Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AU1018

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
29-06-2005
Datum publicatie
16-08-2005
Zaaknummer
04-00052
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afvalstoffenheffing

Geen afvalstoffenheffing voor een oude leegstaande boerderij.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 10.11
Wet milieubeheer 10.21
Wet milieubeheer 15.33
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2005/5265
Belastingblad 2005/1099
FutD 2005-1612
JOM 2006/1297
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

vijfde enkelvoudige belastingkamer

nummer 04/00052

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : X

te : Z

verweerder : de heffingsambtenaar van het Intergemeentelijk Orgaan Rivierenland (hierna: de Ambtenaar)

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar

betreft : voorlopige aanslag afvalstoffenheffing

nummer : 0000000

mondelinge behandeling : op 15 juni 2005 te Arnhem

waarbij verschenen : belanghebbende

waarbij niet verschenen : de Ambtenaar, die overeenkomstig de wet is opgeroepen

gronden:

1. Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de woning a-dijk 1 te Z. Ter zake van het gebruik van dit pand heeft hij over het jaar 2003 een aanslag afvalstoffenheffing ontvangen en betaald.

2. Belanghebbende is eveneens eigenaar van de naastgelegen woning a-dijk 3. Dit pand is een oude boerderij en een Rijksmonument. Het pand nr. 3 was gedurende een lange reeks van jaren tot september 2002 verhuurd. Na vertrek van de huurder heeft nr. 3 tot september 2003 leeg gestaan. Belanghebbende heeft wel de stroom- en gastoevoer voor nr. 3 in stand gehouden ten behoeve van de veiligheid en ter voorkoming van vochtvorming.

3. Met dagtekening 25 november 2003 heeft de Ambtenaar aan belanghebbende een voorlopige aanslag afvalstoffenheffing 2003 opgelegd voor het pand nr. 3. De aanslag beloopt een bedrag van € 222.

4. In de door het Algemeen Bestuur van het Intergemeentelijk Orgaan Rivierenland vastgestelde Verordening afvalstoffenheffing 2002 is in artikel 4 omtrent de belastingplicht het volgende bepaald:

‘1. De belasting wordt geheven van degene die in het heffingsgebied feitelijk gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge artikel 10.11 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt als gebruiker aangemerkt:

a. degene die naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht feitelijk gebruik maakt van het perceel;

b. enz.’

5. In de uitspraak op bezwaar heeft de Ambtenaar vermeld: ‘Wanneer een verbruiker via energiebedrijf A staat geregistreerd op een huishoudelijk perceel binnen ons werkgebied, wordt men als belastingplichtige aangemerkt voor de Afvalstoffenheffing zoals geregeld staat in de Verordening … .’ In het verweerschrift betoogt de Ambtenaar dat belanghebbende als gebruiker van het pand nr. 3 in de zin van de Verordening is aan te merken. De Ambtenaar verwijst daarvoor onder meer naar het arrest HR 24 juli 1995, nr. 30 740, BNB 1995/272.

6. Ter zitting heeft belanghebbende het volgende betoogd.

Na de langjarige verhuur stond het pand nr. 3 vanaf september 2002 geheel leeg. Ter voorkoming van achteruitgang heeft hij de energievoorziening in stand gelaten. Aanvankelijk was niet duidelijk wat met het pand zou gebeuren. Hijzelf was in die tijd uitgezonden naar de Verenigde Staten. Zijn eigen woning werd in die tijd niet bewoond. Een kind van hem hield het toezicht. Vanaf september 2003 is zijn zoon het pand nr. 3 gaan bewonen. Dat was voordien niet besloten.

7. Te dezen is beslissend of sprake is van zodanig gebruik van een perceel, dat afvalstoffen kunnen ontstaan.

Gelet op de feiten en de toelichting daarbij van belanghebbende ter zitting, welke toelichting het Hof aannemelijk acht, kan niet worden gezegd dat belanghebbende in het jaar 2003 het pand nr. 3 feitelijk gebruikte. Het enkel aanhouden van de levering van stroom en gas is, anders dan de Ambtenaar in uitspraak op bezwaar betoogt, niet voldoende voor de in die uitspraak getrokken conclusie. Enige andere aanwijzing voor een vorm van gebruik door belanghebbende waardoor huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan, is door de Ambtenaar niet aangevoerd of op enige andere wijze gebleken.

8. Het vorenstaande brengt mee dat de voorlopige aanslag afvalstoffenheffing 2003 ten onrechte aan belanghebbende is opgelegd.

9. Ten overvloede merkt het Hof nog het volgende op.

In de toelichting bij de uitspraak op bezwaar heeft de Ambtenaar het volgende vermeld:

‘Definitieve aanslag

Deze voorlopige aanslag wordt automatisch een definitieve aanslag als:

Er geen wijziging optreedt in uw huidige situatie in het betreffende belasting jaar.’

Deze passage is niet juist. Blijkens het arrest HR 16 oktober 1991, nr. 26 416, BNB 1991/399, moet een voorlopige aanslag die niet binnen de aanslagtermijn wordt omgezet in een definitieve aanslag worden vernietigd.

proceskosten:

Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot het Hof belanghebbendes proceskosten op € 20 aan reis- en verblijfkosten. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is het Hof niet gebleken.

beslissing:

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar en de voorlopige aanslag;

- gelast dat de Ambtenaar aan belanghebbende teruggeeft het voor het instellen van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 31;

- veroordeelt de Ambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 20;

- wijst het Intergemeentelijk Orgaan Rivierenland aan als de rechtspersoon die het griffierecht en de kosten aan belanghebbende moet vergoeden.

Aldus gedaan op 29 juni 2005 door mr. J.B.H. Röben, lid van de vijfde enkelvoudige belastingkamer. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van V.F.R. Woeltjes als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(V.F.R. Woeltjes) (J.B.H. Röben)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 13 juli 2005.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.