Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AU3549

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-09-2005
Datum publicatie
03-10-2005
Zaaknummer
2005/539
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Executiegeschil. Vordering tot opheffing conservatoire (verhaals)beslag afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 september 2005

eerste civiele kamer

rolnummer 2005/539 KG

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. A.J.B. Ross,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. P.C. Plochg.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Arnhem van 8 april 2005, in kort geding gewezen tussen appellant (hierna te noemen “[appellant]”) als eiser in conventie, verweerder in reconventie en geïntimeerde (hierna te noemen “[geïntimeerde]”) als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie. Dit vonnis is in fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 3 mei 2005 aangezegd van voornoemd vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof. Daarbij heeft hij twaalf grieven geformuleerd en toegelicht en heeft hij aangekondigd te zullen gaan concluderen dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw recht doende:

1. het door [geïntimeerde] op 18 juli 2003 gelegde conservatoir beslag op het perceel grond aan de [adres], kadastraal bekend gemeente [...], sectie N, nummer 397 zal opheffen;

2. [geïntimeerde] zal veroordelen om binnen acht dagen na betekening van dit arrest aan [appellant] op de gronden zoals vervat in dit exploot en tegen behoorlijk bewijs van kwijting terug te betalen al hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan;

3. [geïntimeerde] zal veroordelen om binnen acht dagen na betekening van dit arrest te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 2.000,- op de uiteindelijk te betalen schadevergoeding, althans een zodanig bedrag als het hof juist acht,

met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

2.2 Bij memorie van eis tevens akte overlegging producties heeft [appellant] een aantal producties in het geding gebracht en geconcludeerd overeenkomstig de eis vervat in voormeld exploot.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] verweer gevoerd, heeft zij een productie overgelegd en heeft zij geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen in hoger beroep, althans hem het gevorderde zal ontzeggen en hem zal veroordelen in de kosten van (het hof leest:) het geding in hoger beroep.

2.4 Ter terechtzitting van het hof van 22 augustus 2005 hebben partijen de zaak doen bepleiten, waarbij namens [appellant] het woord is gevoerd door mr. A.J.B. Ross, advocaat te Zevenaar, en namens [geïntimeerde] door mr. W.H.A. Buiting, advocaat te Doetinchem, eerstgenoemde aan de hand van door hem overgelegde pleitnotities.

2.5 Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

3 De vaststaande feiten

3.1 Nu geen grieven zijn aangevoerd tegen de vaststelling van de in het bestreden vonnis onder de kop “De vaststaande feiten” genoemde feiten, behoudens voor zover het een onder 2 genoemd feit betreft, gaat ook het hof van die feiten uit.

3.2 Voor zover [appellant] er (in zijn vierde grief) over klaagt dat de rechtbank in het bestreden vonnis onder de kop “De vaststaande feiten” onder 4 iets niet heeft vermeld, doet dit aan de juistheid van de daar wel vastgestelde feiten niet af.

4 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1 Het hof zal de grieven zoveel mogelijk gezamenlijk behandelen.

4.2 In het onderhavige geschil gaat het, voor zover in hoger beroep relevant, om het volgende. [appellant] heeft in eerste aanleg de opheffing gevorderd van het conservatoir verhaalsbeslag dat op 18 juli 2003 door [geïntimeerde] is gelegd ten laste van de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid [A] en [B] (gezamenlijk verder – in enkelvoud – te noemen: “[de B.V.]”) op een perceel cultuurgrond, gelegen aan de (volgens beide partijen overeenkomstig het verzoekschrift tot beslaglegging, en anders dan in het beslagexploot abusievelijk staat vermeld:) [adres], kadastraal bekend gemeente [...], sectie N, nummer 397, groot 63 are en 65 centiare. Naast dit beslag (verder: “het verhaalsbeslag op het perceel aan de [adres]”) zijn op 18 juli 2003 door [geïntimeerde] meerdere andere beslagen ten laste van [de B.V.] gelegd. Al deze beslagen vloeiden voort uit een vaststellingsovereenkomst die op 16 oktober 2001 in het kader van een comparitie van partijen voor de rechtbank te Arnhem is gesloten tussen [geïntimeerde] enerzijds en [appellant] en [de B.V.] anderzijds (verder: “de vaststellingsovereenkomst”), op grond waarvan [geïntimeerde] onder meer “het in geschil zijnde perceel” (te weten: de percelen grond te [adres 2], kadastraal bekend gemeente [...] (2x gedeeltelijk), respectievelijk groot 1 hectare en 24 are (geschat) en 26 are (geschat); verder: “de percelen aan de [adres 2]”) van [de B.V.] heeft gekocht “tegen de vrije waarde in het economisch verkeer”. Vervolgens is verschil van mening tussen partijen ontstaan over de vraag tegen welke prijs deze percelen zouden moeten worden geleverd, en heeft [geïntimeerde] op 18 juli 2003 een aantal beslagen gelegd, waaronder een beslag tot levering van de percelen aan de [adres 2] en – uit hoofde van een vordering tot schadevergoeding wegens toerekenbaar tekortschieten ter zake van deze levering – het verhaalsbeslag op het perceel aan de [adres].

4.3 In het onderhavige geschil gaat het met name om de vraag of het verhaalsbeslag op het perceel aan de [adres] dient te worden opgeheven.

4.4 Hieromtrent overweegt het hof allereerst dat inmiddels in een bodemprocedure tussen [de B.V.] en [geïntimeerde] bij vonnis van de rechtbank te Arnhem van 6 april 2005 voor recht is verklaard dat de vaststellingsovereenkomst niet tot stand is gekomen. [appellant] stelt dat daarmee de grondslag voor het (verlof tot het) leggen van het beslag is komen te vervallen. Dit kan hem evenwel niet baten. Nu in de onderhavige procedure niet [de B.V.] – degeen te wiens laste de beslagen zijn gelegd – maar [appellant] als eiser optreedt, kan de vordering tot opheffing van het verhaalsbeslag op het perceel aan de [adres] immers niet enkel op die grond worden toegewezen, maar zal moeten worden onderzocht of ook [appellant] rechtens voldoende belang heeft bij opheffing daarvan.

4.5 De omstandigheid dat [appellant], die in de onderhavige procedure slechts in privé als partij optreedt, daarnaast in een bepaalde relatie tot [de B.V.] staat – te weten enig aandeelhouder en bestuurder van [B], die op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder is van [A] –, is hiervoor in elk geval onvoldoende. [appellant] heeft daarentegen wel voldoende belang bij opheffing van het verhaalsbeslag op het perceel aan de [adres] als zijn stelling, dat hij eigenaar is van dit perceel, juist is.

4.6 Met betrekking tot die vraag stelt [geïntimeerde] zich op het standpunt dat niet [appellant] maar [de B.V.] eigenaar is van het perceel aan de [adres], omdat dit perceel tegelijk met de overige activa van de eenmanszaak van [appellant] in 1998 in [de B.V.] is ingebracht. [appellant] betwist dit en stelt dat het van meet af aan zijn bedoeling is geweest om dit perceel buiten deze inbreng te houden.

4.7 Voor zover [appellant] zich erop heeft beroepen dat hij in 1998 niet heeft beoogd om mede het perceel aan de [adres] in te brengen in [de B.V.], heeft hij, in het licht van de inhoud van de in het bestreden vonnis (op blz. 5 onder 1a, 1b en 1c) genoemde stukken – de bij oprichting van [de B.V.] overgelegde inbrengverklaring en met name de daarbij behorende inbrengbeschrijving van 28 mei 1998, de ontwerpakte van inbreng van registergoederen van 8 april 1998 en de akte van rectificatie van 6 december 2001 –, zijn stellingen voorshands onvoldoende aannemelijk gemaakt. Uit de inhoud van de twee eerstgenoemde stukken valt immers af te leiden dat het juist de bedoeling van partijen is geweest om het perceel aan de [adres] zonder enigerlei beperking in te brengen in [de B.V.], waarna, toen dit niet geheel vlekkeloos was gebeurd bij akte van inbreng van 29 mei 1998 – de kennelijke bedoeling van partijen was om meer te leveren dan blijkens de omschrijving in de akte werd gedaan –, de inschrijving in de openbare registers door middel van het laatstgenoemde stuk geheel in overeenstemming is gebracht met die geopenbaarde bedoeling van partijen.

4.8 Voor zover [appellant] (in zijn toelichting op de grieven V, VI en VII) heeft betoogd dat meer gewicht had moeten worden toegekend aan een aantal niet door de voorzieningenrechter genoemde stukken – te weten een tweetal brieven van [C.] van [...] aan de Belastingdienst/Ondernemingen te Arnhem van 6 april 1998 en 29 mei 1998, een taxatierapport, opgesteld door [D.] en [E.] en verzonden op 26 mei 1998, een tweetal brieven van notaris [F.] aan [C.] voornoemd en aan [appellant] van 28 april 1998, aantekeningen van notaris [F.] en een tweetal brieven van het Kadaster Gelderland aan [appellant] en notaris [F.] van 4 september 1998 – kan het hof [appellant] in dit betoog niet volgen. Behoudens de beide brieven van het Kadaster Gelderland en de brief van 29 mei 1998 van [C.] dateren alle stukken immers van vóór de inbrengverklaring en daarbij behorende inbrengbeschrijving van 28 mei 1998 en de akte van inbreng van 29 mei 1998, zodat zij geenszins uitsluiten dat [appellant] nadien zijn wil heeft gewijzigd. Aan de brief van 29 mei 1998 van [C.] hecht het hof weinig waarde, omdat deze daarin voortborduurde op zijn brief van 6 april 1998 en niet ondenkbaar is dat hij op 29 mei 1998 nog niet op de hoogte was gesteld van de gewijzigde opvatting van [appellant] terzake. [appellant] heeft in elk geval niet uitdrukkelijk gesteld dat [C.] op 29 mei 1998 bekend was met de inhoud van de inbrengverklaring en daarbij behorende inbrengbeschrijving van 28 mei 1998 en de akte van inbreng van 29 mei 1998. Ook aan de aantekeningen van notaris [F.] hecht het hof weinig waarde, reeds omdat uit die aantekeningen niet duidelijk is op welke datum deze zijn gemaakt.

4.9 Wel hecht het hof zeer veel waarde aan de beide brieven van het Kadaster Gelderland van 4 september 1998, omdat deze bevestigen dat het juist de bedoeling van partijen is geweest om het perceel aan de [adres] zonder enigerlei beperking in te brengen in [de B.V.]. In de brief van het Kadaster Gelderland aan notaris [F.] wordt het volgende gesteld:

“Uitgaande van de mij ter beschikking staande gegevens is deze akte niet juist omdat:

De feitelijke omschrijving in de akte is onverenigbaar met de aanwijzing van de grens aan een medewerker van het kadaster.

Het volgende staat vermeld: [...] N 397 gedeeltelijk.

Dit zou moeten zijn: [...] N 397 geheel.

Ik verzoek u zo spoedig mogelijk een stuk tot verbetering van de genoemde onjuistheden/onvolledigheden ter inschrijving in de openbare registers aan te bieden.”

Uit de inhoud van deze brief blijkt dat er een aanwijzing is geweest waarbij (mede) door of namens [appellant] de grens van het geleverde voorzover het om het perceel [...] N 397 gaat (het perceel aan de [adres]) kennelijk ruimer is aangewezen dan in de akte van inbreng van 29 mei 1998 staat omschreven, en dat het Kadaster zo spoedig mogelijk de vermelding [...] N 397 gedeeltelijk gewijzigd wil zien in [...] N 397 geheel. Dit stemt overeen met de gang van zaken zoals die heeft plaatsgevonden: de in de akte van inbreng van 29 mei 1998 nog aanwezige beperking in het geleverde perceel aan de [adres] is bij akte van rectificatie van 6 december 2001 geheel ongedaan gemaakt.

4.10 Uit het voorgaande volgt dat de levering aan [de B.V.] van het perceel aan de [adres] – ook voor het meerdere – heeft plaatsgevonden krachtens een geldige titel, dat, nu de beschikkingsbevoegdheid van [appellant] niet in geschil is, de eigendom daarvan derhalve rechtsgeldig is overgegaan op [de B.V.], en dat de in de notariële akte van 29 mei 1998 tot uitdrukking gebrachte wil, zoals deze ook rechtsgeldig kon worden gerectificeerd bij akte van 6 december 2001, op het moment dat de beslagen werden gelegd (18 juli 2003) geheel overeenstemde met de bedoeling die partijen ten tijde van de inbreng in 1998 hebben gehad. Tevens impliceert het vorenstaande dat voor [appellant] geen grond bestond om nadien bij aktes van rectificatie van 9 juni 2004 en 1 december 2004 te verklaren dat het perceel aan de [adres] slechts gedeeltelijk respectievelijk in het geheel niet werd ingebracht, waarbij nog kan worden aangetekend dat de inschrijving van een verbetering niet terugwerkt.

4.11 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat, toen [geïntimeerde] het verhaalsbeslag op het perceel aan de [adres] legde, dit perceel in eigendom toebehoorde aan [de B.V.], zodat de vordering van [appellant] tot opheffing daarvan bij gebrek aan belang moet stranden.

4.12 Nu de vordering van [appellant] tot opheffing van het verhaalsbeslag op het perceel aan de [adres] niet slaagt, volgt hieruit dat de onder 2 en 3 van zijn petitum geformuleerde vorderingen evenmin kunnen worden toegewezen.

4.13 Voor zover [appellant] heeft betoogd dat de voorzieningenrechter de vorderingen van [geïntimeerde] in reconventie niet inhoudelijk had mogen beoordelen omdat het processtuk, waarin deze vorderingen zijn geformuleerd, niet is ondertekend door een procureur, verwerpt het hof dit betoog. Een regel, inhoudende dat een eis in reconventie in kort geding slechts kan worden ingesteld indien zij wordt gedaan in een processtuk dat is ondertekend door een procureur, vindt geen steun in het Nederlandse recht.

4.14 Bij bespreking van zijn tegen de feitenvaststellingen gerichte grieven (III en IV) heeft [appellant] geen belang.

5 De slotsom

Het hoger beroep faalt, zodat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in hoger beroep worden veroordeeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

6.1 bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Arnhem van 8 april 2005;

6.2 veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 2.682,- voor salaris procureur en op € 291,- voor verschotten;

6.3 verklaart de onder 6.2 uitgesproken veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van der Kwaak, Smeeïng-Van Hees en Van den Brink en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 september 2005.