Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AU4189

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
27-09-2005
Datum publicatie
13-10-2005
Zaaknummer
2005/518
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Aanleiding tot dit geding is de vraag of [Y.] op 2 oktober 2004 in de grasbaanrace voor motoren in de 50 cc. klasse, leeftijdscategorie 5-8 jaar, al dan niet een valse start heeft gemaakt. [appellant] stelt dat de KNMV gehouden is uitvoering te geven aan de beslissing die de Disciplinaire Raad van de KNMV daaromtrent genomen heeft, welke beslissing ertoe strekte dat [Y.] uit de uitslag van die race wordt verwijderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 september 2005

eerste civiele kamer

rolnummer 2005/518 KG

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant], in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr H. van Ravenhorst,

tegen:

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

Koninklijke Nederlandse Motorrijders Vereniging,

gevestigd te Arnhem,

geïntimeerde,

procureur: mr W.D. Huizinga.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van het vonnis van 29 maart 2005 dat de voorzieningenrechter van de rechtbank te Arnhem in kort geding tussen appellant (hierna ook te noemen: [appellant]) als eiser en geïntimeerde (hierna ook te noemen: de KNMV) als gedaagde heeft gewezen; van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 25 april 2005 aangezegd van voornoemd vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van de KNMV voor dit hof. Bij dit exploot heeft [appellant] tegen het bestreden vonnis twee grieven aangevoerd en daarbij producties in het geding gebracht en bewijs aangeboden. Voorts heeft hij aangekondigd te zullen concluderen dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen, en, opnieuw rechtdoende, de KNMV bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, zal gelasten de werking van de uitspraak van de Raad van Beroep d.d. 20 januari 2005 voorlopig te schorsen en de uitspraak van de Disciplinaire Raad van 1 november 2004 te respecteren en [X.] alsnog aan te wijzen als Nederlands Kampioen 50 cc. Grasbaan, kosten rechtens.

2.2 Ter rolzitting van 10 mei 2005 heeft [appellant] voor eis geconcludeerd zoals hij in voornoemd exploot had aangekondigd.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft de KNMV de grieven bestreden en bewijs aangeboden. Zij heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis, al dan niet met verbetering of aanvulling van de gronden, zal bekrachtigen en [appellant] zal veroordelen in (bedoeld zal zijn:) de kosten van het geding in hoger beroep.

2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder de kop ‘de vaststaande feiten’ feiten vastgesteld, genummerd 1 tot en met 9. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Aanleiding tot dit geding is de vraag of [Y.] op 2 oktober 2004 in de grasbaanrace voor motoren in de 50 cc. klasse, leeftijdscategorie 5-8 jaar, al dan niet een valse start heeft gemaakt. [appellant] stelt dat de KNMV gehouden is uitvoering te geven aan de beslissing die de Disciplinaire Raad van de KNMV daaromtrent genomen heeft, welke beslissing ertoe strekte dat [Y.] uit de uitslag van die race wordt verwijderd. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellant] – ertoe strekkend dat diens zoon [X.] alsnog als Nederlands kampioen 50 cc. grasbaan zou worden aangewezen – afgewezen. Daartoe overwoog de voorzieningenrechter, kort gezegd, dat de beslissing van de referee – die geen valse start had geconstateerd – een visuele waarneming betrof, waartegen op grond van het Motorsport-reglement en het Baansportreglement geen protest mogelijk was.

4.2 In zijn eerste grief betoogt [appellant] dat de voorzieningenrechter aldus buiten zijn bevoegdheid is getreden, nu hij slechts de door de Raad van Beroep en de KNMV gevolgde procedure had mogen toetsen aan de toepasselijke reglementen en niet had mogen overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de onderliggende kwestie omtrent de vraag of al dan niet sprake was van een visuele waarneming.

4.3 Deze grief moet worden verworpen. In haar verweer tegen de vorderingen van [appellant] – welke vorderingen gebaseerd waren op de stelling dat volgens de reglementen van de KNMV tegen de beslissing van de Disciplinaire Raad geen beroep meer openstond op de Raad van Beroep – heeft de KNMV uitdrukkelijk aangevoerd dat (ook) de aan de uitspraak van de Raad van Beroep voorafgaande beslissingen van de jury en de Disciplinaire Raad gebaseerd waren op een onjuiste interpretatie van de reglementen. In dat verband heeft de KNMV erop gewezen dat het oordeel van de referee dat geen valse start had plaatsgevonden, neerkwam op een visuele waarneming, waartegen geen protest openstond. Als gevolg daarvan zouden de latere beslissingen van de jury, de Disciplinaire Raad respectievelijk de Raad van Beroep niet op een reglementaire rechtsgang gebaseerd zijn, aldus de KNMV. Nu dit verweer – indien succesvol – langs de weg van art. 2:15 lid 1 sub c BW zou kunnen leiden tot afwijzing van de vordering, lag het op de weg van de voorzieningenrechter dit verweer te behandelen en aldus ook de rechtsgang te beoordelen die aan de door [appellant] ter discussie gestelde beslissing van de Raad van Beroep was voorafgegaan.

4.4 De wijze waarop de voorzieningenrechter – voorshands – heeft getoetst of de beslissingen van voornoemde organen van de KNMV tot stand waren gekomen in overeenstemming met de toepasselijke reglementen, overschrijdt niet de grenzen die de burgerlijke rechter, oordelend in kort geding, in acht moet nemen. Met name dwingt de wet niet tot een verdere terughoudendheid of meer marginale toetsing, mede omdat het in het voorliggende geval niet gaat om een redelijkheidstoets als bedoeld in art. 2:15 lid 1 sub b BW, maar om de vraag of de gevolgde procedure strookt met de reglementen als bedoeld in 2:15 lid 1 sub c. In dat verband kan nog worden vermeld dat de door KNVB aangesneden bevoegdheids- of ontvankelijkheidsvraag ten aanzien van het juryprotest van [appellant] in wezen eenzelfde beoordeling vraagt als de door [appellant] zelf tot inzet van deze procedure gemaakte bevoegdheids- of ontvankelijkheidsvraag ten aanzien van het beroep van [Y.] tegen de uitspraak van de Disciplinaire Raad. De voorzieningenrechter heeft dan ook niet inhoudelijk beoordeeld of al dan niet sprake was van een valse start, maar slechts of tegen het (op een visuele waarneming gebaseerde) oordeel van de referee daaromtrent ingevolge de reglementen van de KNMV protest openstond.

4.5 Met grief 2 keert [appellant] zich tegen de uitkomst van die beoordeling door de voorzieningenrechter. In de eerste plaats betoogt [appellant] dat het inleidende protest zich niet keerde tegen een visuele waarneming van de referee, maar tegen het opnemen van [Y.] in de uitslag. Tegen die uitslag kan een deelnemer ingevolge het Motorsportreglement (art. 190.1) wel protest aantekenen. Daarnaast stelt [appellant] dat de referee de start zelf niet heeft gezien, zodat ook om die reden van een visuele waarneming geen sprake kan zijn.

4.6 De vraag of – gezien de toepasselijke reglementen (in casu art. 21.7 Baansportreglement) – al dan niet sprake is van een valse start kan naar zijn aard slechts worden beantwoord op basis van een visuele waarneming. Dat voor die beantwoording een visuele waarneming centraal staat, wordt ook geïllustreerd door het gegeven dat [appellant] zijn bezwaren telkens heeft onderbouwd aan de hand van een videoband waarop de valse start te zien zou zijn. Daarnaast wijzen de reglementen (in casu art. 40.3 Motorsportreglement) de referee aan als de official die – met uitsluiting van anderen – verantwoordelijk is voor de naleving van de reglementen tijdens het wedstrijdverloop. Een en ander impliceert dat de beslissing van de referee omtrent het al dan niet vals zijn van een start een in art. 190.1 laatste alinea Motorsportreglement bedoelde beslissing ‘op grond van een visuele waarneming tijdens het verloop van een (…) wedstrijd in het belang van (…) een reglementair verloop van de wedstrijd’ betreft, zodat daartegen ingevolge die bepaling geen protest kan worden ingediend. De omstandigheid dat deze beslissing consequenties had voor de uitslag van de wedstrijd, creëert niet alsnog een protestmogelijkheid, nu de slotalinea van art. 190.1 Motorsportreglement (mede) als een uitzondering op de algemene regel van art. 190.1 eerste alinea sub 2 moet worden beschouwd. Een andere lezing van deze bepaling zou de slotalinea ook tot een dode letter maken, aangezien voor de meeste aldaar bedoelde beslissingen zal gelden dat zij de uitslag van een wedstrijd (kunnen) beïnvloeden.

4.7 Ten slotte kan ook de stelling van [appellant] dat de referee zelf de bewuste start niet gezien zou hebben, niet tot een ander oordeel leiden. Voornoemde bepaling (slotalinea van art. 190.1 Motorsportreglement) bevat een algemene uitzondering (namelijk dat beroep daartegen niet mogelijk is) voor de beslissingen die de referee neemt omtrent visueel waarneembare feiten tijdens het verloop van de wedstrijd. Het antwoord op de vraag of de referee in concreto een bepaald (visueel waarneembaar) feit wel of niet gezien heeft, is op de werking van die bepaling niet van invloed.

Slotsom

4.8 Beide grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Voor bewijsvoering biedt dit kort geding geen plaats, zodat aan het bewijsaanbod van [appellant] wordt voorbijgegaan.

4.9 Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep worden veroordeeld.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in kort geding in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen in kort geding gewezen vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Arnhem van 29 maart 2005;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de KNMV begroot op € 894,-- voor salaris van de procureur en op € 291,-- voor griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs Smeeïng-van Hees, Van der Kwaak en Van den Brink en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 september 2005.