Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AT5318

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-05-2005
Datum publicatie
10-05-2005
Zaaknummer
875/2004
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatie, behoefte vrouw en draagkracht man

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2005/69

Uitspraak

3 mei 2005

Familiekamer

Rekestnummer 875/2004

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in het principaal beroep,

verweerder in het incidenteel beroep,

verder te noemen “de man”,

procureur mr C.G. Th. Van Ouwerkerk,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats ],

verweerster in het principaal beroep,

verzoekster in het incidenteel beroep,

verder te noemen “de vrouw”,

procureur mr J.A.C. van Etten.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Zutphen van 7 juli 2004, uitgesproken onder zaaknummer 59154 FARK 03-2365.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 5 oktober 2004, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Hij verzoekt het hof die beschikking met betrekking tot de daarbij vastgestelde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te vernietigen en die bijdrage vast te stellen op een bedrag tussen de € 1.350,- en € 1.900,- per maand, althans op een bedrag dat het hof juist acht.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 2 november 2004, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. Daarbij heeft zij tevens incidenteel beroep ingesteld. Zij verzoekt het hof bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad in het principaal beroep de grieven te verwerpen en in het incidenteel beroep de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij de door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud is vastgesteld op € 2.305,- per maand en, opnieuw beschikkende, die bijdrage met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand vast te stellen op € 2.500,- per maand, althans op een zodanig bedrag met ingang van zodanige datum als het hof juist acht.

2.3 De man heeft in het incidenteel beroep geen verweerschrift ingediend.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 31 maart 2004 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de man bijgestaan door mr M.J. Menger-van der Spek, advocaat te Maastricht, en de vrouw bijgestaan door mr S.P. ter Linden, advocaat te Apeldoorn.

2.5 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een brief van de advocaat van de man van 16 maart 2005 met bijlagen, een brief van de advocaat van de vrouw van 18 maart 2005 met bijlage en een faxbericht van de advocaat van de man van 8 april 2005 met als bijlage de jaaropgave 2004 en de salarisspecificaties van maart en december 2004 van de man.

3 De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 10 december 1971 met elkaar gehuwd. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank te Zutphen echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 24 maart 2005 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Uit het huwelijk van partijen zijn twee thans meerderjarige kinderen geboren.

3.3 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank voorts bepaald dat de man vanaf de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met € 2.305,- per maand.

3.4 Partijen zijn in juni 2002 verhuisd van [A] naar [B]. Sinds 1 juli 2003 woont de vrouw weer in [A].

Ten aanzien van de man

3.5 De man is alleenstaand. Hij is van 1 oktober 2000 tot 1 januari 2005 in dienst geweest van DSM Limburg B.V. Vanaf begin 2002 werkte de man op een vestiging van DSM in [...]. Het netto inkomen van de man bedroeg volgens de salarisspecificaties van december 2003 en januari 2004 respectievelijk € 4.055,84 en € 4.108,12 per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en bonussen. Het inkomen van de man bedroeg volgens de jaaropgaven over 2002, 2003 en 2004 respectievelijk € 110.225,-, € 115.984,- en € 127.661,-. In de jaaropgave 2004 is betrokken een (belast) voorschot van € 10.000,- op de belaste uitkering die de man in december 2004 is toegekend in verband met beëindiging van zijn dienstverband en een vergoeding van € 5.808,- wegens niet opgenomen verlofdagen.

Blijkens de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank te Heerlen van 24 november 2004 is het dienstverband van de man met DSM met ingang van 1 januari 2005 ontbonden. Aan het verzoek van DSM tot ontbinding lag ten grondslag een -niet door de man weersproken- verstoorde arbeidsrelatie die de man niet valt te verwijten, doch die een voortzetting van het dienstverband onmogelijk maakt. Daarbij is aan de man een belaste vergoeding van € 96.804,- toegekend.

Vanaf 25 januari 2005 ontvangt de man een loongerelateerde WW-uitkering van € 117,39 bruto per dag, te vermeerderen met vakantietoeslag.

3.6 De lasten van de man bedragen per maand:

- € 2.182,63 aan hypotheekrente;

- € 67,73 aan premie levensverzekering gekoppeld aan de hypotheek;

- € 95,- aan overige eigenaarslasten;

- € 118,87 aan premie ziektekostenverzekering, waarop in mindering komt € 32,- die zijn begrepen in de in de bijstandsnorm;

- € 65,66 aan lijfrentepremie;

- € 926,- aan kosten ten behoeve van de studerende kinderen van partijen.

Het eigenwoningforfait van de woning bedraagt € 2.694,- per jaar.

Ten aanzien van de vrouw

3.7 De vrouw, geboren op 17 september 1950, vormt met het jongste zoon van partijen een gezin. De vrouw heeft van 1997 tot de verhuizing van partijen in juni 2002, 20 uur per week gewerkt bij Rijkswaterstaat. Haar laatst verdiende loon aldaar bedroeg ongeveer € 735,- netto per vier weken. De vrouw is in juni 2002 meeverhuisd met de man naar [B]. Zij is op 1 juli 2003 terugverhuisd naar [A]. Sinds 8 oktober 2003 werkt de vrouw als receptioniste/telefoniste. Het inkomen van de vrouw bedroeg blijkens de salarisspecificaties van december 2003 en januari 2004 respectievelijk € 948,83 netto en € 962,18 netto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag. Met ingang van 8 april 2004 is het aantal uren dat de vrouw werkt, verminderd van 27 naar 18 uur per week. Na vermindering van haar arbeidsuren bedraagt het inkomen van de vrouw ongeveer € 700,- netto per maand. Vanaf oktober 2004 werkt de vrouw 20 uur per week. Blijkens de overgelegde jaaropgave 2004 bedroeg haar inkomen in 2004 € 13.227,-. Het tijdelijk arbeidscontract van de vrouw loopt tot eind april 2005.

De vrouw is tegen ziektekosten verzekerd krachtens de Ziekenfondswet.

3.8 De lasten van de vrouw bedragen per maand:

- € 725,- aan kale huur en € 50,- aan vergoeding voor bijkomende leveringen en diensten;

- € 26,25 aan premie aanvullende ziekenfondsverzekering;

- € 5,71 aan premie begrafenisverzekering.

4 De motivering van de beslissing in het principaal en het incidenteel beroep

4.1 In geschil is de door de rechtbank met ingang van 24 maart 2005 vastgestelde bijdrage van € 2.305,- per maand in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

4.2 Partijen verschillen van mening over de hoogte van de behoefte van de vrouw en over de vraag in hoeverre de vrouw hierin zelf kan voorzien.

4.3 Het hof overweegt dat bij het bepalen van de mede aan de welstand tijdens het huwelijk gerelateerde behoefte van de man rekening gehouden dient te worden met alle relevante omstandigheden waaronder zowel de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk als het uitgavenpatroon in dezelfde periode. De behoefte dient daarnaast zoveel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud te worden bepaald.

4.4 Voor de bepaling van de behoefte van de vrouw maakt het hof voorts gebruik van een in de praktijk ontwikkelde, en door partijen in hoger beroep ook aangehaalde, rekenmethode die inhoudt dat eerst het besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk wordt berekend, daarvan worden afgetrokken de kosten van de kinderen -in dit geval is tussen partijen in confesso dat die kosten € 926,- per maand bedragen- en van het restant 60% wordt genomen, omdat een eenpersoonshuishouden duurder is dan de helft van een tweepersoonshuishouden.

4.5 Volgens de man is dat gezinsinkomen van partijen ten tijde van het huwelijk gelijk aan de hoogte van zijn inkomen uit arbeid destijds, € 4.100,- netto per maand. Volgens de vrouw bedraagt dat gezinsinkomen € 4.850,- netto per maand, namelijk het netto inkomen uit arbeid van de man destijds van € 4.100,- per maand te vermeerderen met haar inkomen uit arbeid gedurende de laatste jaren van het huwelijk van partijen van € 750,- netto per maand.

4.6 Voor de bepaling van de hoogte van het gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk acht het hof het in het onderhavige geval redelijk uit te gaan van het inkomen van partijen in de jaren 2002 tot en met 2004, temeer nu de echtscheidingsbeschikking eerst op 24 maart 2005 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Het inkomen van de man bedroeg in die periode € 4.100,- netto per maand. De vrouw heeft de laatste jaren van het huwelijk van partijen, vanaf 1997, inkomsten uit arbeid gehad. Deze inkomsten zijn komen te vervallen doordat de vrouw is meeverhuisd met de man naar [B]. In de periode van juni 2002 tot 8 oktober 2003 heeft de vrouw daardoor geen inkomsten uit arbeid gehad. Gelet hierop en gelet op de hoogte van het gemiddelde inkomen van de vrouw in de jaren 2002 tot en met 2004, zoals hiervoor onder 3.7 vermeld, acht het hof het redelijk gemiddeld € 500,- netto per maand als inkomen van de vrouw in aanmerking te nemen bij de bepaling van het gezinsinkomen van partijen tijdens de laatste jaren van het huwelijk. Het hof berekent het gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk dan ook op circa € 4.600,- netto per maand. Dit levert een behoefte van de vrouw op van (€ 4.600,- minus € 926,- = € 3.674,- x 60% =) € 2.204,- netto per maand. Het hof ziet geen aanleiding deze behoefte te corrigeren gelet op de hiervoor onder 3.6 vermelde hypothecaire lasten van de man omdat de fiscale aftrekbaarheid van de hypotheekrente nu eenmaal tot gevolg had dat het netto inkomen dat partijen tot hun beschikking hadden hoger was dan het zonder die aftrek zou zijn geweest.

4.7 Op voormelde behoefte strekken in mindering de inkomsten uit arbeid van de vrouw, ongeveer € 700,- netto per maand, zodat een aanvullende behoefte resteert van € 1.500,- netto per maand. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de vrouw dat zij een arbeidscontract heeft dat eindigt met ingang van 1 mei 2005 en dat waarschijnlijk niet zal worden verlengd, zoals de vrouw tijdens de mondelinge behandeling heeft gesteld. Gelet op de werkervaring van de vrouw als administratief medewerkster en interieurverzorgster, en haar stelling dat zij anders dan voorheen zichzelf in staat acht om meer uren per week te werken, kan de verdiencapaciteit van de vrouw in redelijkheid worden vastgesteld op hetgeen zij thans aan inkomen uit arbeid verwerft, namelijk circa € 700,- netto per maand. Mocht het arbeidscontract van de vrouw niet worden verlengd, dan kan van de vrouw worden gevergd dat zij zich inspant een dergelijk inkomen uit arbeid wederom, op korte termijn, te verwerven. Dat zij binnen afzienbare tijd in staat kan worden geacht meer uren te werken dan voorheen acht het hof thans nog te onzeker zodat het met die situatie nog geen rekening houdt.

4.8 De behoefte van de vrouw van € 1.500,- netto per maand betekent dat zij behoefte heeft aan een alimentatie van € 2.425,- bruto per maand. Dat de vrouw behoefte heeft aan een door de man te betalen aanvullende bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van maximaal € 2.425,- per maand staat daarmee naar het oordeel van het hof voldoende vast.

4.9 De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om de vastgestelde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te betalen. De vrouw betwist dat en stelt dat de draagkracht van de man een bijdrage van € 2.500,- per maand toelaat.

4.10 Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de man uit van de hiervoor onder 3.5 en 3.6 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld. Het hof gaat aan de zijde van de man uit van de bijstandsnorm voor een alleenstaande en het daarbij behorende draagkrachtpercentage van 60. Het hof laat in het midden of de man, zoals de vrouw stelt en de man betwist, samen woont met een vriendin omdat dit gegeven in dit geval voor de te hanteren bijstandsnorm en draagkrachtpercentage niet van belang is.

4.11 Wat betreft het inkomen van de man overweegt het hof als volgt.

De man heeft aangetoond dat zijn arbeidsovereenkomst met zijn voormalige werkgever op 1 januari 2005 is ontbonden. Nu de vrouw haar stelling, dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst aan de man te wijten is niet nader heeft onderbouwd, heeft de vrouw die stelling tegenover de betwisting daarvan door de man onvoldoende aannemelijk gemaakt en gaat het hof daaraan voorbij.

4.12 Uit de brief van het CWI van 18 februari 2005, bijlage bij brief van de advocaat van de man van 16 maart 2005, blijkt dat de man een WW-uitkering ontvangt met ingang van 25 januari 2005. Het hof betrekt deze uitkering vanaf 1 februari 2005 in de draagkrachtberekening van de man.

4.13 Het hof houdt geen rekening met het feit dat de man erover denkt om met ingang van 1 mei 2005, indien hij dan nog geen andere werkkring heeft gevonden, een eigen onderneming te beginnen. Die vrije keus van de man zou met zich brengen dat zijn WW-uitkering komt te vervallen. Anders dan de man is het hof van oordeel dat die keus van de man niet ten laste dient te komen van zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw. Van de man kan in het kader van die onderhoudsverplichting worden gevergd dat hij dusdanige inkomsten uit die eventueel te starten onderneming verwerft om enig inkomstenverlies wegens beëindiging van de WW-uitkering op te vangen. Dat met het eventueel opzetten van een zelfstandige onderneming een bedrag van € 10.000,- gemoeid is, welk bedrag reeds thans in mindering zou moeten worden gebracht op de door de man ontvangen ontbindingsvergoeding heeft hij, tegenover de betwisting door de vrouw, niet aannemelijk gemaakt. Aan deze stelling gaat het hof dan ook voorbij. Gelet op de verklaring van de man tijdens de mondelinge behandeling heeft hij wel voldoende aannemelijk gemaakt dat hij zich door middel van sollicitaties voldoende inspant voor het vinden van een andere werkkring.

4.14 De man heeft in verband met de ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst een ontbindingsvergoeding van € 96.804,- bruto ontvangen. Evenals de man acht het hof het redelijk bij de bepaling van zijn draagkracht rekening te houden met het feit dat hij van de ontbindingsvergoeding in januari 2005 een bedrag van € 8.067,- bruto en in de maanden februari 2005 tot en met april 2005 een bedrag van € 5.767,- bruto per maand heeft opgenomen, op welke wijze de man in die periode ongeveer hetzelfde inkomen heeft genoten als in 2004 (welk inkomen het hof gelet op de overgelegde jaaropgave en de in de salarisspecificatie van december 2004 vermelde vergoedingen vast stelt op € 127.661,- minus € 15.808,- = € 111.853,- op jaarbasis). Het hof acht dit temeer redelijk nu de man in die periode dezelfde lasten heeft gehad als in 2004, waaronder de hoge woonlasten van de voormalige echtelijke woning van partijen, die te koop staat. Rekening houdend met het voorgaande resteert vanaf 1 mei 2005 van de ontbindingsvergoeding een bedrag van (€ 96.804,- minus € 25.368,- =) € 71.436,-.

4.15 Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man gesteld dat hij vanaf 1 mei 2005 de lasten van de voormalige echtelijk woning niet meer zal betalen. Hij verwacht dat een overwaarde uit de verkoop van die woning zal resteren van ongeveer € 120.000,- en dat de achterstallige termijnen daaruit kunnen worden voldaan. Gelet hierop laat het hof die lasten vanaf 1 mei 2005 bij de bepaling van de draagkracht van de man buiten beschouwing.

4.16 Omdat de inkomenspositie van de vrouw per 1 mei 2005 onvoldoende zekerheid biedt, nu haar tijdelijk contract per die datum eindigt, heeft zij tijdens de mondelinge behandeling verzocht vanaf 1 mei 2005 geen rekening meer te houden met de door de man betaalde bijdrage in kosten van de studerende kinderen van partijen van € 926,- per maand. De vrouw verzoekt het hof ook geen rekening te houden met de in de brief van de advocaat van de man van 16 maart 2005 voorgestelde reserveringen voor die studiekosten, die de man in mindering brengt op zijn ontvangen vergoeding. Gelet op de leeftijd van de kinderen van partijen, beiden zijn sinds 1 mei 2005 ouder dan 21 jaar, bestaat dan geen wettelijke onderhoudsverplichting van de man meer jegens hen. Met de vrouw is het hof van oordeel dat zij -desgewenst- in aanmerking kunnen komen voor een hogere studiefinancieringsuitkering. Gelet op de hiervoor vastgestelde aanvullende behoefte van de vrouw is het hof van oordeel dat met ingang van 1 mei 2005 de door de man voorgestelde reserveringen ten behoeve van de kinderen geen voorrang dienen te krijgen op de door de de vrouw verzochte bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud.

4.17 Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van het inkomen van de man is overwogen gaat het hof bij de bepaling van de draagkracht van de man tot 1 mei 2005 uit van het inkomen van de man uit arbeid in 2004 en vanaf 1 mei 2005 van zijn WW-uitkering en een resterend bedrag uit de ontbindingsvergoeding van € 71.436,-.

4.18 De man heeft niet aangetoond dat de eigenaarslasten van de voormalige echtelijke woning tot 1 mei 2005 hoger zijn geweest dan het in het algemeen in aanmerking te nemen bedrag van € 95,- per maand. Dit bedrag betrekt het hof in de draagkrachtberekening van de man.

4.19 Naar het oordeel van het hof heeft de door de man opgevoerde lijfrentepremie van € 65,66 per maand geen voorrang op zijn onderhoudsplicht jegens de vrouw. Dat er sprake is van een pensioengat bij de man heeft hij onvoldoende aannemelijk gemaakt. Bij de bepaling van de draagkracht van de man laat het hof deze last dan ook buiten beschouwing.

4.20 De man heeft de door hem opgevoerde lasten van € 75,- per maand in verband met het verblijf van de huisdieren van partijen (de hond en de kat) in een pension, onvoldoende feitelijk onderbouwd. Voorts heeft de man tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de hond van partijen inmiddels bij zijn vriendin verblijft. Bovendien is het arbeidscontract van de man inmiddels ontbonden, zodat het hof het niet langer aannemelijk acht dat de man in verband met zijn werk die dieren af en toe tijdelijk dient onder te brengen in een pension en hij dergelijke kosten ook na 1 januari 2005 nog heeft gemaakt. Het hof houdt met deze lasten geen rekening.

4.21 Gelet op de huidige feitelijke situatie van partijen waarin de voormalige echtelijke woning niet is verkocht, de man geen woonlasten voor die woning meer betaalt vanaf 1 mei 2005 en de man heeft verklaard niet samen te wonen met zijn vriendin is het hof van oordeel dat thans nog geen rekening kan worden gehouden met een door de man te betalen woonlast ná verkoop van de voormalige echtelijke woning, zoals door de vrouw verzocht. Het hof acht een en ander thans te prematuur.

4.22 Op grond van het voorgaande en rekening houdend met de fiscale consequenties is de man tot 1 mei 2005 in staat € 2.000,- per maand aan alimentatie te voldoen. Het hof is van oordeel dat van de man gevergd kan worden dat hij het resterende bedrag van de ontbindingsvergoeding van € 71.436,- aanwendt voor de aanvulling van zijn lagere inkomen vanaf 1 mei 2005. Daarmee kan de man gedurende drie jaar zijn inkomen aanvullen met € 1.936,- bruto per maand, zodat hij ook gedurende die periode in staat is een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te betalen van € 2.000,- per maand. Na die periode van drie jaar kan de man -bij overigens ongewijzigde omstandigheden- € 810,- per maand aan alimentatie betalen.

5 De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hierboven is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te vernietigen.

5.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank te Zutphen van 7 juli 2004, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw in de periode van 24 maart 2005 tot 1 mei 2008 € 2.000,- per maand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud zal betalen en vanaf 1 mei 2008 -indien de in deze beschikking in aanmerking genomen omstandigheden overigens ongewijzigd zijn- € 810,- per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs Van Ginkel, Mens en Tjittes en is op 3 mei 2005 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.