Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AT8792

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
08-06-2005
Datum publicatie
06-07-2005
Zaaknummer
04-00640
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting

Additionele afschrijving met betrekking tot een houten kantoorruimte die op last van de gemeente zal moeten worden verwijderd niet toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-1358
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

zesde enkelvoudige belastingkamer

nummer 04/00640/inkomstenbelasting/ premie

volksverzekeringen 2000

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende :X

te :Z

verweerder :de Inspecteur van de Belastingdienst te P

aangevallen beslissing :uitspraak op bezwaar

betreft :primitieve aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen 2000

nummer : X

mondelinge behandeling :op 25 mei 2005 te Arnhem

waarbij verschenen :de Inspecteur

waarbij niet verschenen :belanghebbende, met kennisgeving aan het Hof bij brief van 13 mei 2005 heeft belanghebbende medegedeeld niet aanwezig te zijn bij de mondelinge behandeling zonder daartoe een verzoek om uitstel te doen

gronden:

1. Belanghebbende geniet in het jaar 2000 winst uit onderneming als bedoeld in artikel 6 Wet op de inkomstenbelasting 1964.

2. Belanghebbende heeft op 14 februari 1997 een woonhuis met garage, kantoor, tuinhuisje, ondergrond, tuin en verder aanbehoren, staande en gelegen te Q, gekocht. Belanghebbende heeft f 54.000 voor het totale kantoorpand betaald, gesplist in f 12.000 voor de ondergrond en f 42.000 voor de opstallen van het kantoorgedeelte. De kantoorruimte bestond volgens belanghebbende uit een stenen-en prefabgedeelte (bestaande uit een houten unit tegen het eerder bestaande kantoorgedeelte aangebouwd).

3. Belanghebbende en de Inspecteur zijn overeengekomen om een jaarlijkse afschrijving van 2,5% van de aankoopprijs van het totale kantoorpand vanaf de aankoop van het kantoorpand te hanteren (f 1.050 per jaar).

4. In de aankoopakte is een artikel opgenomen waarin staat dat “koper verklaart ermee bekend en akkoord te zijn dat de houten kantoorunit tegen het bestaande kantoor op last van de gemeente Beuningen zal moeten worden verwijderd” - volgens belanghebbende - uiterlijk op het moment van staking van zijn kantoor.

5. Er is een taxatierapport opgemaakt door de Belastingdienst te P, waarbij de waarde in het economische verkeer per 31 december 2001 van de tot kantoorruimte verbouwde voormalige garage, inclusief aanbouw en ondergrond daarvan, is vastgesteld op f 33.056 (€ 15.000).

6. Belanghebbende wenst over het jaar 2000 een bedrag van f 27.327 - zijnde een additionele afschrijving danwel waardedaling - ten laste van de winst te brengen met betrekking tot (de aanbouw van) het kantoorpand. De Inspecteur betwist dat belanghebbende een dergelijk bedrag ten laste van de winst in het jaar 2000 mag brengen.

7. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat in het jaar 2000 een additionele afschrijving mag plaatsvinden omdat de restwaarde van het kantoorpand per 31 december 2000 nihil bedraagt. In dit kader betoogt belanghebbende dat het kantoorpand per 31 december 2000 bestond uit verrotte houten elementen, overige versleten elementen en een versleten dak en goten. Voorts heeft belanghebbende betoogd dat ten tijde van de invulling van de aangifte inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen 2000 al vast stond dat een deel, en wel het grootste deel, moest worden gesloopt per 31 december 2001 omdat belanghebbende stopte met zijn kantoor. De waardevermindering van dit deel kan dan volgens belanghebbende worden afgeschreven in de periode 1997 tot en met 2001.

8. Het Hof acht aannemelijk dat bij de bepaling van het afschrijvingspercentage van 2,5% met betrekking tot het kantoorpand reeds rekening is gehouden met het feit dat de houten kantoorunit tegen het bestaande kantoor, op termijn, zou moeten worden verwijderd.

9. Belanghebbende - op wie de bewijslast rust van een en ander - heeft met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt - en anderszins is ook niet aannemelijk geworden - dat de gebruiksduur of de restwaarde van de kantoorruimte in het jaar 2000 dient te worden aangepast noch dat er op de balansdatum sprake was van een lagere bedrijfswaarde. Belanghebbendes - kennelijke - beroep op een inhaalafschrijving faalt ook reeds omdat inhaalafschrijving niet is toegestaan (zie ook Hoge Raad 23 juni 1993, nr. 28 721, BNB 1994/18*, rechtsoverweging 3.6.).

10. Uit de stukken van het geding en het eerder genoemde taxatierapport blijkt dat de rijkstaxateur de waarde per 31 december 2001 van het kantoorpand, de aanbouw en de grond heeft bepaald op f 33.056, terwijl het totaal destijds is aangekocht voor een bedrag van f 54.000.

11. De Inspecteur heeft ter zitting medegedeeld dat zij met het Hof van oordeel is dat er in de periode van 1997 tot en met 2001 een waardevermindering heeft plaatsgevonden van f 20.944 en dat deze waardevermindering - voor zover deze niet reeds verdisconteerd is in de jaarlijkse afschrijvingen - uiteindelijk in het jaar 2001 tot de stakingswinst behoort.

12. Voor zover belanghebbende een beroep doet op de toepassing van het gelijkheidsbeginsel faalt dit daar belanghebbende geen feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit aannemelijk is geworden dat er sprake is van feitelijk en rechtens gelijke gevallen en dit ook niet anderszins aannemelijk is geworden.

13. Het Hof acht geen termen aanwezig voor de door belanghebbende gevraagde afwijkende kostenvergoeding van € 140,00 per uur. Belanghebbende grondt die eis op de omstandigheid dat sprake zou zijn van een fictieve weigering als bedoeld in artikel 6:2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Van een weigering als in genoemd artikel is echter geen sprake daar artikel 6:2, sub b, Awb het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkstelt. Tegen dit fictieve besluit had belanghebbende beroep kunnen instellen.

14. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende ermee heeft ingestemd dat de bezwaartermijn werd verlengd (artikel 7:10, vierde lid, Awb) door niet in beroep te gaan op het moment dat de termijn van artikel 25, eerste lid Algemene wet inzake rijksbelastingen was verstreken, de Inspecteur meerdere malen vruchteloos inlichtingen te laten vragen en door vanaf het moment van termijnoverschrijding door de Inspecteur meerdere malen om uitstel van motivering van zijn bezwaar te verzoeken. Ook is belanghebbende niet geschaad in zijn belangen omdat hij beroep heeft kunnen instellen - en heeft ingesteld - tegen de uiteindelijk op 15 maart 2004 gedane uitspraak op bezwaar.

15. Het gelijk is derhalve aan de inspecteur.

proceskosten:

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

beslissing:

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 8 juni 2005 door mr. J. Lamens, lid van de zesde enkelvoudige belastingkamer. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. S.R.M. Dekker als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(S.R.M. Dekker) (J. Lamens)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 21 juni 2005

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.