Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AT6085

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-01-2005
Datum publicatie
24-05-2005
Zaaknummer
03-01293
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting

Belanghebbende mocht aan een eerder gesteld boekenonderzoek het vertrouwen ontlenen dat bepaalde auto’s tot de zogenoemde marge-inkopen konden worden gerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-1056
V-N 2005/33.2

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

derde meervoudige belastingkamer

nummer 03/01293

U i t s p r a a k

op het beroep van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/P op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. Aan belanghebbende is over het tijdvak van 1 januari 1996 tot en met 31 de-cember 1997 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd met dagtekening 22 december 2001 en nummer 01.F.01.7502 ten bedrage van ƒ 38.219. Daarbij is aan heffingsrente ƒ 5.710 berekend.

1.2. Belanghebbende heeft tegen deze naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Daarop heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De In-specteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Met schriftelijke toestemming van partijen heeft het Hof bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Daarop is het onderzoek gesloten op de voet van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende drijft een onderneming met als doel de verkoop van nieuwe en gebruikte auto’s.

2.2. Op 29 december 1995 heeft belanghebbende aan de vennootschap onder firma A te Q (verder: A) een 18-tal auto’s gefactureerd, voor een totaalbedrag van ƒ 274.795, met toepassing van de margeregeling zoals neergelegd in hoofdstuk V, afdeling 5, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). De door belanghebbende verrichte leveringen zijn ingevolge het bepaalde in artikel 28d van de Wet juncto artikel 4c, eerste lid, onder 1o, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 aangewezen voor "globalisatie". Belanghebbende heeft niet afgezien van toepassing van deze globalisatieregeling. Betaling van dit bedrag door A heeft niet plaatsgevonden.

2.3. Op 8 januari 1996 heeft belanghebbende in de inkoopadministratie dezelfde 18 auto’s, ook voor een bedrag van ƒ 274.795, geboekt als inkopen van A. A heeft deze auto's, eveneens onder toepassing van de margeregeling, aan belanghebbende teruggeleverd.

2.4. A heeft aan belanghebbende op 8 januari 1996 een factuur uitgereikt en verzocht om betaling van 18× ƒ 300 = ƒ 5.400, vermeerderd met 17,5% omzetbelasting, met als omschrijving van de prestatie “Voor u verrichte diensten”.

2.5. Bij brief van 23 mei 1996 heeft de Inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat een deelonderzoek zal worden ingesteld. In deze brief wordt onder meer vermeld: “Aangekondigd is een onderzoek naar het margedeel in de aangiften omzetbelasting van december 1995 en januari/februari 1996. Het onderzoek zal specifiek gericht zijn op de transakties inzake A vof te Q”.

2.6. In een brief waarvan het concept is gedagtekend 23 mei 1996 heeft de Inspecteur aan een collega van de Belastingdienst/Ondernemingen Q verslag gedaan van het bezoek dat is gebracht aan belanghebbende.

2.7. Bij voor bezwaar vatbare beschikking van 12 september 1997 heeft de Inspecteur belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in een verzoek om vaststelling van het zogenoemde negatieve jaarsaldo voor het kalenderjaar 1996, welk verzoek blijkens die beschikking op 4 september 1997 is gedaan. Naast de mededeling over de niet-ontvankelijkheid is de Inspecteur ambtshalve volledig aan het verzoek van belanghebbende tegemoetgekomen door het negatieve jaarsaldo vast te stellen op een bedrag van ƒ 200.276.

2.8. Op 15 november 2001 is bij belanghebbende opnieuw een boekenonderzoek ingesteld. Daarvan zijn de bevindingen neergelegd in een rapport van 19 november 2001. Blijkens § 1 van dit rapport was de reikwijdte van dit onderzoek “de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de jaren 1996 en 1997, voor wat betreft de toepassing van de margeregeling, waarbij dit uitdrukkelijk is beperkt tot een onderzoek naar de administratieve verwerking van de gang van zaken rond de deelname aan een autobeurs/show georganiseerd door VOF A te Q in december/januari 1995/1996”. Dit onderzoek heeft geleid tot het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur de onderhavige naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd. Het geschil spitst zich primair toe op de vraag of belanghebbende de in januari 1996 door hem van A teruggekochte auto's ten onrechte in zijn administratie tot de marge-inkopen heeft gerekend. Bij bevestigende beantwoording van vorenstaande vraag is in geschil of het opleggen van de naheffingsaanslag niettemin afstuit op door de Inspecteur in acht te nemen beginselen van behoorlijk bestuur, met name het vertrouwensbeginsel.

3.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de aangevallen uitspraak en van de naheffingsaanslag.

3.4. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat de primaire stelling van belanghebbende geen hout snijdt, zal het Hof eerst belanghebbendes subsidiaire standpunt beoordelen.

4.2. Op grond van de stukken van het geding staat vast dat de Inspecteur in mei 1996 bij belanghebbende een boekenonderzoek heeft verricht naar specifiek de transacties met A in de periode december 1995 - januari 1996. Dit onderzoek heeft niet geleid tot enige actie van de Inspecteur of anderszins een mededeling van zijn zijde dat het negatieve jaarsaldo van de margeregeling al dan niet zou worden beïnvloed door de inkopen van A in januari 1996.

4.3. Belanghebbende heeft op 4 september 1997 de Inspecteur verzocht om vaststelling van het negatieve jaarsaldo voor het kalenderjaar 1996. Op dit verzoek heeft de Inspecteur bij beschikking, gedagtekend 12 september 1997, overeenkomstig het verzoek van belanghebbende, het negatieve jaarsaldo vastgesteld op een bedrag van ƒ 200.276.

4.4. Naar het oordeel van het Hof hebben het in mei 1996 uitgevoerde boekenonder-zoek, welk onderzoek door de Inspecteur niet is aangegrepen om de transacties met A ter discussie te stellen, en de beschikking van 12 september 1997, welke op verzoek van belanghebbende is afgegeven en ten tijde waarvan de Inspecteur volledig op de hoogte was van alle feiten en omstandigheden met betrekking tot de transacties met A over de periode rond de jaarwisseling 1995-1996, bij belanghebbende de indruk kunnen wekken dat de handelingen van de Inspecteur berustten op een weloverwogen standpuntbepaling, dat in belanghebbendes geval de onderhavige handelingen rond de jaarwisseling 1995-1996 zouden leiden tot een negatief jaarsaldo voor het kalenderjaar 1996. Door niettemin de onderhavige transacties naar aanleiding van het tweede boekenonderzoek in 2001, meer dan vijf jaar later, alsnog te betwisten en de onderhavige naheffingsaanslag op te leggen, handelt de Inspecteur in strijd met het door hem gewekte vertrouwen.

4.5. Aan het vorenstaande oordeel doet niet af dat de Inspecteur in zijn beschikking van 12 september 1997 een algemeen geformuleerd voorbehoud heeft gemaakt. De Inspecteur was bij het geven van die beschikking immers volledig op de hoogte van de resultaten uit het onderzoek in mei 1996. Voorts mag worden verwacht dat een Inspecteur die een dergelijke beschikking ambtshalve neemt een onderzoek naar het gevraagde zal instellen. Aan het vorenstaande oordeel doet evenmin af dat in een soortgelijke zaak een beroepsprocedure werd gevoerd en de Inspecteur de resultaten daarvan wilde afwachten alvorens een definitief standpunt in te nemen met betrekking tot de fiscale verplichtingen van belanghebbende. Nog daargelaten of de situaties gelijk waren en of belanghebbende van de lopende procedure op de hoogte was, had het op de weg van de Inspecteur gelegen om belanghebbende, teneinde het wekken van vertrouwen te stuiten, uitdrukkelijk in te lichten omtrent de handelwijze die hij voornemens was jegens belanghebbende te volgen.

4.6. Uit het vorenoverwogene volgt dat het gelijk aan de zijde van belanghebbende is en dat het primaire geschilpunt onbesproken kan blijven. Het beroep is derhalve gegrond.

5. Proceskosten

Belanghebbendes proceskosten zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand van (1 punt à € 322 ×1 [wegingsfactor gewicht] =) € 322.

6. Beslissing

Het Gerechtshof:

– verklaart het beroep gegrond;

– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur voor zover daarbij de naheffingsaanslag is gehandhaafd, alsmede de naheffingsaanslag;

– gelast de Staat aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht van € 116 te vergoeden;

– veroordeelt de verweerder in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 322, te vergoeden door de Staat.

Aldus gedaan te Arnhem op 12 januari 2005 door mr. Kooijmans, voorzitter, mr. Ettema en mr. drs. Nieuwenhuizen. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Snoijink als griffier.

(W.J.N.M. Snoijink) (J.P.M. Kooijmans)

Afschriften van deze beslissing zijn aangetekend per post verzonden op 12 januari 2005

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij: de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer) postbus 20303, 2500 EH Den Haag (bezoekadres: Kazernestraat 52). Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.