Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AT9295

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-07-2005
Datum publicatie
13-07-2005
Zaaknummer
21-006809-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Milieustrafzaak.

Aan door bestuurlijke instanties gewekte verwachtingen is het openbaar ministerie op zich niet gebonden. Van een uitdrukkelijke toezegging door of vanwege het openbaar ministerie dat verdachte niet zou worden vervolgd is bovendien niet gebleken. Ook anderszins kan niet worden gezegd dat de gang van zaken bij verdachte redelijkerwijs de verwachting kon wekken dat zij voor de in de tenlastelegging opgenomen strafbare feiten niet zou worden vervolgd. Integendeel kon verdachte uit de opstelling van de KMAR en het openbaar ministerie afleiden dat deze zich op het standpunt stelden dat haar handelingen strafrechtelijk niet door de beugel konden en dat zij daarvoor mogelijk vervolgd zou worden.

Het beroep op afwezigheid van alle schuld faalt omdat de brieven van de gemeente waarop men zich baseert, dateren van na de tenlastegelegde en bewezenverklaarde periode. Ten overvloede geldt dat verdachte uit de waarschuwingen van de KMAR en het openbaar ministerie kon afleiden dat het in elk geval niet zeker was dat het standpunt van de gemeente juist was. Daarom kan niet worden gezegd dat verdachte zonder meer op de mededelingen van de gemeente mocht vertrouwen.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer 8.1, geldigheid: 2005-07-11
Wet op de economische delicten, geldigheid: 2005-07-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 21-006809-04

Uitspraak d.d.: 11 juli 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank te Almelo van 11 november 2004 in de strafzaak tegen

[VERDACHTE],

gevestigd te [vestigingsplaats].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 27 juni 2005 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen nu het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde pleitnotitie betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu er sprake is van schending van het gelijkheids-, het opportuniteits- en het vertrouwensbeginsel.

Het hof verwerpt dit verweer. Vooropgesteld wordt dat niet kan worden gesproken van een zodanig handelen van het openbaar ministerie dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort is gedaan aan haar recht op een behoorlijke behandeling van haar strafzaak.

Het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen omdat niet is gebleken dat van gelijke gevallen sprake is.

Met betrekking tot het vertrouwens- en opportuniteitsbeginsel geldt het volgende. Uitgangspunt is dat het openbaar ministerie rekening dient te houden met de beginselen van een behoorlijke procesorde, welke onder meer meebrengen dat de voor het justitiële beleid verantwoordelijke organen niet handelen naar willekeur, doch – tenzij zwaarwegende belangen zich daartegen zouden verzetten – in gebondenheid jegens de verdachte aan toezeggingen welke bij laatstgenoemde gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Aan door bestuurlijke instanties gewekte verwachtingen is het openbaar ministerie op zich niet gebonden. Van een uitdrukkelijke toezegging door of vanwege het openbaar ministerie dat verdachte niet zou worden vervolgd is bovendien niet gebleken. Ook anderszins kan niet worden gezegd dat de gang van zaken bij verdachte redelijkerwijs de verwachting kon wekken dat zij voor de in de tenlastelegging opgenomen strafbare feiten niet zou worden vervolgd. Integendeel kon verdachte uit de opstelling van de KMAR en het openbaar ministerie afleiden dat deze zich op het standpunt stelden dat haar handelingen strafrechtelijk niet door de beugel konden en dat zij daarvoor mogelijk vervolgd zou worden.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 augustus 2003 tot en met 30 april 2004 in de gemeente Enschede, al dan niet opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een in of op perceel [perceel] gelegen inrichting, te weten een vliegclub met hangar, torentje en clubgebouw, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 3.1 onder a van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, heeft veranderd of de werking daarvan heeft veranderd, immers heeft zij, verdachte, toen aldaar genoemde inrichting uitgebreid met:

- een mobiele opslag van duizend liter, in elk geval een grote hoeveelheid vliegtuigbrandstof (AVGAS) en/of

- het overpompen van vliegtuigbrandstof van de mobiele opslag naar de vaste opslagtank en/of

- het aftanken van vliegtuigen op een niet vloeistofdichte vloer, althans zonder bodembeschermende voorziening en/of

- het vliegen met vliegtuigen op meer en/of andere dagen dan de toegestane zaterdagen en/of

- het taxiën met vliegtuigen van en naar de inrichting, te weten de hangar;

art. 8.1 lid 1 ahf/ond b Wet milieubeheer.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Ter terechtzitting in hoger beroep zijn door en namens verdachte verweren per onderdeel van de tenlastelegging gevoerd. De verschillende onderdelen worden hierna behandeld.

Een mobiele opslag van duizend liter

Blijkens de voorschriften (onderdeel 13) verbonden aan de milieuvergunning die op 7 oktober 1997 door de Burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede aan verdachte is verleend, dient opslag van vliegtuigbenzine te geschieden in een metalen tank van 750 liter. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de vertegenwoordiger van verdachte verklaard dat drie tot vier jaar geleden (het hof begrijpt: omstreeks 2001) – naast de vaste opslagtank van 750 liter – een zogenaamde Intermediate Bulk Container

(IBC) is aangekocht met een capaciteit van 1000 liter. Namens de verdachten is ter terechtzitting in hoger beroep betwist dat de IBC kan worden aangemerkt als een mobiele opslag nu de vliegtuigbenzine in de IBC telkens direct nadat deze uit Duitsland was opgehaald, werd overgetankt naar de vaste opslag.

Het hof stelt voorop dat ook het tijdelijk bewaren van vliegtuigbenzine in een IBC als opslag kan worden aangemerkt. [Vertegenwoordiger 1 van verdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de IBC voorheen telkens in Duitsland werd volgetankt. Het hof acht – anders dan door de vertegenwoordiger van verdachte is betoogd – niet aannemelijk dat de mobiele opslag met een capaciteit van 1000 liter na bevoorrading telkens op het terrein van verdachte volledig kon worden overgetankt naar de vaste opslag van 750 liter en de binnen de inrichting aanwezige vliegtuigen. De heer [vertegenwoordiger 2 van verdachte], secretaris van [verdachte], verklaarde op 8 juni 2004 tegenover verbalisanten bovendien dat na het vullen van de vaste opslagtank een hoeveelheid van ongeveer 200 liter in de aanhangwagen (het hof begrijpt: de mobiele opslag) overbleef (dossierpagina 196). Met de aanwezigheid van de mobiele opslag heeft verdachte de inrichting uitgebreid en derhalve veranderd.

Het overpompen van vliegtuigbrandstof van de mobiele opslag naar de vaste opslagtank

Het bevoorraden van de vaste opslagtank door middel van een mobiele opslag vormt op zich geen uitbreiding van de inrichting. Het vullen van een vaste opslagtank – die deel uitmaakt van de inrichting – is inherent aan de aanwezigheid van de vaste opslagtank. Dat de vliegtuigbrandstof afkomstig is van een niet toegestane mobiele opslag doet daar niet aan af. Het hof zal de verdachte derhalve vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Het aftanken van vliegtuigen op een vloeistofdichte vloer, althans zonder bodembeschermende voorziening

Zo er al sprake is van het afleveren van brandstof op een niet vloeistofdichte vloer – of, zoals in de vergunningsvoorschriften onder 13.35 wordt voorgeschreven, niet op een aaneengesloten verharding – impliceert dit niet een uitbreiding van de inrichting. Hooguit is er sprake van een overtreding van voorschrift 13.35 van de vergunning. Nu deze overtreding niet is tenlastegelegd, dient de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

Het vliegen met vliegtuigen op meer en/of andere dagen dan de toegestane zaterdagen

Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het nooit de bedoeling van [verdachte] is geweest om uitsluitend op zaterdagen te vliegen.

Het hof overweegt als volgt. In onderdeel 1 (werktijden/personeel) van de vergunningaanvraag Wet milieubeheer is namens verdachte als werktijd van maandag tot en met zondag aangegeven: van 08.00 uur tot 24.00 uur. Enkel en alleen de werktijd op zaterdag is gemarkeerd met een sterretje. Onder de werktijdentabel is een sterretje geplaatst met de tekst “vliegen”. De twee sterretjes verwijzen klaarblijkelijk naar elkaar. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep geen plausibele andersluidende verklaring kunnen geven voor deze aanduiding. Hoewel de werktijdentabel niet uitblinkt in helderheid, is het niet aannemelijk dat in de vergunningsaanvraag – die deel uitmaakt van de verleende milieuvergunning – bedoeld is aan te geven dat ook op andere dagen dan de zaterdag zou worden gevlogen. Nu de heer [vertegenwoordiger 2 van verdachte] op 8 juni 2004 tegenover verbalisanten heeft verklaard dat er ook op andere dagen dan op de zaterdagen wordt gevlogen (dossierpagina 199), heeft de verdachte de inrichting uitgebreid en derhalve zonder vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer veranderd.

Het taxiën met vliegtuigen van en naar de inrichting

Het hof acht – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal – uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet aannemelijk dat er met vliegtuigen van en naar de inrichting is getaxied. De verdachte wordt derhalve van dit onderdeel vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zij op tijdstippen in de periode van 27 augustus 2003 tot en met 30 april 2004 in de gemeente Enschede opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een in of op perceel [perceel] gelegen inrichting, te weten een vliegclub met hangar, torentje en clubgebouw, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 3.1 onder a van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, heeft veranderd, immers heeft zij, verdachte, toen aldaar genoemde inrichting uitgebreid met:

- een mobiele opslag van duizend liter, in elk geval een grote hoeveelheid vliegtuigbrandstof (AVGAS) en

- het vliegen met vliegtuigen op meer en andere dagen dan de toegestane zaterdagen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Namens de verdachte is ter terechtzitting een beroep gedaan op afwezigheid van alle schuld nu de verdachte op de constateringen van de gemeente, die aangaf dat verdachte in overeenstemming met de verleende vergunning handelde, mocht vertrouwen.

Het beroep faalt omdat de brieven van de gemeente waarop men zich baseert, dateren van na de tenlastegelegde en bewezenverklaarde periode. Ten overvloede geldt dat verdachte uit de waarschuwingen van de KMAR en het openbaar ministerie kon afleiden dat het in elk geval niet zeker was dat het standpunt van de gemeente juist was. Daarom kan niet worden gezegd dat verdachte zonder meer op de mededelingen van de gemeente mocht vertrouwen.

Verdachte is strafbaar, nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op het maatschappelijk functioneren van verdachte en haar draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Nu het hof drie van de vijf tenlastegelegde onderdelen niet bewezen acht, zal het hof de verdachte een lagere straf opleggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a (oud), 2 en 6 (oud) van de Wet op de economische delicten en artikel 8.1 van de Wet milieubeheer.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 2.000,-- (tweeduizend euro).

Beveelt, dat een gedeelte van de geldboete, groot € 1.000,-- (duizend euro), niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr Van Houten, voorzitter,

mrs Koksma en Hendriks, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr Beaujean, griffier,

en op 11 juli 2005 ter openbare terechtzitting uitgesproken.