschikking overigens gewag gemaakt van het tussen partijen bestaande geschil over de toepasselijkheid van de WVP. [appellante] heeft inmiddels, stellende dat de beschikking van 8 april 2003 als gevolg van het bestreden vonnis niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet (inleidend rekest: productie 4 bij memorie van antwoord in het principaal appèl), wijziging van die beschikking en verhoging van de alimentatie verzocht met terugwerkende kracht tot 1 mei 2002. Gelet daarop kan ook niet worden volgehouden, dat het achterwege blijven van een pensioenvoorziening voor [appellante] naar maatstaven van redelijk en billijkheid onaanvaardbaar is op de grond dat dit rechtstreeks invloed heeft op haar onderhoudsbijdrage, zoals [appellante] aanvoert.

4.12 Hetgeen [appellante] heeft aangevoerd over de overeenkomst van 21 juni 2001 hoeft na het voorgaande geen bespreking.

Het nabestaandenpensioen

4.13 [appellante] stelt dat de rechtbank ten onrechte geen onderscheid heeft gemaakt tussen ouderdoms- en nabestaandenpensioen. Haar grief komt erop neer dat ten aanzien van nabestaandenpensioen (ex-)echtgenoten enkel ten tijde van de echtscheiding “andere afspraken” (het hof begrijpt: afspraken waarbij wordt afgeweken van het wettelijke regime) kunnen maken, en dat dit niet kan geschieden bij huwelijkse voorwaarden. Dit betoog is niet houdbaar, waar artikel 8a lid 3, eerste volzin, Pensioen- en Spaarfondsenwet afwijking van de eerste twee leden van dat artikel mogelijk maakt bij huwelijkse voorwaarden. De grief faalt.

4.14 [appellante] heeft zich ten slotte nog beklaagd over de hoogte van de door de rechtbank opgelegde dwangsom, die de rechtbank heeft verbonden aan de veroordeling tot ondertekening van de in rechtsoverweging 4.1 genoemde overeenkomst. Zij meent dat deze gelet op haar inkomen te hoog is. Zij ziet er echter aan voorbij dat de dwangsom dient als prikkel tot nakoming van een rechterlijke beslissing. Bovendien blijkt uit de stukken van het hoger beroep dat [appellante] de overeenkomst inmiddels heeft ondertekend en aan de advocaat van [geïntimeerde] heeft geretourneerd. De dwangsom is daarmee niet langer aan de orde, zodat [appellante] bij haar klacht geen belang (meer) heeft. Ook deze grief faalt.

4.15 Het hof merkt ten overvloede nog op dat [appellante] niet kan worden ontvangen in de door haar gevraagde verklaring voor recht. De vordering stuit af op het bepaalde in artikel 353 lid 1 Rv., nu [appellante] in eerste aanleg geen eis in reconventie heeft ingesteld. De vordering zou gelet op al het voorgaande overigens niet toewijsbaar zijn.

4.16 De grief van [geïntimeerde] luidt dat de rechtbank ten onrechte de kosten van het geding heeft gecompenseerd aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt. Hij stelt onder meer dat [appellante] hem onnodig met deze zaak (in twee instanties) heeft geconfronteerd en met een alimentatiewijzigingsprocedure. Hij meent dat [appellante] hem willens en wetens dwingt om hoge proceskosten te maken, terwijl zij zelf kosteloos procedeert. [appellante] heeft dit gemotiveerd betwist.

4.17 Het hof acht de beslissing van de rechtbank juist. Compensatie van de kosten is in zaken als deze gebruikelijk. Naar het oordeel van het hof kan niet gezegd worden dat [appellante] tegen beter weten in heeft geprocedeerd of heeft geprocedeerd met het oogmerk om [geïntimeerde] te dwingen hoge proceskosten, althans kosten van rechtsbijstand te maken. De grief faalt.

5 De slotsom

De grieven van [appellante] en [geïntimeerde] falen alle. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen, [appellante] niet ontvankelijk verklaren in haar vordering in reconventie en in het incidenteel appèl het beroep verwerpen. Het hof zal de kosten van het hoger beroep compenseren aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Beslissing

Het hof, recht doende in

het principaal appèl:

bekrachtigt het door de rechtbank te Zutphen op 21 juni 2004 tussen partijen gewezen vonnis;

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar (in hoger beroep ingestelde) vordering in reconventie;

het incidenteel appèl:

verwerpt het beroep;

in het principaal en incidenteel appèl voorts:

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs Van Ginkel, Wammes en Van den Dungen en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 oktober 2005.