Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AT7150

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
07-06-2005
Datum publicatie
09-06-2005
Zaaknummer
2004/751
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof deelt niet de opvatting dat alleen reeds vanwege het verhoogd gevaar dat uitgaat van het rijden met een auto met een gebrek waaruit brand kan ontstaan naar verkeersopvattingen het van dat gebrek uitgaande risico voor rekening van [X.] als eigenaar of bestuurder van de auto komt. Motorrijtuigen zijn, naar de huidige stand van zaken, doorgaans voorzien van verbrandingsmotoren die in bedrijf worden gehouden door naar hun aard brandbare motorbrandstoffen. Motorrijtuigen zijn bovendien steeds voorzien van elektrische installaties die bij voorbeeld gevaar van kortsluiting of van vonkafgifte met zich brengen. Dit zijn in het maatschappelijk verkeer op zich aanvaarde risico’s. Zo is het rijden over een weg met een aldus uitgerust motorrijtuig evenzeer een maatschappelijk aanvaard risico. Ook bij voldoende onderhoud kunnen zich - onverwacht - technische gebreken aan een motorrijtuig voordoen, die tot het in brand raken van het voertuig kunnen leiden, welke gebreken veelal eerst bij het rijden kunnen blijken. Van de bestuurder van het motorrijtuig kan niet gezegd worden dat hij door het enkele feit van het rijden over de weg met een aldus uitgerust en in het maatschappelijk verkeer aanvaard motorrijtuig dat op een onverwacht moment een onverwacht gebrek kan vertonen, waaruit brand kan ontstaan, een eenzijdig risico in het leven roept, dat uitgaat boven het algemene risico dat het algemeen aanvaarde gemotoriseerde wegverkeer met zich pleegt te brengen. Niet gezegd kan worden dat de redelijkheid alsdan zonder meer gebiedt de kosten van wegherstel in dat geval voor rekening van de bestuurder of de eigenaar van het motorrijtuig te brengen. De omstandigheid dat de bestuurder de keuze maakt om over de weg te gaan rijden, maakt dit ten opzichte van de wegeigenaar of wegbeheerder niet anders, aangezien de weg - hier niet ter zake doende uitzonderingen daargelaten - juist is bestemd en ingericht voor dit gemotoriseerde verkeer. In dit licht is er ook geen grond om op grond van verkeersopvattingen de onderhavige schade aan het wegdek voor rekening voor de eigenaar of bestuurder van het motorrijtuig te brengen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 185
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2005, 311
VR 2006, 7
O&A 2005, 77
JA 2005/76
Jwr 2005/65 met annotatie van TvdP
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 juni 2005

derde civiele kamer

rolnummer 2004/751

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

Ohra Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Arnhem,

appellante,

procureur: mr W.H.B.M. Litjens,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden

(Ministerie van Verkeer en Waterstaat),

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

geïntimeerde,

procureur: mr J.M. Bosnak.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van het vonnis van 25 februari 2004 dat de rechtbank Arnhem tussen appellante (hierna ook te noemen: Ohra) als gedaagde en geïntimeerde (hierna ook te noemen: de Staat) als eiser heeft gewezen. Van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Ohra heeft bij exploot van 19 mei 2004 aangezegd van dat vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van de Staat voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft Ohra vier grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de Staat in zijn vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, althans deze hem zal ontzeggen, althans de gevorderde schade, indien deze wordt gebaseerd op hetzij artikel 185 WVW hetzij toerekening van de oorzaak van het voorval krachtens artikel 6:162 BW op grond van verkeersopvattingen, zal toewijzen tot een bedrag gelijk aan de dagwaarde van het motorrijtuig inclusief BTW ten tijde van het ongeval, namelijk een bedrag van € 8.168,03, met veroordeling van de Staat in de kosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft de Staat verweer gevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van Ohra in de kosten van [bedoeld zal zijn:] het hoger beroep.

2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 1 tot en met 5 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

a. Op 9 augustus 1995 reed [X.] als bestuurder van een hem in eigendom toebehorende personenauto, gekentekend [...], over de Rijksweg 28 in de toenmalige gemeente Vries, toen dit motorrijtuig door onbekende oorzaak in brand raakte.

b. Door die brand is schade aan het wegdek van Rijksweg 28 ontstaan, waarvan de herstelkosten fl. 11.766,50 ofwel € 5.339,40, exclusief wettelijke rente, beliepen.

c. De burgerrechtelijke aansprakelijkheid, waartoe dit motorrijtuig in het verkeer aanleiding kon geven, was ten tijde van het voorval krachtens verzekeringsovereenkomst bij Ohra verzekerd.

d. Bij brieven van 24 oktober 1995 heeft de Staat zowel [X.] als Ohra aansprakelijk gesteld voor de door de Staat geleden schade.

4.2 Bij inleidende dagvaarding van 6 februari 2003 heeft de Staat op de voet van artikel 6 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) gevorderd Ohra te veroordelen tot vergoeding van die schade met veroordeling van Ohra in de proceskosten, primair op grond van het bepaalde in artikel 185 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW), subsidiair op grond van een aan [X.] toe te rekenen onrechtmatige daad. De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis de verweren van Ohra verworpen en die vordering op de primaire grondslag toegewezen.

4.3 Grief 2 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat onder een verkeersongeval in de zin van artikel 185 WVW ook is te begrijpen een op de weg in brand raken van een motorrijtuig waarbij schade wordt toegebracht aan het wegdek terwijl geen botsing heeft plaatsgevonden. Dat oordeel is volgens Ohra onjuist, omdat met artikel 185 WVW door de wetgever, blijkens de wetsgeschiedenis, geen verruiming was beoogd ten opzichte van het voordien geldende artikel 31 Wegenverkeerswet, dat het spontaan uitbranden van een auto met als gevolg schade aan het wegdek niet onder het toepassingsbereik van die wetsbepaling schaarde.

4.4 Aan de wetsgeschiedenis van artikel 185 WVW (destijds in het bij de Tweede Kamer ingediende wetsontwerp aangeduid als artikel 174), in het bijzonder de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 22030, nr. 3, pag. 152) valt inderdaad te ontlenen dat artikel 174 van het wetsontwerp, afgezien van een wijziging ten opzichte van het tweede lid van artikel 31 Wegenverkeerswet, overeenkomt met laatstbedoelde wetsbepaling. Wel is ten opzichte van de tekst daarvan de redactie op enige punten gemoderniseerd. Wat betreft de term “verkeersongeval” is aansluiting gezocht bij de terminologie die bij het toenmalige artikel 5 van het wetsontwerp, de opvolger van artikel 36 Wegenverkeerswet, werd gevolgd. Inhoudelijk heeft – zo wordt gesteld in de memorie van toelichting – de regeling als gevolg van de modernisering geen wijziging ondergaan.

In de toelichting op het toenmalige artikel 5 (zie MvT pag. 67 e.v.) valt te lezen: “De tekst van het huidige artikel 36 stamt in grote lijnen nog uit de jaren dertig. Bij het vaststellen daarvan is destijds getracht iedere vorm waarin zich een ongeval met het te vermijden gevolg zou kunnen voordoen, in het artikel te omschrijven. Dat heeft ertoe geleid dat het ontstaan van een verkeersongeval is ontleed. Het ongeval kan zijn ontstaan bij gelegenheid van een botsing, aan- of overrijding met een motorrijtuig of bij gelegenheid van enige handeling ter voorkoming van een botsing, aan- of overrijding met dat motorrijtuig.

In de praktijk is het echter niet van belang of het verkeersongeval een botsing, aan- of overrijding betreft en evenmin of het ongeval voortvloeit uit een – mislukte – poging van een ander een dreigende botsing, aan- of overrijding te voorkomen (...)

Waar het om gaat is dat er een aan schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden. Het kan derhalve zijn dat een bestuurder door verwijtbaar gedrag zelf een ongeval, botsing, aan- of overrijding veroorzaakt; het kan ook zijn dat het verwijtbare gedrag van die bestuurder een ander noopt tot handelingen die, doordat die handelingen niet het beoogde effect hebben, tot een ongeval leiden met het te vermijden ernstige gevolg. In beide gevallen is echter sprake van een aan schuld van een bestuurder te wijten verkeersongeval. Om die reden is in artikel 5 gekozen voor een eenvoudige en duidelijke redactie”.

Uit de wetsgeschiedenis (Tweede Kamer, vergaderjaar 1991-1992, 22030, nr. 5, pag. 55) blijkt voorts dat leden van de VVD-fractie in de Tweede Kamer, ten einde onduidelijkheid over de werkingssfeer te voorkomen, hebben gevraagd naar een nadere toelichting op de zinsnede in het toenmalige artikel 174: “indien een motorrijtuig betrokken is bij een ongeval”.

De Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Justitie hebben daarop geantwoord, onder verwijzing onder meer naar de terminologie gebruikt bij artikel 5: “Een en ander komt er op neer dat een ongeval betekent: een botsing, een aanrijding of een overrijding. Volledigheidshalve zij er op gewezen dat artikel 31 van de huidige Wegenverkeerswet, welk artikel door artikel 174 wordt vervangen, ook de term “ongeval” gebruikt. Zie o.a. artikel 31, vierde lid. Het is duidelijk dat hiermee wordt bedoeld een botsing, aan- of overrijding zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 31.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 1991-1992, 22030, nr. 6, pag. 129). Deze uitleg heeft verder niet meer tot discussie geleid.

4.5 In het licht van deze wetsgeschiedenis, die niet ver vóór de invoering van de Wegenverkeerswet 1994 op 1 januari 1995 ligt en die er geen twijfel over laat bestaan dat met de modernisering van de formulering geen uitbreiding van het toepassingsbereik van de wetsbepaling werd beoogd, moet reeds worden aangenomen dat het zonder enige botsing, aan- of overrijding of enige handeling ter voorkoming daarvan in brand geraken van het onderhavige motorrijtuig – zoals hier in 1995 - in ieder geval toen niet onder het toepassingsbereik van artikel 185 van die wet viel.

Een ruimere uitleg zou bovendien WAM-assuradeuren hebben geconfronteerd met een ruimere schadelast dan waarmee zij destijds redelijkerwijs op grond van de toen nog recente wetsgeschiedenis rekening behoefden te houden, aan welk argument de wetgever blijkens het hierna te noemen wetsvoorstel 29955 zelf ook gewicht toekent . Ook dat pleit voor het door Ohra ingenomen standpunt.

4.6 Dat enkele rechtsgeleerde schrijvers inmiddels een door de tekst van artikel 185 WVW op zichzelf toegelaten ruimere uitleg van de term “verkeersongeval“ in artikel 185 WVW voorstaan en daarmee de mogelijkheid aanwezig achten om het onderhavige geval onder artikel 185 WVW te brengen, doet aan het voorgaande onvoldoende af, ook al zou die ruimere uitleg gesteund worden door het spraakgebruik.

De wetsgeschiedenis van artikel 6:174 BW (PG Inv. Boek 6, pag. 1394-1395), zoals geciteerd in de inleidende dagvaarding onder 4, leidt ook niet tot een andere uitkomst. In deze parlementaire geschiedenis staat vermeld dat verhaal van schade aan de weg in de praktijk vaak op art. 185 WVW zal zijn gebaseerd, doch dat brengt nog niet met zich dat ook het onderhavige geval in 1995 onder art. 185 WVW viel te brengen.

4.7 Het hiervoor onder 4.5 gegeven oordeel voor het onderhavige geval uit 1995 wordt ook niet anders in het licht van het in 2004 ingediende wetsvoorstel 29955 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2004-2005, 29955) tot wijziging van de Wegenverkeerswet en het Burgerlijk Wetboek welk wetsvoorstel onder meer erop is gericht voor gevallen als het onderhavige door wijziging van artikel 6:173 BW een – naar huidig recht niet bestaande - risicoaansprakelijkheid te vestigen voor de schade veroorzaakt door een gebrekkig motorrijtuig aan personen en zaken (MvT, pag. 5). De toelichting op dat wetsontwerp vermeldt (onder 2. Huidige situatie) juist dat het thans de vraag is of een spontane in brand vliegende auto aan het in artikel 185 WVW genoemde vereiste van betrokkenheid bij een verkeersongeval voldoet.

4.8 Grief 2 is gegrond, zodat het hof toekomt aan behandeling van de subsidiaire grondslag van de vordering van de Staat, te weten onrechtmatig handelen of nalaten van [X.].

4.9 De Staat houdt [X.], en daarmee Ohra, tevens op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) aansprakelijk voor de aan het wegdek ontstane schade, die de Staat als wegbeheerder heeft moeten herstellen.

Allereerst betoogt de Staat dat het, bij gebreke van een andere aanwijsbare oorzaak, ervoor moet worden gehouden dat de onderhavige brand het gevolg is van gebrek aan onderhoud van het motorrijtuig en dat het aan het verkeer deelnemen met een niet of gebrekkig onderhouden motorrijtuig verwijtbaar onzorgvuldig is jegens de wegbeheerder.

Ten tweede betoogt de Staat dat, als de onrechtmatige daad al niet aan schuld van [X.] is te wijten, zij op grond van de verkeersopvattingen voor zijn rekening komt. Het moet er dan immers voor worden gehouden dat de brand veroorzaakt is door een verborgen gebrek, welke omstandigheid ook bij een op onrechtmatige daad gebaseerde vordering geen overmacht oplevert. Het (verborgen) gebrek dient volgens de Staat aan [X.] te worden toegerekend, zoal niet op grond van schuld dan toch op grond van de verkeersopvattingen. Die verkeersopvattingen houden verband met het gevaar dat van de auto van [X.] uitging. Door met een auto met een (verborgen) gebrek aan het verkeer deel te nemen heeft [X.] de kans in het leven geroepen respectievelijk het gevaar verhoogd dat door dit gebrek ook aan anderen dan hijzelf, waaronder de eigenaar van de weg, nadeel zou kunnen worden toegebracht. Dit nadeel dient dan voor rekening van [X.] te worden gebracht.

4.10 Ohra bestrijdt deze grondslag als volgt:

a. Niet is kunnen worden vastgesteld dat de brand veroorzaakt is door een eigen gebrek of de gebrekkige staat van het motorrijtuig, zodat een van buiten komende oorzaak niet is uitgesloten.

b. Er is geen sprake van gebrekkig onderhoud van het onderhavige motorrijtuig. Dit was pas viereneenhalf jaar oud en was in maart 1995 in verband met de afgifte van een kenteken aan een ingevoerd voertuig door de RDW gekeurd, waarbij geen gebreken zijn geconstateerd. Er is nadien slechts 2000 kilometer met de auto gereden, zodat een onderhoudsbeurt nog niet aan de orde was, toen de auto op 9 augustus 1995 uitbrandde.

c. [X.] hoefde zich niet bewust te zijn van een verhoogd risico op brand en hem kan ook in dat opzicht geen schuld worden verweten.

d. Er zijn geen verkeersopvattingen die in het onderhavige geval met zich brengen dat het spontaan uitbranden van een auto, zelfs als dit het gevolg was van een gebrek van de auto, voor rekening komt van de eigenaar of de bestuurder van de auto.

4.11 Het hof overweegt als volgt.

Voor toewijzing van de vordering van de Staat op de grondslag van onrechtmatig handelen van [X.] is in beginsel vereist dat [X.] heeft gehandeld in strijd met hetgeen hem in het maatschappelijk verkeer jegens de Staat als eigenaar van de weg respectievelijk wegbeheerder betaamt, onverschillig of het hier om zaaksbeschadiging dan wel om zuivere vermogensschade gaat.

4.12 Er is onvoldoende grond voor een verwijt dat [X.] de auto onvoldoende heeft onderhouden. Hetgeen Ohra heeft aangevoerd ter zake van de ouderdom van de auto, het feit van de RDW-keuring en het geringe aantal sindsdien gereden kilometers is door de Staat niet weersproken. De Staat heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat aan [X.] niettemin het verwijt van onvoldoende onderhoud kan worden gemaakt.

Dat maakt dat ook het verwijt dat [X.] onzorgvuldig jegens de Staat als wegeigenaar of wegbeheerder handelde door - naar hij wist of moest weten - met een onvoldoende onderhouden auto te gaan rijden, geen doel treft.

4.13 Ook indien aangenomen zou moeten worden dat de oorzaak van brand is gevormd door een gebrek in de auto van [X.], dan is dat nog onvoldoende om hem onzorgvuldig handelen te verwijten, indien er geen sprake is van gebrekkig onderhoud of van enige andere grond waarom [X.] bedacht had moeten zijn op dit gebrek. Zo’n andere grond is zelfs niet gesteld. De kans in het algemeen, dus buiten een gebrek aan onderhoud, dat een motorrijtuig in brand raakt is te gering om van [X.] te vergen dat hij het rijden met zijn auto over een weg die de Staat in eigendom toebehoort of waarvan hij de wegbeheerder is, achterwege laat.

4.14 Met Ohra is het hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de brand veroorzaakt is door een gebrek aan het motorrijtuig. De niet te verwaarlozen mogelijkheid blijft open dat de auto in brand is geraakt door een van buiten komende oorzaak. Feiten en omstandigheden of zelfs ervaringsregels die ertoe leiden dat in casu vermoed moet worden dat de auto in brand is geraakt ten gevolge van een gebrek in die auto zijn door de Staat onvoldoende gesteld. Reeds daarom kan het causaal verband tussen het aan [X.] verweten rijden met een door hem onvoldoende onderhouden auto en het in brand raken van de auto niet worden vastgesteld.

Om diezelfde reden strandt het betoog van de Staat dat naar verkeersopvattingen de schade ten gevolge van het gebrek aan de auto ook buiten schuld van [X.] aan deze moeten worden toegerekend.

4.15 Het hof deelt niet de opvatting dat alleen reeds vanwege het verhoogd gevaar dat uitgaat van het rijden met een auto met een gebrek waaruit brand kan ontstaan naar verkeersopvattingen het van dat gebrek uitgaande risico voor rekening van [X.] als eigenaar of bestuurder van de auto komt. Motorrijtuigen zijn, naar de huidige stand van zaken, doorgaans voorzien van verbrandingsmotoren die in bedrijf worden gehouden door naar hun aard brandbare motorbrandstoffen. Motorrijtuigen zijn bovendien steeds voorzien van elektrische installaties die bij voorbeeld gevaar van kortsluiting of van vonkafgifte met zich brengen. Dit zijn in het maatschappelijk verkeer op zich aanvaarde risico’s. Zo is het rijden over een weg met een aldus uitgerust motorrijtuig evenzeer een maatschappelijk aanvaard risico. Ook bij voldoende onderhoud kunnen zich - onverwacht - technische gebreken aan een motorrijtuig voordoen, die tot het in brand raken van het voertuig kunnen leiden, welke gebreken veelal eerst bij het rijden kunnen blijken. Van de bestuurder van het motorrijtuig kan niet gezegd worden dat hij door het enkele feit van het rijden over de weg met een aldus uitgerust en in het maatschappelijk verkeer aanvaard motorrijtuig dat op een onverwacht moment een onverwacht gebrek kan vertonen, waaruit brand kan ontstaan, een eenzijdig risico in het leven roept, dat uitgaat boven het algemene risico dat het algemeen aanvaarde gemotoriseerde wegverkeer met zich pleegt te brengen. Niet gezegd kan worden dat de redelijkheid alsdan zonder meer gebiedt de kosten van wegherstel in dat geval voor rekening van de bestuurder of de eigenaar van het motorrijtuig te brengen. De omstandigheid dat de bestuurder de keuze maakt om over de weg te gaan rijden, maakt dit ten opzichte van de wegeigenaar of wegbeheerder niet anders, aangezien de weg - hier niet ter zake doende uitzonderingen daargelaten - juist is bestemd en ingericht voor dit gemotoriseerde verkeer. In dit licht is er ook geen grond om op grond van verkeersopvattingen de onderhavige schade aan het wegdek voor rekening voor de eigenaar of bestuurder van het motorrijtuig te brengen.

4.16 De subsidiaire grondslag van de vordering van de Staat kan dus evenmin tot toewijzing daarvan leiden.

Slotsom

Grief 2 treft doel. De overige grieven behoeven geen bespreking. Het bestreden vonnis kan niet in stand blijven. De vordering van de Staat moet worden afgewezen.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal de Staat in de kosten van beide instanties worden veroordeeld.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Arnhem van 25 februari 2004;

wijst de vordering van de Staat af;

veroordeelt de Staat in de kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Ohra in eerste aanleg begroot op € 245,- voor verschotten en op € 1.324,- voor salaris van de procureur en in hoger beroep begroot op € 632,- voor salaris van de procureur en op € 468,78 voor verschotten.

Dit arrest is gewezen door mrs Makkink, Steeg en Tjittes en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juni 2005.