Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AT6749

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
31-05-2005
Datum publicatie
09-06-2005
Zaaknummer
2004/483
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan Verweij betoogt, bestaat er geen auteursrecht op haar tekening. De tekening kan worden aangemerkt als ontwerp of schets betrekkelijk tot de bouwkunde, zoals bedoeld in artikel 10 lid 1 sub 8 van de Auteurswet 1912. Voor auteursrechtelijke bescherming van een dergelijk werk is vereist dat dit een eigen, oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker draagt (vergelijk Hoge Raad 4 januari 1991, NJ 1991, 608). Dit eigen, oorspronkelijk karakter en persoonlijk stempel ontbreken aan de tekening van Verweij, nu die slechts de feitelijke situatie van het pand weergeeft. Wanneer twee verschillende architecten een bestektekening van de bestaande situatie van het pand maken is het zeer aannemelijk dat beiden tot een vrijwel gelijk resultaat komen, zeker wanneer zij daarbij beiden gebruik maken van hetzelfde bouwkundig computertekenprogramma (Autocad). De wijze waarop Verweij het dakvlak van het pand heeft onderverdeeld en weergegeven en de arcering en de belijningen van de tekening drukken geen, althans een onvoldoende, persoonlijk stempel van Verweij op de tekening. De verklarende teksten bij de tekening geven slechts aan van welke materialen de onderdelen van het pand zijn gemaakt - bijvoorbeeld: houten dorpel, stucwerk en houten hijsbalk - en geven derhalve slechts de feitelijke situatie weer. Alleen de feitelijke weergave van de ornamenten aan de voorgevel vergt enige persoonlijke inbreng van de architect aan de tekening, echter in zodanig geringe mate dat daarop geen auteursrechtelijke bescherming van de tekening kan worden gebaseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BIE 2008, 5 met annotatie van A.A. Quaedvlieg

Uitspraak

31 mei 2005

derde civiele kamer

rolnummer 2004/483

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Verweij & Partners B.V.,

gevestigd te Kampen,

appellante,

procureur: mr J.C.N.B. Kaal,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr W.D. Huizinga.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de vonnissen van 13 augustus 2003 en 18 februari 2004 die de rechtbank Zwolle tussen appellante (hierna ook te noemen: Verweij) als eiseres en geïntimeerde (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als gedaagde heeft gewezen. Van die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Verweij heeft bij exploot van 8 april 2004 [geïntimeerde] aangezegd van voormeld vonnis van 18 februari 2004 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

Daarbij heeft zij gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest [geïntimeerde] alsnog zal veroordelen tot betaling van schadevergoeding ad € 6.471,70, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 27 juni 2003 tot aan de dag der algehele voldoening, en tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten ad € 662,=, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.2 Bij memorie van grieven heeft Verweij drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden, één nieuwe productie in het geding gebracht en gevorderd dat het hof zal beslissen overeenkomstig het gevorderde in de appèldagvaarding.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het door Verweij ingestelde hoger beroep ongegrond zal verklaren en Verweij zal veroordelen in de kosten van (naar het hof begrijpt:) de procedure in hoger beroep.

2.4 Ter zitting van 16 februari 2005 hebben partijen de zaak doen bepleiten, Verweij, namens wie de heer [X.] aanwezig was, door mr A.M. Ubink, advocaat te Zwolle, en [geïntimeerde] door mr W. Vahl, advocaat te Kampen. Beide advocaten hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

2.5 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1 Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties en hetgeen door partijen ter gelegenheid van de pleidooien bij het hof is verklaard, dan wel als door de rechtbank vastgesteld en in hoger beroep niet bestreden, de navolgende feiten vast.

3.2 Verweij voert een architectenbureau. In het kader van een in opdracht van projectontwikkelaar Markegelder Ontwikkeling B.V. (hierna: Markegelder) door Verweij te ontwerpen plan voor het realiseren van drie appartementen in een pand, gelegen op de hoek Graafschap/Bregittenstraat te Kampen (hierna: het pand), heeft Verweij in 2001 dit pand ingemeten. Deze inmeetgegevens zijn vervolgens door Verweij verwerkt in papieren tekeningen en digitale tekeningen van de bestaande situatie van het pand.

3.3 Eind 2001 is het pand door Markegelder verkocht en overgedragen aan [geïntimeerde]. [geïntimeerde] had niet de intentie de bouwplannen van Markegelder te realiseren, maar had de bedoeling het pand in te richten voor zijn eigen onderneming en bewoning. [geïntimeerde] heeft na de verkoop in het pand een papieren bestektekening van de bestaande situatie van het pand aangetroffen.

3.4 Enige tijd na de overdracht van het pand is Markegelder in staat van faillissement verklaard. Markegelder heeft de door Verweij verzonden rekening ad € 6.417,70 voor het vervaardigen van de tekeningen onbetaald gelaten.

3.5 Na de aankoop van het pand door [geïntimeerde] heeft Verweij, op verzoek van de heer [A.] van Bouwbedrijf Wensink en Prins B.V. (hierna: Bouwbedrijf Wensink) in verband met het vervaardigen van nieuwe kozijnen voor het pand, de door haar gemaakte “bestektekening: bestaande situatie, plattegronden, gevels en doorsneden” van het pand, digitaal aan Wensink toegezonden. Verweij heeft hiervoor een factuur d.d. 12 december 2001 ten bedrage van € 40,50 rechtstreeks aan [geïntimeerde] gezonden, die deze factuur heeft voldaan.

3.6 Voormelde [A.] heeft van de door Verweij aan hem digitaal toegezonden tekening (hierna: tekening I) gebruik gemaakt voor het vervaardigen van een “bestektekening: nieuwe situatie, plattegronden, gevels en doorsneden” van het pand, die door Verweij ter gelegenheid van de comparitie bij de rechtbank als productie 2 is overgelegd (hierna: tekening II). Het pand is daartoe niet opnieuw ingemeten.

3.7 Op 18 maart 2002 heeft [geïntimeerde] een aanvraag voor een bouwvergunning voor het vernieuwen van de kozijnen van het pand (hierna: de bouwvergunningaanvraag) bij de gemeente Kampen ingediend. Bij die bouwvergunningaanvraag was een bijlage gevoegd bestaande uit door Aannemingsbedrijf Lans vervaardigde detailtekeningen van de kozijnen. De bouwvergunningaanvraag met bijlage is op 26 maart 2002 bij de gemeente ingekomen en afgestempeld.

3.8 Nadat de gemeente aan [geïntimeerde] kenbaar had gemaakt dat de bij de bouwvergunningaanvraag gevoegde tekeningen van Aannemingsbedrijf Lans onvoldoende waren voor de beoordeling van de aanvraag, hebben [geïntimeerde] en de heer [B.] van het aannemingsbedrijf voormelde tekening II aan de gemeente getoond. Deze tekening is op 25 april 2002 bij de gemeente ingekomen en afgestempeld. Voorts is deze tekening op 6 juni 2002 afgestempeld door welstandscommissie “Het Oversticht” met de vermelding “voorlopig advies”.

3.9 Nadat [geïntimeerde] en voormelde [B.] tekening II aan de gemeente hadden getoond is Verweij benaderd door [B.] met de vraag of Verweij [geïntimeerde] wilde bijstaan bij het verkrijgen van de benodigde vergunningen van de gemeente. Bij brief van 9 augustus 2002 heeft Verweij [geïntimeerde] een offerte gedaan voor de met deze werkzaamheden gemoeide kosten. Bij brief van 15 augustus 2002 heeft [geïntimeerde] aan Verweij meegedeeld geen gebruik te zullen maken van haar diensten.

3.10 Uiteindelijk heeft [geïntimeerde] de bouwvergunningaanvraag ingetrokken en heeft hij zijn plannen niet gerealiseerd.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Verweij heeft in eerste aanleg gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding ad € 6.471,70, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2003 tot aan de dag der algehele voldoening, wegens het zonder haar toestemming gebruiken van de door haar gemaakte tekening I van het pand voor de aanvraag van een bouwvergunning, en tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten ad € 662,=, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en heeft Verweij veroordeeld in de proceskosten. De grieven leggen het geschil in volle omvang aan het hof voor.

4.2 Nu het hof hiervoor in 3.2 tot en met 3.10 de feiten opnieuw heeft vastgesteld en het hof hierna het geschil in volle omvang zal behandelen, waarbij het hof al hetgeen in eerste aanleg en in hoger beroep naar voren is gebracht bij zijn oordeel zal betrekken, behoeft grief 1 geen nadere bespreking.

4.3 De grieven 2 en 3 lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

4.4 Het hof stelt voorop dat, op grond van hetgeen [geïntimeerde] ter gelegenheid van de pleidooien bij het hof heeft verklaard, is komen vast te staan dat voormelde [A.] de digitaal door Verweij aangeleverde tekening I heeft gemuteerd c.q. gebruikt voor het maken van tekening II en dat laatstgenoemde tekening door of namens [geïntimeerde] is gebruikt in het kader van de bouwvergunningaanvraag. De als bijlage bij de bouwvergunningaanvraag gevoegde detailtekeningen van [B.] waren immers volgens de gemeente niet voldoende en naar aanleiding van het verzoek van de gemeente om een “uitgebreidere” tekening te laten zien - aldus mr Vahl ter gelegenheid van zijn pleidooi bij het hof - heeft [geïntimeerde] tekening II aan de gemeente getoond. Deze tekening is vervolgens afgestempeld door zowel de gemeente als de welstandscommissie, zodat deze tekening ging behoren tot de bouwvergunningaanvraag van [geïntimeerde]. Vaststaat derhalve dat [geïntimeerde] de door Verweij vervaardigde tekening I in gewijzigde vorm heeft gebruikt voor de bouwvergunningaanvraag, hetgeen onmiskenbaar ruimer is dan voor de controle van de maatvoering van de kozijnen.

4.5 Anders dan Verweij betoogt, bestaat er geen auteursrecht op haar tekening. De tekening kan worden aangemerkt als ontwerp of schets betrekkelijk tot de bouwkunde, zoals bedoeld in artikel 10 lid 1 sub 8 van de Auteurswet 1912. Voor auteursrechtelijke bescherming van een dergelijk werk is vereist dat dit een eigen, oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker draagt (vergelijk Hoge Raad 4 januari 1991, NJ 1991, 608). Dit eigen, oorspronkelijk karakter en persoonlijk stempel ontbreken aan de tekening van Verweij, nu die slechts de feitelijke situatie van het pand weergeeft. Wanneer twee verschillende architecten een bestektekening van de bestaande situatie van het pand maken is het zeer aannemelijk dat beiden tot een vrijwel gelijk resultaat komen, zeker wanneer zij daarbij beiden gebruik maken van hetzelfde bouwkundig computertekenprogramma (Autocad). De wijze waarop Verweij het dakvlak van het pand heeft onderverdeeld en weergegeven en de arcering en de belijningen van de tekening drukken geen, althans een onvoldoende, persoonlijk stempel van Verweij op de tekening. De verklarende teksten bij de tekening geven slechts aan van welke materialen de onderdelen van het pand zijn gemaakt - bijvoorbeeld: houten dorpel, stucwerk en houten hijsbalk - en geven derhalve slechts de feitelijke situatie weer. Alleen de feitelijke weergave van de ornamenten aan de voorgevel vergt enige persoonlijke inbreng van de architect aan de tekening, echter in zodanig geringe mate dat daarop geen auteursrechtelijke bescherming van de tekening kan worden gebaseerd.

4.6 Voor zover de tekening beschouwd moet worden als ander geschift in de zin van artikel 10 lid 1 sub 1 van de Auteurswet 1912, bestaat daarop evenmin auteursrechtelijke bescherming. Daarvoor is vereist dat het geschrift openbaar is gemaakt of bestemd is om openbaar gemaakt te worden. Ingevolge vaste rechtspraak (Hoge Raad 25 juni 1965, NJ 1966, 116, en herhaald in Hoge Raad 8 februari 2002, NJ 2002, 515) is dat het geval indien het geschrift op enigerlei wijze ter beschikking van het publiek is gesteld. Nu de tekening volgens de eigen stellingen van Verweij haar eigendom is (gebleven) en zij haar tekening slechts onder voorwaarden aan derden ter beschikking stelt, geldt deze niet als openbaar gemaakt of bestemd om openbaar gemaakt te worden.

4.7 Verweij voert voorts aan dat [geïntimeerde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen hen tot stand gekomen overeenkomst tot beperkt gebruik van tekening I, althans dat [geïntimeerde] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door zonder haar toestemming gebruik te maken van de haar in eigendom toebehorende tekening I voor een ander doel dan dat waarvoor de tekening aan hem is verstrekt.

Het hof overweegt dat indien komt vast te staan dat tussen partijen is overeengekomen dat Verweij tekening I aan [geïntimeerde] ter beschikking zou stellen of heeft gesteld voor slechts een beperkt gebruik daarvan, te weten: controle van de maatvoering van de te vervaardigen kozijnen van het pand, [geïntimeerde] in de nakoming van zijn verplichtingen is tekortgeschoten nu, zoals hiervoor in 4.4 is overwogen, vaststaat dat [geïntimeerde] de tekening in aangepaste vorm heeft gebruikt voor de bouwvergunningaanvraag. [geïntimeerde] ontkent echter dat Verweij hem beperkingen heeft opgelegd of nadere voorwaarden heeft gesteld met betrekking tot het gebruik van tekening I. Anders dan Verweij aanvoert, blijkt niet uit de conclusie van antwoord (sub 6, 7 en 8) dat [geïntimeerde] erkent dat de tekening slechts voor beperkt gebruik ter beschikking was gesteld. Daaruit valt alleen af te leiden dat de tekening werd opgevraagd met het beperkte doel van controle van de maatvoering van de (nieuwe) kozijnen. Daaruit valt niet af te leiden dat ([X.] van) Verweij toen met [A.] van Bouwbedrijf Wensink een beperkt gebruik heeft afgesproken. Nadere verweren van [geïntimeerde] in hoger beroep zijn daarmee dan ook niet in strijd. Evenmin valt in redelijkheid in te zien waarom voormelde [A.] zich er van bewust was of moest zijn dat de tekening slechts voor een beperkt gebruik ter beschikking werd gesteld. Het voorgenomen gebruiksdoel (controle van de maatvoering van de kozijnen) en de nadien in rekening gebrachte prijs (€ 40,50) dwingen daar niet toe. Een en ander kan wel van belang zijn in het kader van de na te melden bewijsopdracht.

Aangezien op Verweij de stelplicht en bewijslast rust, wordt zij, overeenkomstig haar bewijsaanbod, toegelaten tot het bewijs zoals hieronder vermeld.

4.8 Op grond van proceseconomische redenen zal aansluitend aan het eventueel te houden getuigenverhoor aan de zijde van Verweij, desgewenst een getuigenverhoor aan de zijde van [geïntimeerde] aanvangen. Het hof ziet voorts aanleiding om onmiddellijk na de te houden getuigenverhoren een comparitie van partijen te gelasten waarbij het verdere verloop van de procedure aan de orde zal komen, zonodig inlichtingen zullen worden ingewonnen over het causaal verband, de aard en de omvang van de schade en eventueel een schikking zal worden beproefd. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

laat Verweij toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden die kunnen leiden tot het oordeel dat partijen zijn overeengekomen dat Verweij tekening I aan [geïntimeerde] ter beschikking zou stellen of heeft gesteld voor slechts een beperkt gebruik daarvan, te weten: de controle van de maatvoering van de te vervaardigen kozijnen van het pand;

bepaalt dat, indien Verweij dat bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr A.W. Steeg, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburg-straat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat, indien [geïntimeerde] in contra-enquête getuigen wenst te horen, dit getuigenverhoor aansluitend aan het getuigenverhoor aan de zijde van Verweij zal aanvangen;

bepaalt dat het aantal voor te brengen getuigen en de namen van de getuigen, zowel aan de zijde van Verweij, als aan de zijde van [geïntimeerde], alsmede de verhinderdagen in de maanden juli tot en met september 2005 van partijen, van hun advocaten en van de getuigen zullen worden opgegeven op de rolzitting van twee weken na heden, ambtshalve peremptoir, waarna dag en uur van de verhoren (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastge-steld en in beginsel geen uitstel in verband met verhinderingen zal worden verleend;

bepaalt voorts dat, indien er getuigen worden voorgebracht, Verweij, vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en hetzij bevoegd hetzij speciaal schriftelijk gevolmachtigd is tot het aangaan van een schikking, en [geïntimeerde] in persoon, tezamen met hun raadslieden bij het verhoor van de getuigen aanwezig zullen zijn, zulks zowel opdat van de kant van partijen zelf zonodig nadere inlichtingen zullen kunnen worden gegeven over de punten waarover de getuigen zullen worden gehoord, over de voortgang van de procedure, en over de aard en omvang van de schade, als opdat eventueel kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat partijen, indien zij zich willen beroepen op nieuwe bescheiden, deze zullen overleggen door toezending in kopie aan de wederpartij en aan de raadsheer-commissaris uiterlijk twee weken voor de dag van de comparitie;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs Steeg, Van Loo en Rank-Berenschot en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 mei 2005.