Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AT7049

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
31-05-2005
Datum publicatie
08-06-2005
Zaaknummer
21-007231-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich tot twee maal toe schuldig gemaakt aan het plegen van een zeer ernstig levensbedreigend delict ten opzichte van een aanzienlijk aantal personen. Hij heeft, uit woede over een hem die nacht overkomen incident bij een uitgaansgelegenheid en onder invloed van een aanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank, de levens van een groot aantal personen op het spel gezet door zijn auto als wapen te gebruiken en daarbij welbewust met hoge snelheid op hen in te rijden. Het hof heeft verdachte wegens poging tot doodslag, meermalen gepleegd, veroordeeld tot (onder meer) 5 jaar gevangenisstraf en 3 jr ontzegging van de rijbevoegdheid.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2005/61

Uitspraak

Parketnummer: 21-007231-04

Uitspraak d.d.: 31 mei 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Zwolle van 2 december 2004 in de strafzaak tegen

[verdachte]

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 mei 2005 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage II)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde

De raadsvrouw heeft ter zake van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat niet zonder gerede twijfel kan worden bewezen dat verdachte daadwerkelijk opzettelijk op de genoemde personen in de tenlastelegging is ingereden.

Het hof gaat voor de beoordeling van dit verweer uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Uit diverse aangiftes en getuigenverklaringen, in het bijzonder de aangiftes van aangever-1, aangever-2 en aangever-3 en de verklaringen van getuige-1, getuige-2, getuige-3 en getuige-4, komt naar voren dat verdachte halverwege de Weemstraat met hoge snelheid slingerend achteruit is gereden in de richting van de groep jongens met wie hij ruzie had gehad en tenslotte tegen een geparkeerde blauwe Opel Astra is gebotst. Bij het achteruit rijden zijn aangever-1 en aangever-2 rechtstreeks door de auto van verdachte geraakt en door de verschuiving van de blauwe Opel Astra is aangever-3 klem komen te zitten.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat zich op de plaats waar verdachte toen als bestuurder van de auto reed en in de onmiddellijke nabijheid daarvan vele voetgangers waren die zich aan diverse kanten van de auto bevonden, ook aan de achterzijde. Dat verdachte zich hiervan ook bewust was, blijkt mede uit de verklaring die verdachte tegenover de politie heeft afgelegd en waarin hij de gebeurtenissen beschrijft die aan het feit vooraf zijn gegaan. Door met die bewustheid met hoge snelheid achteruit te rijden en hard tegen de zijkant van de geparkeerde auto aan te botsen, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn handelen de dood van de vermelde personen tot gevolg zou hebben.

Ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde

Voorts heeft de raadsvrouw ten aanzien van het onder 2 primair telastegelegde betoogd dat er geen sprake is geweest van voorbedachte raad en dat dus geen sprake kan zijn van poging(en) tot moord.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof is -anders dan de advocaat-generaal- van oordeel dat niet uit wettige bewijsmiddelen is gebleken dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte rade.

Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking.

Verdachte is onmiddellijk voorafgaand aan het moment, dat hij in zijn auto stapte, in een door hem als uiterst bedreigend beleefde situatie komen te verkeren. Deze situatie heeft bij verdachte een ogenblikkelijke gemoedsbeweging teweeggebracht, die door hemzelf als een buitensporige kwaadheid is ervaren, en door de forensisch psycholoog F.M.van Aalst in haar rapport van14 oktober 2004 (pag.13) als “een vernauwd bewustzijn” respectievelijk “een schemertoestand” wordt aangeduid.

Weliswaar is tussen het moment, waarop verdachte het besluit nam tot levensberoving en het ogenblik, waarop verdachte met zijn auto inreed op de menigte, een periode verstreken van (hooguit) enkele minuten, maar het hof is er niet van overtuigd dat daarin de ogenblikkelijke gemoedsopwelling is geweken.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

(zie voor de inhoud van de bewezenverklaring bijlage III)

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven

ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde:

Poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 2 primair bewezenverklaarde:

Poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Het hof heeft kennisgenomen van het pro justitia rapport d.d. 14 okt 2004, opgemaakt door drs F.M. van Aalst, psycholoog te Alkmaar en het voorlichtingsrapport omtrent verdachte d.d. 15 oktober 2004, uitgebracht door de Justitiële Verslavingszorg Brijder te Alkmaar.

F.M. van Aalst komt tot de volgende bevindingen:

“Bij betrokkene wordt een acute stress-stoornis gediagnosticeerd, welke ten tijde van het ten laste gelegde bestond. Waarschijnlijk ging deze stoornis gepaard met een vernauwd bewustzijn ten gevolge van een psychotraumatische situatie. Betrokkene was daarbij onder invloed van alcohol, waardoor zijn beoordelingvermogen aangetast was. De sociaal emotionele ontwikkeling van betrokkene loopt op verschillende gebieden achter ten opzichte van zijn leeftijd, waarbij sprake is van scheefgroei: op het gebied van driftkanalisatie (met name waar het de agressieve driften betreft) en de emotioneel probleemoplossende vaardigheden functioneert betrokkene op een onrijp niveau.

Betrokkene is door zijn persoonlijkheidsstructuur verhoogd kwetsbaar voor acting-out gedrag. Er is -indien bewezen- een oorzakelijk verband, tussen de vorengenoemde factoren en het ten laste gelegde. De kwetsbaarheid in de persoonlijkheid, gecombineerd met de gevolgen van alcoholintoxicatie op het moment van het ten laste gelegde en de cumulatie van psychische spanning, heeft geleid tot een overbelasting van het psychisch apparaat waarbij betrokkene in een toestand waarbij het bewustzijn vernauwd was, agressief is ontremd.

Geadviseerd wordt betrokkene licht verminderd toerekeningsvatbaar te achten.”

Het hof neemt deze bevindingen over en concludeert op grond daarvan dat de bewezenverklaarde feiten verdachte in licht verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft verdachte ter zake van het onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde, welke telkens oplevert de misdrijven: poging tot doodslag, meermalen gepleegd, onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, dit met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Zowel verdachte als de officier van justitie zijn in hoger beroep gekomen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte ter zake van poging tot doodslag, meermalen gepleegd en poging tot moord, meermalen gepleegd wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren, dit met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Tevens is de advocaat-generaal van oordeel dat ten aanzien van zowel het onder 1 primair als het onder 2 primair ten laste gelegde een ontzegging van de rijbevoegdheid dient te worden opgelegd, telkens voor de duur van vijf jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen hoofdstraf bepaald op grond van de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede op grond van de persoon van verdachte.

Het hof heeft hierbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich tot twee maal toe schuldig gemaakt aan het plegen van een zeer ernstig levensbedreigend delict ten opzichte van een aanzienlijk aantal personen. Hij heeft, uit woede over een hem die nacht overkomen incident bij een uitgaansgelegenheid en onder invloed van een aanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank, de levens van een groot aantal personen op het spel gezet door zijn auto als wapen te gebruiken en daarbij welbewust met hoge snelheid op hen in te rijden.

De aanleiding tot de vechtpartij is niet geheel duidelijk geworden. Nadat verdachte en zijn vriendin gevlucht waren in de auto, is verdachte weg gereden van de parkeerplaats en is hij vervolgens halverwege de straat hard en slingerend achteruit gereden, waarbij een aantal personen is geraakt. Daarna is verdachte terug gereden richting het café, waar de ruzie had plaatsgevonden, en is hij met onverminderde snelheid ingereden op de zich bij het terras bevindende grote groep mensen, waarbij bepaalde personen zelfs voor de tweede keer door verdachte zijn geraakt. Door zijn agressieve rijstijl heeft verdachte tevens, gedurende de rit, in totaal vier auto's geraakt.

Dergelijke ernstige feiten veroorzaken veel onrust in de maatschappij. Veel mensen zijn getuige geweest van het handelen van verdachte en zijn met de gevolgen daarvan geconfronteerd. Voor hen moet dit een schokkende ervaring zijn geweest. Bovendien zijn nagenoeg alle slachtoffers door verdachte willekeurig gemaakt. Dit blijkt uit de verklaring van verdachte dat hij zo kwaad was dat het hem op dat moment helemaal niet interesseerde wie er liep en wat er nog meer stond. Het is zonder meer een wonder te noemen dat er geen doden zijn gevallen. Verdachte heeft zich door zijn uiterst laakbare handelwijze op geen enkele wijze bekommerd om de gevolgen die zijn daden voor de slachtoffers zouden kunnen hebben. Naast het feit dat enkele slachtoffers aanzienlijk lichamelijk letsel hebben opgelopen, is het bekend dat slachtoffers dergelijke ingrijpende gebeurtenissen als zeer traumatisch ervaren en dat zij nog lange tijd last kunnen hebben van gevoelens van onveiligheid.

Op de ernstige feiten zoals deze bewezen zijn verklaard kan niet anders worden gereageerd dan met een gevangenisstraf van een aanzienlijke duur.

Het hof laat ten voordele van verdachte meewegen dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor dergelijke ernstige levensdelicten en dat sprake is geweest van een éénmalige explosie van verdachte. Daarbij heeft het hof tevens in aanmerking genomen het reeds voornoemde psychologisch onderzoeksrapport, waarin wordt geconcludeerd dat verdachte ten tijde van het plegen van de onderhavige feiten als licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd en de omstandigheid dat verdachte's problematiek in een ambulant psychotherapeutisch contact kan worden behandeld, welke gericht is op het verkrijgen van inzicht in de eigen persoonlijkheid en agressiebeheersing.

Alles afwegende acht het hof het opleggen van de hierna genoemde gevangenisstraf passend en geboden. Anders dan de raadsvrouw acht het hof oplegging van een gevangenisstraf van minder lange duur dus niet gepast.

Daarnaast vindt het hof -anders dan de rechtbank- een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen van geruime duur op haar plaats, aangezien verdachte de onder 1 primair en onder 2 primair telastegelegde feiten heeft gepleegd met een motorrijtuig dat hij ten tijde van de feiten bestuurde. Het hof komt tot een minder lange duur van de rijontzegging dan door de advocaat-generaal is gevorderd, aangezien het hof bij de oplegging van de rijontzegging aanleiding heeft gezien rekening te houden met de relatief jonge leeftijd van verdachte, alsmede met zijn toekomstperspectieven.

De vordering van de benadeelde partij [naam-1]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van EUR 613,72 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De vordering van de benadeelde partij [naam-2]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van EUR 448,81 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179a van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

ten aanzien van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde:

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde:

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179a van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

ten aanzien van het onder 2 primair bewezenverklaarde:

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179a van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

de aan [benadeelde partij-1] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij [naam-1], te betalen een bedrag van EUR 613,72 (zeshonderddertien euro en tweeënzeventig cent).

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [naam-1], een bedrag te betalen van EUR 613,72 (zeshonderddertien euro en tweeënzeventig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 (twaalf) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

de aan [benadeelde partij-2] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [naam-2], te betalen een bedrag van EUR 448,81 (vierhonderdachtenveertig euro en eenentachtig cent).

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [naam-2], een bedrag te betalen van EUR 448,81 (vierhonderdachtenveertig euro en eenentachtig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr Wery, voorzitter,

mrs Verheugt en Lensing, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr Tang, griffier,

en op 31 mei 2005 ter openbare terechtzitting uitgesproken.