Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AT4902

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
29-04-2005
Datum publicatie
29-04-2005
Zaaknummer
21-004587-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitspraak in de strafzaak tegen Peter K.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-004587-04

Uitspraak d.d.: 29 april 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 30 juli 2004 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te Nijmegen op [1945],

wonende te Nijmegen, [adres],

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Arnhem - Huis van Bewaring Arnhem Zuid.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 17 januari 2005 en 15 april 2005 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen nu het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 18 september 2003 te Nijmegen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, meerdere malen met een vuurwapen op die [slachtoffer] heeft geschoten, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 18 september 2003 te Nijmegen opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk meerdere malen met een vuurwapen op die [slachtoffer] heeft geschoten, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 18 september 2003 te Nijmegen opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk meermalen met een vuurwapen op die [slachtoffer] heeft geschoten, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden.

Verweren

Door en namens de verdachte is aangevoerd dat niet verdachte de dodelijke schoten heeft afgevuurd op het slachtoffer maar een onbekend gebleven derde: een man met een rode zakdoek voor zijn gezicht.

Het hof acht het verweer, dat niet verdachte, maar een onbekend gebleven derde de fatale schoten op het slachtoffer heeft afgevuurd, niet aannemelijk.

Niet aannemelijk is immers dat een derde persoon kon weten of en wanneer het slachtoffer -al dan niet in gezelschap van een of meer anderen- het bedrijfspand zou verlaten en daarom op klaarlichte dag op een voor anderen vrijelijk toegankelijke en veel gebruikte doorgangsroute tussen twee bedrijfspanden -en voor die anderen duidelijk zichtbaar- zou hebben staan wachten op de gelegenheid om het slachtoffer neer te schieten.

Het onderzoek op de plaats van het misdrijf heeft geen enkele aanwijzing opgeleverd dat buiten het slachtoffer en verdachte een derde persoon ter plaatse aanwezig was toen de fatale schoten van zeer nabij werden afgevuurd. Integendeel, slechts luttele minuten voordat het slachtoffer en verdachte het pand verlieten was de broer van het slachtoffer door diezelfde deur naar buiten gegaan zonder dat hem iets of iemand was opgevallen. Geen van de getuigen, die in de aangrenzende bedrijfspanden verbleven en vrijwel onmiddellijk na het horen van de schoten naar buiten keken of gingen kijken, heeft iemand zien vluchten of wegrennen.

Verdachte heeft zich onmiddellijk en kennelijk ongedeerd van de plaats van het misdrijf verwijderd; hem is klaarblijkelijk door niemand een strobreed in de weg gelegd, terwijl hij toch

-als (enige) getuige- een bedreiging voor de onbekende derde geweest zou moeten zijn.

Pas halverwege de volgende dag is verdachte aangetroffen bij het graf van zijn vrouw en heeft aanvankelijk verklaard zich niets te kunnen herinneren van hetgeen zich vanaf het moment, waarop hij met het slachtoffer de trap afliep, heeft afgespeeld.

Pas bij gelegenheid van de reconstructie op de plaats van het misdrijf heeft verdachte verklaard dat een onbekende derde het slachtoffer direct bij het verlaten van het pand bij de deur wegtrok en een aantal schoten afvuurde.

Deze verklaring van verdachte is evenwel onverenigbaar met de bevindingen van het Nederlands Forensisch Instituut omtrent de volgorde en richting van de verschillende schoten blijkens de inslagen in het lichaam en de plaats waar de hulzen, alsmede het lichaam zelf, werden aangetroffen.

Het wapen, waarmee de schoten zijn afgevuurd, is op 24 september 2003 aangetroffen in de berm van de Westkanaaldijk te Nijmegen.

Uit het onderzoek naar de historische printgegevens van de mobiele telefoon, die bij verdachte in gebruik was, is gebleken, dat enkele minuten na de schietpartij met dit nummer is gebeld naar het nummer van verdachtes dochter via een zendmast aan de Teersdijk in Nijmegen, die van westelijke naar zuidelijke richting werd aangestraald, en een kwartier later naar een ander nummer via een zendmast aan de H. Dunantstraat te Gendt, die in zuidelijke richting werd aangestraald. Deze bevindingen laten zich zonder moeite verenigen met het onderwijl volgen van een route langs de locatie aan de Westkanaaldijk, waar het moordwapen is aangetroffen.

Het hof is voorts van oordeel dat de door en namens verdachte bepleite vrijspraak van de gehele tenlastelegging wordt weersproken door de bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van die, van de lezing van verdachte afwijkende, bewijs-middelen te twijfelen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf

Doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft de verdachte ter zake van moord veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 jaren. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte ter zake van moord veroordeeld wordt tot een gevangenisstraf van 15 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen vrijheidsstraf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag op klaarlichte dag en op een voor anderen vrijelijk toegankelijke plaats. Het nemen van het leven van een ander is een zo ernstig feit dat alleen een vrijheidsbenemende straf van langere duur in aanmerking komt.

Verdachte is met een geladen vuurwapen op weg gegaan naar een afspraak met het latere slachtoffer [slachtoffer]. Na afloop van dat gesprek, dat hoogstwaarschijnlijk ongunstig en teleurstellend voor verdachte is verlopen, heeft verdachte na het verlaten van het kantoor van het slachtoffer zesmaal op het slachtoffer geschoten. Hij heeft daarbij het slachtoffer eerst in de buik en de rug geraakt, waarna hij van korte afstand nog vier schoten op het slachtoffer heeft afgevuurd en het slachtoffer in de nek en het hoofd heeft geraakt.

Na de schietpartij is hij gevlucht. Tengevolge van dit feit is het slachtoffer overleden.

Voorts staat vast dat deze schietpartij de rechtsorde in ernstige mate heeft geschokt, waardoor de gevoelens van onveiligheid in de maatschappij ernstig worden versterkt.

Over de persoon van verdachte zijn verschillende rapporten opgemaakt, onder andere twee door drs J.P.M. van der Leeuw, psycholoog/psychotherapeut, en twee door dr L.H.W.M. Kaiser, psychiater.

De psychiater Kaiser heeft in haar rapport van 17 november 2003 onder meer geconcludeerd dat de toestand van verdachte vooral gekenmerkt wordt door pathologische rouw met depressie. Als het delict bewezen wordt geacht door verdachte te zijn gepleegd is het meest aannemelijk dat er in relatie tot en ten tijde van het begaan van het tenlastegelegde feit sprake is geweest van een ziekelijke stoornis zijner geestvermogens in de vorm van een pathologische rouw na het overlijden van zijn vrouw, waardoor hij het faillissement van zijn bedrijf en het niet kunnen schenken aan zijn kinderen als gevolg van het achterwege laten van betaling door het slachtoffer niet kon verdragen. De rouw maakte dat hij iets minder dan normaal zijn wil conform een dergelijk besef kon bepalen. Het tenlastegelegde kan verdachte, indien bewezen, dan ook licht verminderd worden toegerekend.

De psycholoog/psychotherapeut Van der Leeuw komt hieromtrent tot de conclusie van verminderd toerekeningsvatbaar. Blijkens zijn rapport van 28 november 2003 is bij verdachte sprake van een ziekelijk stoornis in de zin van een stemmingsstoornis NAO en van pathologische rouw. Verdachte leefde na het overlijden van zijn vrouw een moedeloos bestaan. Het (dreigend) verlies van zijn bedrijf heeft de moedeloosheid en uitzichtloosheid van verdachte waarschijnlijk enkel maar vergroot. Verdachte voelde zich bij de verkooppogingen van zijn bedrijf door het slachtoffer aan het lijntje gehouden. De woede hierover in combinatie met de somberte kan verdachte hebben gepredisponeerd tot het begaan van het tenlastegelegde.

Derhalve heeft verdachte niet geheel de beschikking gehad over volledige vrijheid tot wilsbesluiten.

Het hof vindt in de hiervoor genoemde rapporten gronden aanwezig om te concluderen dat verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

Het hof heeft met betrekking tot de persoon van verdachte het rapport van drs J.H.A.M. Kobussen, klinisch psycholoog-psychotherapeut en zijn verklaring als deskundige, afgelegd op de terechtzitting van het hof van 15 april 2005, niet mede redengevend geacht.

Alle omstandigheden in aanmerking nemend is het hof van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf van 10 jaren aangewezen is.

De vordering van de benadeelde partij

Namens de benadeelde partij, de nabestaanden van [slachtoffer], is in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van EUR 45.238,80 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep niet toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Het hof is van oordeel dat aan de nabestaanden van [slachtoffer] (zijn weduwe, dochter en zoon) ieder een bedrag van € 5.000,-- toegewezen dient te worden als voorschot op de door hen geleden immateriële schade. Voorts komen naar het oordeel van het hof de gevraagde vergoeding van de materiële schade, met name de kosten van de uitvaart, van het grafmonument en van de bloemen, voor toewijzing in aanmerking.

Verdachte is tot vergoeding van de hiervoor genoemde schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet tevens aanleiding ter zake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De aan de nabestaanden van [slachtoffer] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte om -bij wijze van voorschot- aan de benadeelde partij, de nabestaanden van [slachtoffer], te betalen een bedrag van EUR 25.671,80 (vijfentwintigduizend zeshonderdeenenzeventig euro en tachtig cent).

Verklaart de benadeelde partij, de nabestaanden van [slachtoffer], in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, de nabestaanden van [slachtoffer], een bedrag te betalen van EUR 25.671,80 (vijfentwintigduizend zeshonderdeenenzeventig euro en tachtig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 263 (tweehonderddriëenzestig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr Van den Heuvel, voorzitter,

mrs Rutgers van der Loeff en Wery, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mw Roelofs, griffier,

en op 29 april 2005 ter openbare terechtzitting uitgesproken