Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AT3870

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-04-2005
Datum publicatie
14-04-2005
Zaaknummer
2004/331
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op grond van het voorgaande kan er niet van worden uitgegaan dat verkoper [geïntimeerde], blijkens de transportakte destijds bouwkundig uitvoerder, ten tijde van de verkoop wist of behoorde te weten dat de bodem was verontreinigd. Laat staan dat [geïntimeerde] toen wist of behoorde te weten dat het voor timmerman [appellant], die een terrein met een oude timmerwerkplaats kocht met het contractueel vastgelegde doel om het gekochte (ook weer) te gebruiken als timmerwerkplaats en opslagruimte, van (essentieel) belang was dat de bodem was geschikt voor, zoals hij thans verlangt, multifunctioneel gebruik, waaronder bij voorbeeld woningbouw. [geïntimeerde] behoefde er dan ook geen rekening mee te houden dat de koper [appellant] met betrekking tot die eigenschap van de bodem mogelijk een onjuiste voorstelling van zaken had. Op [geïntimeerde] rustte geen waarschuwingsplicht. (...)

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2005/2188
JBO 2005/206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 april 2005

derde civiele kamer

rolnummer 2004/331

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest na verwijzing

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal appèl,

geïntimeerde in het incidenteel appèl,

procureur: mr P.C. Plochg,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appèl,

appellant in het incidenteel appèl,

procureur: mr J.C.N.B. Kaal.

1 Het geding in de vorige instanties

Voor de procedure in de vorige instanties wordt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 14 maart 2003 nr. C01/170HR, NJ 2004,49 in cassatie gewezen tussen eiser tot cassatie, tevens geïntimeerde in het principaal appèl en appellant in het incidenteel appèl (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) enerzijds en verweerder in cassatie, tevens appellant in het principaal appèl en geïntimeerde in het incidenteel appèl (hierna ook te noemen: [appellant]) anderzijds. Een fotokopie van dat arrest is aan dit arrest gehecht. Daarbij heeft de Hoge Raad de arresten van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 9 maart 2000 en 6 maart 2001 vernietigd en het geding verwezen naar dit hof ter verdere behandeling en beslissing.

2 Het geding in hoger beroep na verwijzing

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 4 maart 2004 [geïntimeerde] voormeld arrest van de Hoge Raad aangezegd en hem opgeroepen te verschijnen voor dit hof om voort te procederen.

2.2 [appellant] heeft een memorie na verwijzing genomen, daarbij twee producties in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof de beide voormelde arresten van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, voor zover daartegen beroep in cassatie is ingesteld, onder verbetering en / of aanvulling van de gronden en / of van het dictum zal bekrachtigen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding.

2.3 [geïntimeerde] heeft vervolgens een antwoordmemorie na verwijzing genomen, daarbij, afgezien van de eerdere rechterlijke uitspraken, vier producties (2 tot en met 5) in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof de beroepen arresten van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch zal vernietigen, en met inachtneming van het door de Hoge Raad bepaalde, opnieuw zal rechtdoen met zodanige verdere beslissing als het hof zal vermenen te behoren, met veroordeling van [appellant] in de kosten van alle instanties.

2.4 Daarna heeft [appellant] akte verzocht van het overleggen van drie producties en van een schriftelijke verklaring, waarna [geïntimeerde] een antwoordakte heeft verzocht.

2.5 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

Tussen partijen staan in hoger beroep na verwijzing als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties dan wel als door de feitenrechters vastgesteld en niet bestreden, de navolgende feiten vast. Voor zover daarin feiten zijn opgenomen die de rechtbank te Breda en het hof te ’s-Hertogenbosch niet hebben vastgesteld, vormen die feiten hetzij een verdichting van wel vastgestelde feiten, op basis van de tot en met de Bossche instantie gewisselde processtukken (onder 3.4), hetzij klaarblijkelijk nadien aan het licht getreden feiten (onder 3.7 en 3.8). Een goede en actuele feitenvaststelling rechtvaardigt deze aanvullingen.

3.1 [appellant] heeft bij koopovereenkomst van 4 mei 1993 (prod. 1 bij CvA in conventie) van [geïntimeerde] een uit 1933 daterende stenen opstal met (open) opslagloods, ondergrond en verdere aanhorigheden, gelegen achter de percelen [...] in Breda, (hierna: het terrein) gekocht voor de koopprijs van f 65.000. Tevoren was daar een timmerwerkplaats gevestigd.

3.2 Het terrein is op 2 juni 1993 geleverd. Volgens de transportakte (prod. 2 bij CvA in conventie, p. 1) was het verkochte bestemd om door de koper te worden gebruikt als timmerwerkplaats en opslagruimte. Uit artikel 5 van de transportakte blijkt dat ten behoeve van het terrein en ten laste van het aan [geïntimeerde] verblijvende perceel een aantal erfdienstbaarheden, waaronder een erfdienstbaarheid van weg, is gevestigd.

3.3 In verband met een door [appellant] voorgenomen herbouw van de opslagloods en een daartoe benodigde bouwvergunning heeft Grontmij Zuid B.V., afdeling Milieu in zijn opdracht ter plaatse een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd en daarvan op 15 september 1994 een rapport uitgebracht (prod. 2 bij antwoordmemorie na verwijzing).

3.4 Het slot daarvan luidt:

“6.2 Milieuhygiënische kwaliteit van de bodem

Op de onderzoekslocatie is in de bovengrond puin (10%) aanwezig en is in een laag in de ondergrond (1,80-2,20 m – mv) sintels en een oude bodem van de gracht aangetroffen. Er is waarschijnlijk sprake van een opgehoogd terrein. Uit de analyseresultaten blijkt dat als gevolg hiervan zowel de boven- als de ondergrond licht verontreinigd is.

In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan zware metalen (zink en nikkel) aangetroffen alsmede een licht verhoogd gehalte aan minerale olie en tri (trichloor-etheen).

De lichte verhogingen aan zware metalen worden elders in de stad ook aangetroffen en kunnen worden beschouwd als een verhoogde achtergrondwaarde. De olie en mogelijk ook tri zijn waarschijnlijk afkomstig van de olieverontreiniging die op het terrein van de voormalige aangrenzende garage aanwezig is.

Voor een eventueel toekomstig uit te voeren grondwatersanering van deze verontreiniging(en) behoeft de nieuwbouw van de loods geen belemmering te vormen.

6.3 Conclusies en aanbevelingen

Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de voor de onderzoekslocatie opgestelde hypothese, dat het hier een ‘niet verdachte’ locatie betreft, strikt genomen niet juist is. Gezien het veelvuldig voorkomen van puin in de grond in het centrum van Breda, de relatief lage gehalten en de toekomstige bedrijfsbestemming van de locatie is er echter geen aanleiding tot het verrichten van verder onderzoek met een aangepaste hypothese.

Op basis van de uitkomsten van het onderzoek behoeven er milieuhygiënisch gezien geen beperkingen te worden gesteld aan het toekomstige gebruik van het terrein als bouwlocatie voor een loods. Indien bij b.v. nieuwbouw grond vrijkomt dient met hogere verwerkingskosten rekening gehouden te worden daar deze grond niet multifunctioneel toepasbaar is."

3.5 De gemeente Breda heeft na grondonderzoek in verband met de aanvraag van een bouwvergunning op 14 oktober 1997, 20 mei 1999 en 11 oktober 2001 diverse "geschiktheidsverklaringen" van de grond afgegeven aan [geïntimeerde] (prod. 3 a tot en met 3 c bij antwoordmemorie na verwijzing). Daarbij werd in wisselende bewoordingen vermeld dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormde voor het te realiseren bouwwerk (vernieuwing van de opslagloods).

3.6 Voorts lag in de open opslagloods onder een betegeling van stoeptegels een voormalige, in 1933 in gebruik genomen kalkput, die werd gebruikt om kalk te blussen. In 1980 is deze volgegooid.

3.7 Daaroverheen heeft [appellant] in of omstreeks 1994 een circa 20 cm dikke, gewapende betonvloer gestort, waartoe de gemeente achteraf een vergunning heeft verstrekt.

3.8 [appellant] heeft het terrein verkocht en bij akte van 12 mei 2000 geleverd aan [X.] tegen een koopprijs van f 90.000,-- (prod. 5 bij antwoordmemorie na verwijzing).

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep na verwijzing

4.1 Het geschil na verwijzing betreft allereerst een kwestie van bodemverontreiniging. De bij voormeld verkennend bodemonderzoek aangetroffen bodemverontreiniging wordt aangeduid als de eerste bodemverontreiniging en de volgegooide kalkput als de tweede bodemverontreiniging. Deze tweede bodemverontreiniging bestaat volgens [appellant] (bij memorie na verwijzing, p. 1) hierin dat de kalkput, die kalkresten bevat, is volgestort met puin en afval. Volgens [appellant] in zijn toelichting op grief VII in het principaal appèl was [geïntimeerde] vóór de verkoop aan [appellant] op de hoogte van beide bodemverontreinigingen. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] dit, hoewel daartoe gehouden, voor [appellant] verzwegen, althans niet aan [appellant] gemeld. Ten slotte stelt [appellant] dat [geïntimeerde] was gehouden om hem niet vervuilde grond te verkopen. [geïntimeerde] bestrijdt een en ander gemotiveerd.

4.2 Hierover oordeelt het hof als volgt.

Volgens artikel 7:17, lid 2 BW in de tot 1 mei 2003 geldende tekst beantwoordt een zaak niet aan de overeenkomst indien zij niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien. Bij de onderhavige koop van 1993 zijn partijen overeengekomen dat het verkochte, waarin een timmerwerkplaats was gevestigd, was bestemd om door de koper te worden gebruikt als timmerwerkplaats en opslagruimte.

4.3 Dat de verkoper [geïntimeerde] de bodemverontreinigingen zou hebben veroorzaakt, zoals [appellant] aanvankelijk heeft gesteld, heeft [geïntimeerde] gemotiveerd betwist. [appellant], op wie terzake stelplicht en bewijslast rust, heeft op dit punt geen bewijs aangeboden, zodat deze stelling niet vaststaat en wordt gepasseerd.

4.4 [appellant] stelt voorts dat de verkoper [geïntimeerde] ten tijde van de verkoop op de hoogte was van de eerste bodemverontreiniging. [geïntimeerde] heeft dat gemotiveerd betwist. [appellant] heeft wel (ter toelichting op grief VII) gesteld dat [geïntimeerde] naar aanleiding van de aanvraag van de bouwvergunning heeft geschreven dat de grond vervuild was, maar in zijn brief van 22 december 1994 aan de gemeente (productie 14 bij CvR), waarop [appellant] kennelijk doelt, maakt [geïntimeerde] geen gewag van bodemverontreiniging, laat staan dat daaruit zou blijken dat [geïntimeerde] daarmee reeds tijdens de verkoop van 4 mei 1993 bekend was. Anders dan [appellant] voorts heeft aangevoerd, blijkt ook niet uit de brief van [geïntimeerde] van 6 december 1995 aan mr De Kok (prod. 15 bij CvR) dat [geïntimeerde] op de hoogte was van de eerste bodemverontreiniging. Uit deze brief blijkt slechts dat [geïntimeerde] vóór de verkoop van het bestaan van de kalkput (met oude kalkresten) afwist, maar niet van de eerste bodemverontreiniging. Pagina 1 (zesde regel van onderen) van die brief bevat overigens niet meer dan [geïntimeerde]’s vermelding dat aan [appellant] en zijn taxateur expliciet is medegedeeld dat er een kalkput lag. Van zijn stelling met betrekking tot [geïntimeerde]’s bekendheid met de eerste bodemverontreiniging heeft [appellant] geen bewijs aangeboden, zodat deze stelling niet vaststaat en wordt gepasseerd.

4.5 Volgens [appellant] wist [geïntimeerde] vóór de koop dat de kalkput ter plaatse was vervuild. Nadat [geïntimeerde] daartegen (bij CvD sub 14) had aangevoerd dat kalkresten volgens “een medewerker van de milieudienst” (klaarblijkelijk van de gemeente) geen vervuiling opleverden, heeft [appellant] echter niet (bij memorie van grieven) gesteld, waarin deze verontreiniging bestond en waarom dit een verontreiniging betrof, totdat hij eerst bij memorie na verwijzing (p. 2, tweede alinea) heeft gesteld dat de oude kalkput is volgestort met puin en afval. Dat is in het stadium na verwijzing te laat, omdat [appellant] daarmee de grondslag van zijn vordering van kalkresten verlegt naar puin en afval. Na de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde] staat niet vast dat de aanwezige kalkresten tot bodemverontreiniging hebben geleid. [appellant] heeft daarvan ook geen bewijs aangeboden, zodat zijn stelling niet vaststaat en wordt gepasseerd. Zijn bij memorie na verwijzing gedane aanbod te bewijzen dat “[geïntimeerde] op de hoogte moet zijn geweest van de vervuiling” heeft, naar het hof, mede gelet op [appellant]’s volgende akte van 7 december 2004, begrijpt, speciaal betrekking op de aanwezigheid van de kalkput. Een tweede bodemverontreiniging staat echter niet vast, zodat het hof ook dat bewijsaanbod passeert. Al hetgeen [appellant] nog in zijn akte van 7 december 2004 omtrent [geïntimeerde]’s bekendheid met de kalkput aanvoert, leidt dan ook evenmin tot een ander oordeel.

4.6 Op grond van het voorgaande kan er niet van worden uitgegaan dat verkoper [geïntimeerde], blijkens de transportakte destijds bouwkundig uitvoerder, ten tijde van de verkoop wist of behoorde te weten dat de bodem was verontreinigd. Laat staan dat [geïntimeerde] toen wist of behoorde te weten dat het voor timmerman [appellant], die een terrein met een oude timmerwerkplaats kocht met het contractueel vastgelegde doel om het gekochte (ook weer) te gebruiken als timmerwerkplaats en opslagruimte, van (essentieel) belang was dat de bodem was geschikt voor, zoals hij thans verlangt, multifunctioneel gebruik, waaronder bij voorbeeld woningbouw. [geïntimeerde] behoefde er dan ook geen rekening mee te houden dat de koper [appellant] met betrekking tot die eigenschap van de bodem mogelijk een onjuiste voorstelling van zaken had. Op [geïntimeerde] rustte geen waarschuwingsplicht.

4.7 In het begin van de negentiger jaren in de vorige eeuw was het van algemene bekendheid dat bij vooroorlogse werkplaatsen allerlei vormen van voor- en naoorlogse verontreiniging in de bodem konden voorkomen. Wie, zoals [appellant], in 1993 een uit de dertiger jaren daterende stenen opstal (werkplaats) met (open) opslagloods, ondergrond en verdere aanhorigheden kocht, waar een timmerwerkplaats was gevestigd, mocht er onder deze gegeven omstandigheden dan ook niet op vertrouwen dat de bodem van het door hem gekochte in geen enkel opzicht zou zijn verontreinigd. Daarenboven bezit het gekochte de eigenschappen die voor een normaal en het voorziene gebruik nodig zijn. Het kan immers als timmerwerkplaats en opslagruimte worden gebruikt.

4.8 Bij gebreke van tekortschieten van [geïntimeerde] met betrekking tot zijn leveringsverplichting, rust op hem geen aansprakelijkheid uit dien hoofde, zodat er in dit opzicht geen grond bestaat om [appellant] toe te laten tot de schadestaatprocedure.

4.9 Het geschil na verwijzing betreft vervolgens een door [appellant] gevorderde vergoeding van de kosten van zijn advocaat gemaakt ter zake van de tenuitvoerlegging van het vonnis in kort geding van de (fungerend) president van de rechtbank te Breda van 5 augustus 1994 (partijen spreken soms abusievelijk over 1995).

Naar aanleiding van grief V heeft het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch bij zijn eindarrest onder vernietiging van het eindvonnis van de rechtbank onder meer bepaald dat het door [appellant] gevorderde bedrag toewijsbaar is ter zake advocaatkosten wegens de correspondentie als bedoeld in rechtsoverweging 7.4 van dat arrest (“na en los van het kort geding; werkzaamheden die onder het zgn. nasalaris vallen worden immers via de proceskostenveroordeling afgewikkeld”) tot een bedrag als [appellant] nader bij de rechtbank dient aan te tonen. Onder meer daartoe heeft dat hof de zaak naar de rechtbank verwezen ter verdere afdoening en behandeling met inachtneming van dat arrest. Klaarblijkelijk ter voorkoming van een verdere verwijzing hebben partijen over en weer aan dit hof verzocht om eveneens over deze kwestie te beslissen.

4.10 Hierover oordeelt het hof als volgt.

Bij brief van 8 september 1994 (prod. 16 bij CvR) heeft de toenmalige advocaat van [appellant], mr Andriessen, [geïntimeerde] onder meer aangezegd het vonnis te respecteren onder aanzegging van verbeurte van dwangsommen of van een nieuw kort geding en hem voorts meegedeeld dat de kosten van rechtsbijstand dan integraal op hem zouden worden verhaald. Tot de in de toelichting op grief V in het vooruitzicht gestelde “exacte uitsplitsing” van de advocaatkosten is het niet gekomen. Bij memorie na verwijzing heeft [appellant] slechts een aan hem gerichte brief overgelegd van mr Andriessen van 20 juni 2001, waarin deze meedeelt:

“dat ik niet meer over de volledige urenspecificaties beschik. De enige urenspecificatie die ik heb betreft de verrichtingen van 28 november 1994 en van december 1994, in totaal 1 uur en 10 minuten. Ik kan mij echter herinneren dat er in de periode tussen de uitspraak van het kort geding en 28 november 1994 nog diverse werkzaamheden door mij zijn verricht onder meer verband houdende met het hoger beroep dat uiteindelijk door de heer [geïntimeerde] niet is doorgezet en bestaande uit gesprekken met U, aanvankelijk de heer [geïntimeerde] zelf en later mevrouw [Y.], de toenmalige advocaat van [geïntimeerde] en bestaande uit correspondentie met voornoemden. Schattenderwijze is door mij na afloop van het kort geding nog 10 uur aan de zaak besteed. Mijn uurtarief in 1994 was f 280,-- exclusief BTW.”

[geïntimeerde] heeft een en ander gemotiveerd bestreden.

4.11 Bij akte van 7 december 2004 heeft [appellant] nog uiteengezet dat een deel van de advocaatkosten van mr De Kok en mr Verpaalen “gedurende deze periode” eveneens betrekking hebben op de uitoefening van de erfdienstbaarheid en dat deze terzake daarvan kunnen worden geschat op € 4.000,--. Ook dit heeft [geïntimeerde] gemotiveerd bestreden.

Aldus heeft [appellant] die kosten volstrekt onvoldoende naar data, uren en werkzaamheden gespecificeerd, zodat hij ook hier in zijn stelplicht is tekortgeschoten.

De beide vorderingen wegens advocaatkosten worden volledig afgewezen.

4.12 [appellant] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden. Daarom wordt aan haar bewijsaanbod voorbijgegaan.

5 De slotsom

5.1 Grief V treft geen doel. De beide vorderingen wegens advocaatkosten worden volledig afgewezen.

5.2 Grief VI omtrent plaatsing van objecten op de erfdienstbaarheid van weg is tot een einde gekomen door het verwijzingsarrest onder 3.4.

5.3 Grief VII met betrekking tot de gestelde bodemverontreinigingen faalt. De rechtbank heeft de daarop gebaseerde vorderingen terecht niet toewijsbaar geoordeeld.

5.4 Grief I met betrekking tot de feiten en grief XII met betrekking tot de waarde van de lamp zijn blijkens het tussenarrest van het hof te ’s-Hertogenbosch (onder 4.1 en 4.9) terecht voorgesteld. De andere grieven, de incidentele daaronder begrepen, heeft het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch verworpen en staan niet meer ter beoordeling aan het verwijzingshof.

5.5 Als de in het ongelijk gestelde partijen zullen [appellant] en [geïntimeerde] in de kosten van het principaal respectievelijk het incidenteel appèl tot nu toe worden veroordeeld.

5.6 Resteert nog de door de rechtbank in haar tussenvonnis van 10 juni 1997 in reconventie onder 3.20 en in het dictum aan [geïntimeerde] gegeven bewijsopdracht dat partijen zijn overeengekomen dat voor rekening van [appellant] voor het gedeelte van de opstal dat aan [geïntimeerde] verbleef een nieuwe elektriciteitsleiding zou worden aangelegd. In zijn tussenarrest van 9 maart 2000 onder 4.9 heeft het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch de tegen die bewijslastverdeling en –toelating gerichte grief 1 van [geïntimeerde] in het incidenteel appèl verworpen. Intussen had [geïntimeerde] terzake op 20 augustus 1997, vóór de appèldagvaarding van [appellant], getuigen doen horen, waarop de rechter-commissaris het getuigenverhoor aan [geïntimeerde]’s zijde heeft gesloten en de zaak heeft aangehouden voor tegenverhoor. Het verwijzingshof zal het geding zelf verder behandelen en afdoen zonder dit weer te verwijzen naar de rechtbank. Voor [appellant] volgt daarom bij dit hof gelegenheid tot tegenverhoor. Daaraan wordt een comparitie van partijen verbonden.

5.7 Omtrent de proceskosten van de eerste aanleg en van de voorzetting van deze instantie zal het hof te zijner tijd beslissen.

5.8 Verder wordt iedere beslissing aangehouden.

6 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep na verwijzing:

in het principaal appèl:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Breda van 10 juni 1997, behoudens voor zover:

- de rechtbank in rov. 3.1 heeft vastgesteld dat [appellant] in de loods detailhandel is gaan drijven,

- de rechtbank in rov. 3.22 de vordering van [geïntimeerde] ter zake een buitenlamp ten bedrag van f 1.800 toewijsbaar heeft geoordeeld,

vernietigt dat vonnis in zoverre en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- stelt omtrent de detailhandel door [appellant] vast hetgeen in rov. 4.1 van het tussenarrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 9 maart 2000 is overwogen;

- veroordeelt [appellant] (wegens een buitenlamp) tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 453,78,-- (f 1.000), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 mei 1996 tot de dag der voldoening;

wijst het meer of anders in conventie en in reconventie gevorderde af, met uitzondering van de reconventionele vordering van [geïntimeerde] met betrekking tot de kosten van elektra;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] in totaal begroot op € 2.553,94, waarvan op de voet van artikel 243 Rv te voldoen aan de griffier van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch het bedrag van € 2.454,11 te weten:

- € 99,83 wegens in debet gesteld griffierecht,

- € 40,-- wegens getuigentaxe,

- € 2.314,28 wegens salaris van de procureur,

en het restant ad € 99,83 aan [geïntimeerde];

verklaart de voorafgaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

in het incidenteel appèl:

verwerpt het hoger beroep;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] begroot op € 544,-- voor salaris van de procureur en op nihil wegens griffierecht;

en ter voorzetting van de eerste instantie:

bepaalt dat, indien [appellant] in het kader van de door de rechtbank te Breda in haar tussenvonnis van 10 juni 1997 in reconventie onder 3.20 en in het dictum aan [geïntimeerde] gegeven bewijsopdracht tegenbewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr A.W. Steeg, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van partijen, van hun advocaten en van de getuigen in de maanden mei tot en met augustus 2005 zullen worden opgegeven op de rolzitting van 26 april 2005, ambtshalve peremptoir, waarna dag en uur van de verhoren (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld en in beginsel geen uitstel in verband met verhinderingen zal worden verleend;

bepaalt voorts dat, indien er getuigen worden voorgebracht, partijen in persoon tezamen met hun raadslieden bij het verhoor van de getuigen aanwezig zullen zijn, zulks zowel opdat van de kant van partijen zelf zonodig nadere inlichtingen zullen kunnen worden gegeven over de punten waarover de getuigen zullen worden gehoord, als opdat eventueel kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat partijen, indien zij zich willen beroepen op nieuwe bescheiden, deze zullen overleggen door toezending in kopie aan de wederpartij en aan de raadsheer-commissaris uiterlijk twee weken voor de dag van de comparitie;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs Steeg, Tjittes en Rank-Berenschot en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 12 april 2005.