Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AT8733

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-06-2005
Datum publicatie
06-07-2005
Zaaknummer
2004/746
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

PMN heeft zich aan het oordeel van het hof gerefereerd.

PMN heeft er akte van gevraagd dat zij tot haar referte besloten heeft omdat zij geen rechtstreeks belang meer heeft bij de uitkomst van het onderhavige geschil nu het ziekenhuis ertoe besloten heeft het management van haar parkeerfaciliteiten in eigen hand te nemen. Dat kan het hof niet anders verstaan dan aldus dat PMN geen belang meer heeft bij de door haar gevraagde voorlopige voorziening die immers strekt tot heraanbesteding van dit parkeermanagement, zodat het hof haar met vernietiging van het bestreden vonnis in haar vordering niet-ontvankelijk dient te verklaren. Voorzover partijen menen dat zij belang hebben bij een “principiële” beantwoording van tussen hen spelende rechtsvragen, overweegt het hof dat een kort geding als het onderhavige gezien de op een concrete belangenafweging gebaseerde voorlopige aard van de daarin te geven beslissing, zich niet leent voor beantwoording van die vragen in abstracto, nog daargelaten de vraag of zulks in een bodemprocedure voldoende belang in de zin van artikel 3:303 Burgerlijk Wetboek zou opleveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 juni 2005

eerste civiele kamer

rolnummer 2004/00746KG

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de stichting Interconfessionele Stichting Gezondheidszorg Rivierenland,

gevestigd te Tiel,

appellante,

procureur: mr E.W.J. van Dijk,

tegen:

de commanditaire vennootschap Parkeermanagement Nederland C.V.,

gevestigd te Den Haag,

geïntimeerde,

procureur: mr J.M. Bosnak.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van het vonnis van 9 juli 2004 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem tussen geïntimeerde (hierna ook te noemen: PMN) als eiseres en appellante (hierna ook te noemen: het ziekenhuis) als gedaagde in kort geding heeft gewezen; van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Het ziekenhuis heeft bij exploot van 5 augustus 2004 aan PMN aangezegd van dat vonnis in hoger beroep te komen, met haar dagvaarding voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft het ziekenhuis twaalf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, heeft het producties in het geding gebracht en heeft het gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, PMN alsnog in haar vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, althans haar deze zal ontzeggen, met haar veroordeling in de kosten van beide instanties.

2.3 PMN heeft zich aan het oordeel van het hof gerefereerd. Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 PMN heeft er akte van gevraagd dat zij tot haar referte besloten heeft omdat zij geen rechtstreeks belang meer heeft bij de uitkomst van het onderhavige geschil nu het ziekenhuis ertoe besloten heeft het management van haar parkeerfaciliteiten in eigen hand te nemen. Dat kan het hof niet anders verstaan dan aldus dat PMN geen belang meer heeft bij de door haar gevraagde voorlopige voorziening die immers strekt tot heraanbesteding van dit parkeermanagement, zodat het hof haar met vernietiging van het bestreden vonnis in haar vordering niet-ontvankelijk dient te verklaren. Voorzover partijen menen dat zij belang hebben bij een “principiële” beantwoording van tussen hen spelende rechtsvragen, overweegt het hof dat een kort geding als het onderhavige gezien de op een concrete belangenafweging gebaseerde voorlopige aard van de daarin te geven beslissing, zich niet leent voor beantwoording van die vragen in abstracto, nog daargelaten de vraag of zulks in een bodemprocedure voldoende belang in de zin van artikel 3:303 Burgerlijk Wetboek zou opleveren.

3.2 Nu het hof niet toekomt aan een beoordeling van de vordering van PMN, dient zij als in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep verwezen te worden. Nu de gewijzigde opstelling van het ziekenhuis aan PMN het belang bij haar oorspronkelijke vordering heeft ontnomen, acht het hof termen aanwezig de proceskosten in eerste aanleg te compenseren.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank te Arnhem van 9 juli 2004 en doet opnieuw recht;

verklaart PMN in haar vordering niet-ontvankelijk;

compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg des dat elke partij met de aan haar zijde gevallen kosten belast blijft;

veroordeelt PMN in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van het ziekenhuis begroot op € 894 voor salaris van de procureur en € 468,78 voor verschotten;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs Mannoury, Hilverda en Van den Brink en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juni 2005.