Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AT8880

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
21-06-2005
Datum publicatie
07-07-2005
Zaaknummer
047/2005
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatie, vrouw vraagt vastlegging van bij convenant overeengekomen bijdrage, man voert voor het eerst in hoger beroep als verweer dat hij geen draagkracht heeft. Verweer faalt omdat de man alleen via verzoek op basis van art. 1:401 lid 5 BW wijziging van alimentatieovereenkomst kan vragen, en dat kan niet voor het eerst in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2005/86
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 juni 2005

Familiekamer

Rekestnummer 47/2005

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, verder te noemen “de man”,

procureur mr P.J.M. Hermsen,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster, verder te noemen “de vrouw”,

procureur mr M.C.A. Nijenhuis-Schoutsen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 25 oktober 2004, uitgesproken onder zaak/rekestnummer 117419 / FA RK 04-12110.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 21 januari 2005, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Hij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende het verzoek van de vrouw tot vaststelling van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de hierna te noemen minderjarigen alsnog af te wijzen, kosten rechtens.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 21 februari 2005, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. Zij verzoekt het hof dat verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 26 mei 2005 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de man bijgestaan door zijn procureur en de vrouw bijgestaan door mr J.B. Nijenhuis, advocaat te Velp.

3 De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Uit de inmiddels verbroken relatie van partijen zijn geboren:

- [J.], op 10 april 1997 en

- [D.], op 22 juli 2001,

over wie de vrouw van rechtswege het gezag uitoefent.

3.2 Partijen zijn in het door hen op 4 oktober 2002 ondertekende boedelscheidingsconvenant overeengekomen dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 113,45 per kind per maand zal betalen en dat dat bedrag jaarlijks per 1 januari verhoogd wordt door middel van een van rechtswege vastgesteld percentage.

3.3 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank te Arnhem op 27 augustus 2004, heeft de vrouw verzocht met ingang van 24 september 2002 een bijdrage vast te stellen in de kosten van verzorging en opvoeding van [J.] en [D.] van € 113,45 per kind per maand, maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen, te vermeerderen met de jaarlijkse wettelijke verhogingen en met de door de man eventueel te veroorzaken executiekosten.

3.4 Bij de bestreden -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking heeft de rechtbank onder meer bepaald dat de man met ingang van 24 september 2002 dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met € 113,45 per kind per maand, in de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen en dat de kosten van tenuitvoerlegging ten laste van de man komen, voor het geval deze door hem worden veroorzaakt. De man heeft in eerste aanleg geen verweer gevoerd.

Ten aanzien van de man

3.5 De man is alleenstaand. In het door partijen op 4 oktober 2002 ondertekende boedelscheidingsconvenant is te lezen dat de man destijds een netto inkomen van € 1.270,58 netto per maand ontving. Blijkens de specificatie van 13 oktober 2004 ontvangt de man een WW-uitkering van € 651,32 bruto/€ 467,27 netto per 4 weken, te vermeerderen met vakantietoeslag. Blijkens de specificatie van 5 oktober 2004 ontvangt de man een WAO-uitkering van € 207,06 bruto/€ 204,48 netto per maand. De man is tegen ziektekosten verzekerd krachtens de Ziekenfondswet.

3.6 De man betaalt een bedrag van € 489,80 per maand aan hypotheekrente.

Ten aanzien van de vrouw

3.7 De vrouw vormt met de kinderen van partijen een gezin.

4 De motivering van de beslissing

4.1 De man betwist niet dat behoefte bestaat aan de vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, zodat die behoefte in rechte vaststaat.

4.2 De man stelt dat de tussen partijen gesloten overeenkomst van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan en dat zijn draagkracht ontoereikend is om enige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te betalen. De vrouw betwist dat.

4.3 Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de man erkend dat hij het boedelscheidingsconvenant op 4 oktober 2002 heeft ondertekend. De vrouw heeft bij de rechtbank verzocht om vaststelling van de in dat convenant opgenomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, zodat zij over een executoriale titel kan beschikken. De man heeft gesteld dat de bijdrage van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan, aangezien bij de bepaling daarvan van een te hoog inkomen van hem is uitgegaan.

4.4 Het hof is van oordeel dat de man enkel aan de in de overeenkomst van 4 oktober 2002 vastgestelde onderhoudsverplichting jegens de kinderen kan ontkomen door wijziging of intrekking van die overeenkomst te vragen op grond van het bepaalde in de leden 1 en 5 van artikel 1:401 BW. De man had daartoe in eerste aanleg een zelfstandig verzoek kunnen indienen. Hij heeft dat echter niet gedaan; hij is in die instantie immers niet verschenen. Hij kan in hoger beroep geen zelfstandig verzoek doen (artikel 362 Rv.). Het hoger beroep van de man kan dus niet tot vernietiging van de bestreden beschikking leiden.

5 De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hierboven is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 25 oktober 2004;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs Van den Dungen, Van Ginkel en Van Ginhoven en is op 21 juni 2005 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.