Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AT5546

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
19-04-2005
Datum publicatie
17-05-2005
Zaaknummer
2004/760
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Zowel uit de inhoud van deze uitlating op zich, als uit de context daarvan, als ook uit de door [appellante] ter zitting van het hof mondeling verstrekte toelichting daarop, volgt dat deze uitlating moet worden opgevat als een beschuldiging aan het adres van [geïntimeerde] dat hij als deskundige willens en wetens (en dus opzettelijk) onware verklaringen heeft afgelegd in de door [appellante] aangespannen tuchtzaak. In dat verband wijst het hof in de eerste plaats op de pejoratieve bijklank van de door [appellante] gebruikte kwalificatie ‘vals’. Voorts blijkt uit de verdere tekst van het A4-tje dat [geïntimeerde] volgens [appellante] welbewust, met het oogmerk in de dierenartsenpraktijk gemaakte fouten te verdoezelen, onjuiste verklaringen heeft afgelegd. Dat [appellante]s uitlating in voornoemde zin moet worden opgevat blijkt ten slotte ook uit de combinatie van het begrip vals met het doen van aangifte, waarmee [appellante] ook naar eigen zeggen bedoeld heeft aangifte van een strafbaar feit te zullen doen bij de politie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 april 2005

eerste civiele kamer

rolnummer 2004-760 KG

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

procureur: mr P. Winkelman,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr J.M. Bosnak.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van het vonnis van 28 juli 2004 dat de voorzieningenrechter van de rechtbank te Arnhem tussen appellante (hierna ook te noemen: [appellante]) als gedaagde en geïntimeerde (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als eiser heeft gewezen; van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellante] heeft bij exploot van 11 augustus 2004 aangezegd van dat vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellante] elf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, heeft zij bewijs aangeboden en nieuwe producties in het geding gebracht, en heeft zij gevorderd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, I) het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter zal vernietigen en [geïntimeerde] in zijn vorderingen in eerste aanleg niet ontvankelijk zal verklaren, dan wel hem deze zal ontzeggen, alsmede II) dat het hof [geïntimeerde] zal veroordelen tot terugbetaling aan [appellante] van al hetgeen hij van haar ontving ten titel van dwangsommen uit hoofde van het bestreden vonnis, vermeerderd met de wettelijk rente over die bedragen, III) een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en producties in het geding gebracht, en heeft hij geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis – zo nodig met verbetering van gronden – zal bekrachtigen en het door [appellante] onder II) gevorderde zal afwijzen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten in beide instanties.

2.4 Ter zitting van 31 maart 2005 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellante] door mr P. Winkelman, advocaat te Tiel, en [geïntimeerde] door mr A.Th. de Walle, advocaat te Utrecht; beiden hebben daarbij hun pleitnotities alsmede de bij brieven d.d. 22 maart 2005 respectievelijk 21 maart 2005 op voorhand toegezonden producties in het geding gebracht.

2.5 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis genummerd 1. tot en met 7. feiten vastgesteld. Aangezien daartegen – met uitzondering van de hierna onder nummer 4.9 te bespreken kwestie – geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Inzet van de onderhavige kort gedingprocedure is in de eerste plaats de vraag of in deze voorshands genoegzaam aannemelijk is geworden dat de beschuldiging die [appellante] jegens [geïntimeerde] heeft geuit, gegrond is. Concreet gaat het dan om de in het ‘A4-tje’ van 7 mei 2004 voorkomende uitlating van [appellante] dat de door [geïntimeerde] in de tuchtzaak afgelegde verklaringen vals zijn en dat [appellante] van die valsheid aangifte doet.

4.2 Zowel uit de inhoud van deze uitlating op zich, als uit de context daarvan, als ook uit de door [appellante] ter zitting van het hof mondeling verstrekte toelichting daarop, volgt dat deze uitlating moet worden opgevat als een beschuldiging aan het adres van [geïntimeerde] dat hij als deskundige willens en wetens (en dus opzettelijk) onware verklaringen heeft afgelegd in de door [appellante] aangespannen tuchtzaak. In dat verband wijst het hof in de eerste plaats op de pejoratieve bijklank van de door [appellante] gebruikte kwalificatie ‘vals’. Voorts blijkt uit de verdere tekst van het A4-tje dat [geïntimeerde] volgens [appellante] welbewust, met het oogmerk in de dierenartsenpraktijk gemaakte fouten te verdoezelen, onjuiste verklaringen heeft afgelegd. Dat [appellante]s uitlating in voornoemde zin moet worden opgevat blijkt ten slotte ook uit de combinatie van het begrip vals met het doen van aangifte, waarmee [appellante] ook naar eigen zeggen bedoeld heeft aangifte van een strafbaar feit te zullen doen bij de politie.

4.3 Bij zijn beoordeling van de door [appellante] als vals gekwalificeerde verklaringen van [geïntimeerde] moet het hof vervolgens uitgaan van de context waarbinnen deze zijn ontstaan. [geïntimeerde] heeft deze verklaringen immers afgelegd omdat hij verschillende malen als deskundige werd geraadpleegd in de veterinaire tuchtzaak naar aanleiding van de dood van de hond van [appellante]. In deze tuchtzaak was hij voor het overige noch als beklaagde, noch als lid van de commissie, noch op andere wijze betrokken. [geïntimeerde] was derhalve in die tuchtzaak slechts gehouden tot het geven van zijn deskundig oordeel op basis van de hem daartoe aangereikte feiten. Dit impliceert dat alle bezwaren die [appellante] in de onderhavige procedure formuleert op het gebied van de behandeling van haar hond in de betreffende dierenartsenpraktijk en de wijze waarop zij daar is bejegend, alsmede bezwaren die zij naar voren brengt over de wijze van behandeling van haar zaak bij de tuchtcommissie en de commissie van beroep, alsook bezwaren die zij uit over de feiten die [geïntimeerde] aan zijn deskundig oordeel ten grondslag heeft gelegd, niet kunnen dienen ter onderbouwing van de door [appellante] geuite beschuldiging aan het adres van [geïntimeerde].

4.4 Gegeven dit beoordelingskader stelt het hof voorshands vast dat [appellante] geen (begin van) objectief bewijs heeft bijgebracht voor de gegrondheid van voornoemde beschuldiging, noch ten aanzien van de onjuistheid van de verklaringen van [geïntimeerde], noch ten aanzien van zijn opzet onjuiste verklaringen af te leggen. Met name kan niet als objectief bewijs dienen de door [appellante] als productie 8 bij memorie van grieven overgelegde brief van [A.] d.d. 20 augustus 2003, nu deze brief slechts in algemene bewoordingen ingaat op in het voorliggende geval gebruikte middelen, en de brief afsluit met het advies een deskundige op het gebied van de veterinaire anesthesiologie te raadplegen. Hetzelfde geldt voor de brief van [B.] van 8 april 2002 (productie 6 bij memorie van grieven), nu ook deze brief slechts algemene opmerkingen bevat over de in het voorliggende geval gebruikte (en andere) middelen. Daar komt bij dat [B.] in zijn brief van 10 oktober 2000 (productie 9 bij memorie van antwoord, p. 3) al had aangegeven dat de in concreto gebruikte doses eerder te weinig dan te veel waren: ‘met name de dosering van Ketamine in de onderhavige casus is aan de lage kant (…). Dit geldt in mindere mate ook voor medetomidine’ (=Domitor). Ook in de in het geding gebrachte literatuur – waaronder artikelen van de hand van [geïntimeerde] zelf – zijn slechts algemene beschouwingen te vinden over het gebruik van de diverse middelen, en de mogelijkheden en gevaren van combinaties daarvan. Uit geen van deze bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de door [geïntimeerde] als deskundige afgelegde verklaringen over de in het voorliggende geval gebruikte specifieke middelen, uitgaande van de opgegeven de doseringen en toedieningstijdstippen, onjuist zijn, en nog veel minder dat [geïntimeerde] opzettelijk onware verklaringen zou hebben afgelegd. Het een noch het ander blijkt voorts uit de inhoud van die verklaringen zelf, ook niet wanneer zij in onderling verband worden beschouwd.

4.5 Nu de gegrondheid van [appellante]s beschuldiging daarmee niet aannemelijk geworden is, moet voorshands worden aangenomen dat zij onjuist is. Uitgaande van de gebleken omstandigheden van het geval – waaronder de ernst van de geuite beschuldiging die [geïntimeerde] raakt in zijn wetenschappelijke integriteit, de grote bekendheid die [appellante] aan deze beschuldiging heeft gegeven door haar te verspreiden onder een zeer substantieel deel van alle dierenartsen in Nederland, alsmede door de impact van de beschuldiging, welke impact ter zitting aan de orde is gekomen en voor welke impact ook de reacties uit het veld die [appellante] in haar pleidooi in hoger beroep heeft aangehaald een indicatie zijn – moet het handelen van [appellante] als onrechtmatig jegens [geïntimeerde] worden aangemerkt. In het verlengde daarvan moet ook worden aangenomen dat [geïntimeerde] belang heeft bij de door hem gewenste en in eerste aanleg toegewezen rectificatie, nu deze voorziening ertoe kan bijdragen dat de schade die hij als gevolg van [appellante]s handelen lijdt of heeft geleden, wordt weggenomen.

4.6 In dit kader dient het hof zich echter af te vragen of en op welke wijze de veroordeelde in staat zal zijn aan de veroordeling te voldoen. In het onderhavige geval heeft [appellante] in hoger beroep gemotiveerd en onder overlegging van bescheiden (met name de brief van De Telefoongids d.d. 24 november 2004, gehecht aan de door [appellante] in hoger beroep overgelegde pleitaantekeningen) aangegeven feitelijk niet in staat te zijn aan de onder 1. in het dictum in eerste aanleg vervatte veroordeling te voldoen. Op zichzelf heeft [geïntimeerde] de aan die onmogelijkheid ten grondslag liggende omstandigheden ook niet weersproken, maar slecht aangegeven dat [appellante] die onmogelijkheid aan zichzelf te wijten heeft. Dat laatste neemt echter niet weg dat het hof [appellante] niet op straffe van dwangsommen tot het doen van die – immers niet mogelijke – schriftelijke opgave kan verplichten. De daartoe strekkende veroordeling zal het hof dan ook vernietigen.

4.7 Ten aanzien van het verzenden van de onder 2. van het dictum in eerste aanleg verwoorde rectificatie geldt echter wel dat het voor [appellante]s risico komt dat zij niet meer precies weet aan wie zij haar mailing van 7 mei 2004 heeft verzonden. Aldus had het op haar weg gelegen zodanige maatregelen te nemen dat zij zeker wist dat in ieder geval aan alle personen of instellingen aan wie de eerdere mailing is verzonden, de rectificatie zou zijn verzonden. Mede gezien het verhandelde ter zitting acht het hof de daartoe aan [appellante] gegeven termijn echter te kort en stelt het deze op zeven dagen. Voorts zal het hof – alle betrokken belangen afwegend – het maximum aan eventueel verbeurde dwangsommen te stellen bepalen op € 15.000,--.

4.8 Met inachtneming van het voorgaande moet het vonnis van de voorzieningenrechter voor het overige worden bekrachtigd. Ten aanzien van de verdere door [appellante] in hoger beroep betrokken stellingen merkt het hof nog het volgende op.

4.9 Terecht wijst [appellante] er in haar eerste grief op dat [geïntimeerde] – naast zijn mondelinge verklaringen bij het tuchtcollege d.d. 6 december 2001 – in totaal niet twee maar drie schriftelijke verklaringen heeft opgesteld. In zoverre dient de feitenvaststelling in het bestreden vonnis onder 2. te worden aangevuld. Tot een andere uitkomst van dit hoger beroep leidt die correctie niet. Voor de overige punten die [appellante] aan de feitenvaststelling toegevoegd wil zien, geldt in overwegende mate dat geen sprake is van feiten maar van (betwiste) stellingen en bovendien dat het overgrote deel van deze stellingen – gezien voornoemde beoordelingscontext – niet relevant is voor de uitkomst van dit geding.

4.10 De vraag of en in hoeverre de tuchtrechtelijke procedures die [appellante] over de voorliggende zaak heeft geëntameerd voldoen aan de vereisten van art. 6 EVRM, behoeft hier evenmin beantwoording, nu uit de hiervoor weergegeven beoordelingscontext blijkt dat het antwoord op die vraag niet van invloed is op de rechtsverhouding tussen [appellante] en [geïntimeerde].

4.11 De complexiteit van de materie die in de verklaringen van [geïntimeerde] wordt behandeld, staat er ten slotte niet aan in de weg deze kwestie in kort geding te beoordelen, reeds omdat die gestelde complexiteit [appellante] er ook niet van weerhouden heeft zich in voornoemd A4-tje – houdende de gewraakte uitlating – tot een belangrijk deel van [geïntimeerde]’ vakgenoten te richten.

Slotsom

4.12 Het hoger beroep is grotendeels ongegrond, zodat het bestreden vonnis – met inachtname van hetgeen hiervoor in onder 4.6 en 4.7 is overwogen – moet worden bekrachtigd. Het hof is niet in staat te beoordelen of en in hoeverre reeds betaalde dwangsommen onverschuldigd zijn betaald, zodat de daarop betrekking hebbende vordering van [appellante] niet voor toewijzing in aanmerking komt.

4.13 Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal [appellante] ook in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Arnhem van 28 juli 2004 ten aanzien van de veroordeling onder 1, alsmede ten aanzien van de termijn van drie dagen in de veroordeling onder 2, alsmede ten aanzien van het maximum van de te verbeuren dwangsommen in de veroordeling onder 3;

wijst het door [geïntimeerde] onder 1 gevorderde af, en stelt de termijn in de veroordeling onder 2 vast op zeven dagen, en bepaalt dat het maximum van de te verbeuren dwangsommen in de veroordeling onder 3 € 15.000,- bedraagt;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 2.682,- voor salaris van de procureur en op € 385,- voor griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs Hammerstein, Houtman en Van den Brink in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 april 2005. Bij afwezigheid van de voorzitter is dit arrest ondertekend door de oudste raadsheer.