Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AT6104

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-05-2005
Datum publicatie
24-05-2005
Zaaknummer
2004/1104
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

...brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich mee dat een deelgenoot in een nalatenschap tegenover de andere deelgenoten recht heeft op inzage van stukken die deel uitmaken van die nalatenschap en die ter beoordeling van de omvang en samenstelling van die nalatenschap van belang kunnen zijn.(...)Ook de vraag of het belang van [appellant] bij toewijzing van zijn vordering voldoende spoedeisend is, moet bevestigend worden beantwoord. In de eerste plaats is het in het belang van alle betrokkenen dat zij op de kortst mogelijke termijn zekerheid kunnen krijgen omtrent hun rechtsverhoudingen, welk belang ook door [geïntimeerden] zelf is verwoord in hun wens eindelijk een punt achter deze kwestie te zetten en hun ouders te laten rusten (pleitnota mr Van Rossum in eerste aanleg, nr. 37). Daarbij speelt een rol dat de nalatenschap zelf kennelijk nog niet verdeeld is, zodat niet kan worden gezegd dat [appellant] met de onderhavige vordering een kwestie oprakelt die partijen reeds definitief dachten te hebben afgesloten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

17 mei 2005

eerste civiele kamer

rolnummer 2004/1104KG

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr J.L. Zegelink,

tegen:

1. [geïntimeerde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [geïntimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [geïntimeerde sub 3],

wonende te [woonplaats],

4. [geïntimeerde sub 4],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

procureur: mr C.G.M. van Rossum.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van het vonnis van 12 oktober 2004 dat de voorzieningenrechter van de rechtbank te Arnhem in kort geding heeft gewezen tussen appellant (hierna: [appellant]) als eiser en geïntimeerden (hierna: [geïntimeerden]) als gedaagden; van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 9 november 2004 aangezegd van genoemd vonnis van 12 oktober 2004 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerden] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] tien grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en één nieuwe productie in het geding gebracht. Verder heeft hij gevorderd dat het hof dat vonnis zal vernietigen, doch uitdrukkelijk en alleen voor zover het betrekking heeft op de afgifte van het zogenoemde pakket met administratieve bescheiden, en [geïntimeerden] gezamenlijk alsmede hoofdelijk alsnog zal veroordelen de volledige financiële administratie, het zogenoemde pakket binnen acht dagen na betekening van dit arrest te (laten) bezorgen ten kantore van deurwaarderskantoor V.d. Bos, Brehler, De Jong, t.a.v. deurwaarder de heer L.H.L.M. Vloet, aan het adres Bouriciusstraat 8, 6814 CW Arnhem, bij gebreke waarvan [geïntimeerden] gezamenlijk een dwangsom verschuldigd worden van € 1.000,- (met een maximum van € 100.000,-) voor iedere dag dat zij weigerachtig dan wel nalatig blijven de financiële administratie (het pakket) bij het deurwaarderskantoor voornoemd te (laten) bezorgen. Voorts heeft [appellant] hieraan bij wijze van vermeerdering van zijn eis toegevoegd:

[appellant] kan over het pakket beschikken gedurende 30 dagen nadat dit door de deurwaarder hem ter hand is gesteld. Het staat [appellant] vrij op zijn kantoor een door hem aan te zoeken accountant nader onderzoek te laten verrichten in de overgelegde stukken. Na afloop van de 30 dagentermijn zal de deurwaarder met [geïntimeerden] in overleg treden over de wijze van retourneren van het pakket. De kosten hiervan komen voor rekening van [appellant].

Ten slotte heeft [appellant] gevorderd dat [geïntimeerden] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld, een en ander, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad.

2.3 Vervolgens heeft [appellant] op 11 januari 2005 akte gevraagd van zijn verzoek de bij memorie van grieven in het geding gebrachte productie als niet-overgelegd te beschouwen en op de inhoud daarvan geen acht te slaan.

2.4 Bij memorie van antwoord hebben [geïntimeerden] de grieven bestreden, nadere producties in het geding gebracht en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellant], althans ongegrondverklaring van zijn hoger beroep en afwijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van [appellant], uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten in hoger beroep.

2.5 Daarop heeft [appellant] nog een akte genomen en stukken in het geding gebracht, waarop [geïntimeerden] bij akte hebben gereageerd.

2.6 Ten slotte hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder het kopje ‘De vaststaande feiten’ feiten vastgesteld. Aangezien daartegen als zodanig geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Het hoger beroep heeft uitsluitend betrekking op het oordeel van de voorzieningenrechter ter zake van het zogenoemde – kennelijk voor partijen aldus voldoende duidelijk omschreven – ‘pakket’ met administratieve bescheiden. De grieven van [appellant] zijn in hoofdzaak gericht tegen de afwijzing door de voorzieningenrechter van zijn vordering, die er kort gezegd toe strekte dat hij gedurende vier weken (in hoger beroep: dertig dagen) vrijelijk over het pakket zou kunnen beschikken. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.2 Uitgangspunt bij die behandeling moet zijn dat dit hof bij arrest van 16 april 2002 in een eerdere procedure tussen enerzijds [appellant] en anderzijds geïntimeerden sub 1 en 4 (hierna : [geïntimeerden sub 1 en 4]) heeft bekrachtigd het oordeel van de rechtbank te Arnhem dat [geïntimeerden sub 1 en 4] niet het feitelijk beheer hebben gevoerd over het vermogen van de ouders van partijen en dat zij derhalve ook niet gehouden waren rekening en verantwoording ten aanzien van dit beheer af te leggen. Als rechtsgrond van zijn vordering ten aanzien van het pakket stelt [appellant] dan ook niet langer dat [geïntimeerden] (of een van hen) het feitelijk beheer hadden over het vermogen van hun ouders In de onderhavige procedure stelt hij zich op het standpunt dat hij – gezien ook de omstandigheid dat [geïntimeerden sub 1 en 4] gemachtigd waren ten aanzien van dit vermogen en hij zich afvraagt wat er met dit vermogen in die periode is gebeurd – recht heeft geïnformeerd te worden over het financiële reilen en zeilen van zijn ouders.

4.3 Teneinde die stelling te kunnen beoordelen is allereerst van belang te bezien waaraan [appellant] dit recht op informatie zou kunnen ontlenen. Behoudens de stelling dat [geïntimeerden] onrechtmatig handelen door hem als mede-erfgenaam informatie te onthouden waar zij als erfgenamen over beschikken, heeft [appellant] geen op een specifieke door hem beoogde rechtsgrond betrekking hebbende standpunten ingenomen. Nu het erfrecht – gegeven ook het feit dat geen van partijen ooit is aangewezen als executeur testamentair, vereffenaar of bewindvoerder – ook geen specifieke op een geval als het onderhavige betrekking hebbende voorschriften bevat, is de voor deze zaak relevante rechtsbetrekking tussen partijen die van deelgenoten in een gemeenschap, welke gemeenschap bestaat uit de – blijkbaar nog steeds onverdeeld gebleven – nalatenschap van de ouders. Tot die gemeenschap behoort ook het ‘pakket’, dat zich kennelijk nog steeds onder [geïntimeerde sub 1] – althans een van gedaagden – bevindt, en waarvan [appellant] thans overhandiging ter inzage vordert. Het beoordelingskader waarbinnen de toewijsbaarheid van het gevorderde moet worden beoordeeld, zal derhalve met name gevonden moeten worden in de op de voet van art. 3:166 lid 3 jo art. 6:2 lid 1 BW door deelgenoten jegens elkaar in acht te nemen eisen van redelijkheid en billijkheid. Gezien de aard van het gevorderde – inzage in bescheiden – is voorts van belang dat art. 843a Rv daarvoor een regeling bevat. Ten slotte speelt in de context van een kort geding als het onderhavige steeds een rol dat zal moet worden afgewogen of eiser zodanig (spoedeisend) belang heeft bij toewijzing van de gevorderde voorziening dat dit belang thans moet prevaleren boven dat van gedaagden.

4.4 In beginsel vloeit uit voornoemde rechtsgronden de toewijsbaarheid van het gevorderde voort. In de eerste plaats brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich mee dat een deelgenoot in een nalatenschap tegenover de andere deelgenoten recht heeft op inzage van stukken die deel uitmaken van die nalatenschap en die ter beoordeling van de omvang en samenstelling van die nalatenschap van belang kunnen zijn. Voorts moet worden aangenomen dat in het voorliggende geval is voldaan aan de vereisten die art. 843a Rv voor inzage stelt: de aldaar bedoelde rechtsbetrekking is [appellant]s deelgenootschap in de nalatenschap, zijn rechtmatig belang volgt eveneens uit dit deelgenootschap alsmede uit zijn wens de omvang en samenstelling daarvan in de loop der jaren te onderzoeken, en de schriftelijke bescheiden die hij wenst in te zien zijn tussen partijen voldoende bepaald met de aanduiding ‘het pakket’.

4.5 Tot verweer in deze procedure hebben [geïntimeerden] met name aangevoerd dat [appellant] in het verleden in voldoende mate in de gelegenheid is geweest bedoelde stukken in te zien, van welke gelegenheid hij gedeeltelijk ook gebruik heeft gemaakt. Voor zover die eerdere inzagemogelijkheden echter al zouden kunnen afdoen aan [appellant]s aan de redelijkheid en billijkheid en art. 843a Rv te ontlenen aanspraken, geldt in het onderhavige geval dat in 2002, na de tussen partijen gevoerde procedure, in zoverre een nieuwe situatie is ontstaan dat [appellant] er niet (meer) op mocht rekenen dat hij langs de weg van rekening en verantwoording zou worden geïnformeerd omtrent (de omvang en samenstelling van) het in de nalatenschap aanwezige vermogen. In dat verband is voorts van belang dat de inzage die [appellant] in de onderhavige procedure vordert – en die hem zoals onder 4.4 bleek in beginsel toekomt – uitgebreider is dan de inzagemogelijkheid waarover partijen binnen het kader van die eerdere procedure overeenstemming konden bereiken. Een en ander impliceert dat het beroep van [geïntimeerden] op eerdere inzagemogelijkheden niet afdoet aan [appellant]s recht en belang bij toewijzing van het gevorderde. In het verlengde daarvan – en omdat [geïntimeerden] daartoe niets anders gesteld hebben dan het tijdsverloop tussen het einde van de eerste procedure en het begin van de onderhavige – kan niet worden aangenomen dat [appellant] zijn recht op inzage heeft verwerkt.

4.6 Ook de vraag of het belang van [appellant] bij toewijzing van zijn vordering voldoende spoedeisend is, moet bevestigend worden beantwoord. In de eerste plaats is het in het belang van alle betrokkenen dat zij op de kortst mogelijke termijn zekerheid kunnen krijgen omtrent hun rechtsverhoudingen, welk belang ook door [geïntimeerden] zelf is verwoord in hun wens eindelijk een punt achter deze kwestie te zetten en hun ouders te laten rusten (pleitnota mr Van Rossum in eerste aanleg, nr. 37). Daarbij speelt een rol dat de nalatenschap zelf kennelijk nog niet verdeeld is, zodat niet kan worden gezegd dat [appellant] met de onderhavige vordering een kwestie oprakelt die partijen reeds definitief dachten te hebben afgesloten. Voorts blijkt uit de opstelling van [geïntimeerden] in deze dat zij na de uitspraak in 2002 niet bereid waren [appellant] buiten rechte de door hem gewenste inzage te verschaffen. De enkele omstandigheid dat [appellant] – voordat hij dit kort geding aanhangig maakte – tijd genomen heeft om zich te beraden op zijn positie en de vraag of hij de door hem gewenste informatie ook langs andere zou kunnen verkrijgen, ontneemt aan zijn belang niet de spoedeisendheid.

4.7 Alle betrokken belangen afwegend, komt het hof dus tot de conclusie dat het hoger beroep slaagt en dat de vordering van [appellant] op de hierna aan te geven wijze voor toewijzing in aanmerking komt, met bekrachtiging van het bestreden vonnis voor het overige. Het hof zal de gevraagde dwangsommen matigen en daaraan een maximum verbinden.

4.8 Gelet op de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke rechtsbetrekking tot elkaar staan en het geschil hieruit voortvloeit, zullen ook de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Arnhem van 12 oktober 2004 behoudens voor zover daarin het onder B in eerste aanleg gevorderde is afgewezen en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt [geïntimeerden] gezamenlijk alsmede hoofdelijk tot afgifte van de tot de nalatenschap van hun ouders behorende financiële administratie, door partijen aangeduid als ‘het pakket’, binnen acht dagen na betekening van dit arrest, ten kantore van deurwaarderskantoor Van den Bos, Brehler, De Jong, t.a.v. deurwaarder L.H.L.M. Vloet, aan het adres Bouriciusstraat 8, 6814 CW Arnhem;

veroordeelt [geïntimeerden] gezamenlijk tot betaling aan [appellant] van een dwangsom van € 100,-, voor iedere dag dat hij/zij in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 5.000,-;

bepaalt dat [appellant] over het pakket kan beschikken gedurende 30 dagen nadat dit aan de deurwaarder voornoemd zal zijn afgegeven, dat het [appellant] vrijstaat dit pakket op zijn kantoor nader te laten onderzoeken door een door hem aan te zoeken accountant, dat de deurwaarder voornoemd met [geïntimeerden] in overleg zal treden omtrent de wijze waarop het pakket na afloop van deze 30 dagen zal worden geretourneerd, en dat de kosten van dit een en ander voor rekening van [appellant] komen;

verklaart voornoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs Rijken, Korthals Altes en Van den Brink en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 mei 2005.