Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AT9107

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
05-07-2005
Datum publicatie
12-07-2005
Zaaknummer
2005/102
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende i.d.z.v. art 798 Rv. Man die in nauwe betrekking tot kind staat kan wel ontvangen worden in verzoek om omgang, maar is geen belanghebbende in kader van verzoek ondertoezichtstelling (OTS) van kind.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 798
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2005/95
RFR 2005, 121
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 juli 2005

Familiekamer

Rekestnummer 102/2005

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, verder te noemen “de vrouw”,

procureur mr B.J. Schadd,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder, verder te noemen “de man”,

procureur mr J.C.N.B. Kaal.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Zutphen van 10 november 2004, uitgesproken onder zaaknummer 64399 FARK 04/1523.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 4 februari 2005, is de vrouw in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De vrouw verzoekt het hof die beschikking te vernietigen voor zover het betreft de verklaring voor recht dat de man in procedures met betrekking tot de ondertoezichtstelling van de minderjarige en uitvoering daarvan als belanghebbende aangemerkt dient te worden alsmede voor zover het betreft de vaststelling dat de man recht heeft op omgang met de minderjarige, waarbij de vorm en de frequentie van de omgangsregeling wordt overgelaten aan de in het kader van de ondertoezichtstelling van de minderjarige aangestelde gezinsvoogd. De vrouw verzoekt het hof opnieuw beschikkende, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, de man in deze verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans de verzoeken af te wijzen.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 7 maart 2005, heeft de man het verzoek in hoger beroep van de vrouw bestreden. Hij verzoekt het hof het door de vrouw ingestelde hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 31 mei 2005 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de vrouw bijgestaan door mr M.L.J. Wekking, advocaat te Apeldoorn, en de man bijgestaan door mr E.S. Florijn, advocaat te Vught. Namens het Bureau Jeugdzorg Gelderland (verder te noemen “BJG”) is verschenen de heer [...]. Namens de Raad voor de Kinderbescherming te Zutphen is niemand verschenen.

2.4 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een brief van de raad van 14 februari 2005 met als bijlagen door de raad uitgebrachte rapportages van respectievelijk 6 april 1998 en 22 maart 2004 en de door BJG uitgebrachte screeningsrapportage van 10 november 2003.

3 De vaststaande feiten

3.1 Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Op [geboortedatum] 1996 is [de dochter] (verder te noemen “[de dochter]”) uit de vrouw geboren. Vanaf de geboorte heeft de man het kind mede opgevoed. De man heeft vanaf het moment dat de vrouw vier maanden zwanger was van [de dochter] in 1996 tot januari 1998, althans 2000, met de vrouw en [de dochter] in gezinsverband samengewoond. Daarna is er in onderling overleg een omgangsregeling tussen de man en [de dochter] geweest. Uit een rapport van Sanquin Diagnostiek, afdeling Vaderschapsonderzoek, te Amsterdam, van 15 september 2004, blijkt dat de man niet de biologische vader is van [de dochter].

3.2 De Stichting Jeugdbescherming en Jeughulpverlening Gelderland is vanaf 20 november 1996 tot voogdes benoemd in verband met de minderjarigheid van de vrouw. Bij beschikking van de rechtbank Zutphen, sector kanton, locatie Apeldoorn, van 18 mei 1998 is de vrouw alleen belast met het ouderlijk gezag over [de dochter].

3.3 De kinderrechter te Zutphen heeft bij beschikking van 23 maart 2004 [de dochter] voorlopig onder toezicht gesteld van BJG en een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. [de dochter] is daarop uit huis geplaatst in jeugdhuis De Enk te Apeldoorn. Bij beschikking van 13 april 2004 heeft de kinderrechter te Zutphen [de dochter] tot 23 maart 2005 definitief onder toezicht gesteld met benoeming van BJG tot gezinsvoogdij-instelling. [de dochter] is op 23 juli 2004 teruggeplaatst bij de vrouw en op 22 april 2005 nogmaals uit huis geplaatst en wel bij een pleeggezin.

3.4 BJG heeft een schema ten behoeve van contactherstel tussen de man en [de dochter] opgesteld, gedateerd 6 december 2004. Hierin zijn naast belafspraken opgenomen dat [de dochter] op 7 januari 2005 begeleid contact heeft met de man en op 14 januari 2005 omgang heeft inclusief een overnachting. Op 10 januari 2005 heeft BJG een aanwijzing gegeven inhoudende dat partijen zich moeten houden aan de belafspraken zoals in de bezoekregeling opgenomen. Bij beschikking van de kinderrechter te Zutphen van 15 februari 2005 is het verzoek van de vrouw tot vervallenverklaring van deze aanwijzing afgewezen.

3.5 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank te Zutphen op 25 augustus 2004, heeft de man verzocht - voor zover thans van belang - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat hij gerechtigd zal zijn tot omgang met [de dochter] en te verklaren voor recht dat de man in alle (gerechtelijke) procedures met betrekking tot de minderjarige als belanghebbende aangemerkt zal dienen te worden. De man heeft in zijn verzoekschrift aangegeven dat de omgang met [de dochter] zou moeten inhouden dat de man met ingang van heden tweemaal per week (op woensdag- en op zondagmiddag) telefonisch contact heeft, dat de man na verloop van twee weken op vrijdag- dan wel op zondagmiddag gedurende twee uur een bezoek aan [de dochter] brengt en vervolgens dat na verloop van een maand een gedeeltelijk herstel van de in het verleden gebruikelijke regeling plaatsvindt, inhoudende dat [de dochter] eenmaal per veertien dagen gedurende een weekeinde van vrijdagavond 19.00 uur tot zondagavond 18.00 uur bij de man zal zijn alsmede gedurende de helft van de zomervakantie en een gedeelte van de kerstvakantie.

3.6 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank - voor zover thans van belang - voor recht verklaard dat de man in procedures met betrekking tot de ondertoezichtstelling van [de dochter] en de uitvoering daarvan als belanghebbende dient te worden aangemerkt en voorts bepaald dat de man recht heeft op omgang met de minderjarige, waarbij de vorm en frequentie van de omgangsregeling wordt overgelaten aan de in het kader van de ondertoezichtstelling van [de dochter] aangestelde gezinsvoogd.

4 De motivering van de beslissing

4.1 Ingevolge artikel 1:377f BW kan de rechter op verzoek een omgangsregeling vaststellen tussen een kind en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot dat kind, tenzij het belang van het kind zich tegen toewijzing van het verzoek verzet of indien het kind, dat twaalf jaar of ouder is, bezwaar maakt.

4.2 Voor de ontvankelijkheid van het verzoek van de man is vereist dat hij stelt, en bij betwisting aantoont, dat hij in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat. Nu de man - onbetwist door de vrouw - heeft gesteld dat hij in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, is de man ontvankelijk in zijn verzoek.

4.3 De vrouw stelt dat een omgangsregeling tussen [de dochter] en de man voor de vrouw niet te hanteren is, en legt ter onderbouwing daarvan een schrijven over van mevrouw [...] van 30 december 2004. De omgangsregeling brengt de vrouw uit balans, hetgeen zijn weerslag heeft op [de dochter]. Zonder contacten tussen de man en de vrouw, kan de vrouw zich redelijk staande houden. Het belang van de vrouw en van [de dochter] staat voorop. De vrouw moet al haar energie kunnen stoppen in haar therapie hetgeen een positieve werking naar [de dochter] zal hebben. De vrouw werkt intensief aan haar therapie. Het gaat beter met haar en zij heeft haar medicatie kunnen terugbrengen. Blijkens een nieuw onderzoek is er geen sprake van borderline-problematiek. Indien de situatie rondom de vrouw en [de dochter] gestabiliseerd is, zou in de toekomst een omgangsregeling met de man tot stand gebracht kunnen worden. De man belast [de dochter] met de mededeling dat zij een broertje of zusje krijgt. Deze mededeling is verwarrend, nu de man niet de biologische vader van [de dochter] is. De man dreigt in telefoongesprekken de gezinsvoogd te informeren wanneer [de dochter] aangeeft iets niet te willen. De communicatieproblemen tussen de vrouw en de man zijn zodanig ernstig, dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat [de dochter] klem of verloren dreigt te raken tussen de vrouw en de man indien de omgangsregeling wordt gecontinueerd. Een omgangsregeling is niet in het belang van [de dochter]. Op dit moment loopt er een omgangsregeling waarbij [de dochter] eenmaal per zes weken een dag en een nacht naar de man gaat. [de dochter] wil niet vaker naar de man gaan. De vrouw stemt ermee in wanneer [de dochter] door het hof zou worden gehoord omtrent de omgangsregeling, nu [de dochter] zeer goed in staat is haar mening onder woorden te brengen. [de dochter] is uit huis geplaatst, maar er is uitzicht op terugkeer bij de vrouw. De vrouw belt [de dochter] eenmaal per drie weken, ziet [de dochter] eenmaal per drie weken een weekend van vrijdag tot en met zondag en ziet haar bovendien iedere vrijdag wanneer ze haar haalt en brengt van het pleeggezin naar de kopgroep.

4.4 De man voert aan dat hij een nauwe persoonlijke band heeft met [de dochter]. De man is de belangrijkste stabiele factor in het leven van [de dochter]. De vrouw heeft haar problemen nog lang niet opgelost. De vrouw beïnvloedt [de dochter] bij een telefoongesprek met de man en laat [de dochter] blijken dat zij niet wenst dat er omgang plaatsvindt. [de dochter] beschouwt de man als haar vader. De man doet geen negatieve uitlatingen omtrent de vrouw tijdens de omgang. Zolang de vrouw haar gedrag niet verandert, is het gevaar van een loyaliteitsconflict reëel. Nu [de dochter] uit huis geplaatst is, kan er omgang plaatsvinden, zonder dat [de dochter] daar negatieve gevolgen van ondervindt.

4.5 BJG heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling aangegeven dat er op dit moment een omgangsregeling loopt tussen de man en [de dochter] die goed verloopt. [de dochter] heeft de eerste keer gehuild toen ze naar de man zou gaan, maar na een bevestigend antwoord op de vraag of ze echt naar de man mocht gaan, klaarde ze op. Ze heeft het naar haar zin tijdens de omgang, maar heeft geen behoefte aan omgang langer dan een dag en een nacht zoals de lopende regeling inhoudt. De omgangsregeling loopt soepeler, nu [de dochter] in een pleeggezin verblijft. De toekomst van [de dochter] hangt af van de behandeling van de vrouw.

4.6 Het hof acht zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen, zodat geen noodzaak bestaat om een nader onderzoek te gelasten.

4.7 De communicatie tussen partijen is weliswaar verstoord, zoals beide partijen aangeven, maar de bezwaren van de vrouw tegen de omgangsregeling worden weggenomen door het feit dat [de dochter] onder toezicht is gesteld en uit huis is geplaatst en de uitvoering van de omgangsregeling in handen van de gezinsvoogd is gelegd. De vrouw heeft tegenover de gemotiveerde betwisting van de man en de verklaring van BJG bij gelegenheid van de mondelinge behandeling onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de omgangsregeling niet in het belang van [de dochter] is.

4.8 Het hof zal daarom de beschikking van de rechtbank bekrachtigen voor zover daarin is bepaald dat de man recht heeft op omgang met [de dochter], waarbij de invulling van de vorm en frequentie van de omgangsregeling wordt overgelaten aan de in het kader van de ondertoezichtstelling van [de dochter] aangestelde gezinsvoogd.

4.9 De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte een verklaring voor recht heeft gegeven dat de man als belanghebbende in procedures in het kader van ondertoezichtstelling van [de dochter] dient te worden aangemerkt. De rechtbank past de in artikel 798 lid 1 Rv gegeven definitie van ‘belanghebbende’ onjuist toe. De belanghebbende is degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. De man kan wel een direct belang hebben bij [de dochter] en recht hebben op een omgangsregeling maar dat betekent nog niet dat zijn rechten of verplichtingen bij een dergelijke zaak rechtstreeks in het geding zijn. De vrouw wil niet dat de man kennis neemt van privé informatie betreffende de vrouw. De mening van de man is niet van belang bij een beoordeling van een procedure met betrekking tot ondertoezichtstelling. Het is niet haalbaar om bij elke procedure naar de rechter te stappen om bezwaar te maken tegen informatieverstrekking aan de man.

4.10 De man voert aan dat hij een nauwe persoonlijke band met [de dochter] heeft. Zijn verzoek om vaststelling van een omgangsregeling is door de rechtbank gehonoreerd. De gezinsvoogd kan een verzoek tot wijziging van die omgangsregeling doen (artikel 1:263b BW). Een ondertoezichtstelling is derhalve van invloed op de rechtspositie van de man; de man dient als belanghebbende aangemerkt te worden. Wanneer de vrouw bezwaar heeft tegen informatieverstrekking aan de man kan ze op grond van artikel 811 lid 2 Rv bezwaar daartegen maken.

4.11 Dat de man in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot [de dochter] staat onbetwist vast, hetgeen in het onderhavige geval uitmondt in een recht op omgang op de voet van artikel 1:377h BW. Nu er geen familierechtelijke betrekking bestaat tussen de man en [de dochter], de man is immers niet haar biologische vader, kan de man geen andere rechten ten aanzien van [de dochter] doen gelden op grond van boek 1 BW. De rechten van de man kunnen derhalve alleen bij procedures betreffende de omgangsregeling rechtstreeks in het geding zijn. Wanneer in het kader van de ondertoezichtstelling dan wel de uithuisplaatsing zijn recht op omgang wordt gefrustreerd, dan biedt artikel 1:377f BW de man de ingang tot de rechter om een omgangsregeling te doen vaststellen. Het hof zal de beschikking van de rechtbank derhalve vernietigen en het verzoek van de man in zoverre alsnog afwijzen.

5 De slotsom

Op grond van hetgeen hierboven is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te bekrachtigen ten aanzien van het recht van de man op een omgangsregeling met [de dochter] en te vernietigen wat betreft de daarbij gegeven verklaring voor recht.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank te Zutphen van 10 november 2004 voor zover daarin is bepaald dat de man recht heeft op omgang met [de dochter], waarbij de vorm en frequentie van de omgangsregeling wordt overgelaten aan de in het kader van de ondertoezichtstelling van [de dochter] aangestelde gezinsvoogd;

vernietigt deze beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de man om een verklaring voor recht dat hij in procedures met betrekking tot de ondertoezichtstelling van [de dochter] als belanghebbende moet worden aangemerkt af;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs Van Ginkel, Rijken en Wesseling-Lubberink en is op 5 juli 2005 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier. Deze beschikking is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr Wesseling-Lubberink.