Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AT2188

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-03-2005
Datum publicatie
24-03-2005
Zaaknummer
2004/046
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beknopt weergegeven betreft het onderhavige hoger beroep de volgende kwestie. [appellant] heeft in 1998 land verkocht aan de gemeente ter voorkoming van onteigening in verband met plannen van de gemeente om ter plaatse na bestemmingswijziging tot woningbouw over te gaan. De gemeente heeft een gedeelte van dat land tegen vergoeding aan [appellant] ter beschikking gesteld voor tijdelijk voortgezet gebruik. Bij vonnis van 12 november 2003 heeft de pachtkamer van de rechtbank te Arnhem, sector kanton, locatie Arnhem, ter zake van dat gedeelte een pachtovereenkomst vastgelegd. Rond diezelfde tijd heeft de gemeente gevorderd dat de pachtovereenkomst zal worden ontbonden, [appellant] zal worden veroordeeld tot ontruiming en de aan [appellant] toekomende schadeloosstelling ex art. 52 van de Pachtwet op nihil zal worden bepaald. In het aangevallen vonnis heeft de eerdergenoemde pachtkamer - onder meer - [appellant] tot ontruiming veroordeeld en de beslissing over de ontbinding en schadeloosstelling aangehouden. Het onderhavige hoger beroep stelt de veroordeling tot ontruiming ter discussie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 maart 2005

pachtkamer

rolnummer 2004/046 P

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. P.C. Plochg,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de gemeente Rijnwaarden,

zetelend te Lobith, gemeente Rijnwaarden,

geïntimeerde,

procureur: mr. J.R.O. Dantuma.

1 De procedure in eerste aanleg

De pachtkamer van de rechtbank te Arnhem, sectie kanton, locatie Arnhem, heeft op 10 december 2003 een vonnis gewezen tussen appellant (verder te noemen: [appellant]) als gedaagde en geïntimeerde (verder te noemen: de gemeente) als eiseres. Naar dit vonnis, waarvan een afschrift aan dit arrest is gehecht, wordt verwezen voor de procesgang in eerste aanleg, de in die instantie genomen beslissing en de gronden daarvoor.

2 De procedure in hoger beroep

2.1 Bij exploot van 19 december 2003 is [appellant] in hoger beroep gekomen van genoemd vonnis met dagvaarding van de gemeente voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] tegen dat vonnis tien grieven aangevoerd en toegelicht en heeft hij geconcludeerd dat het hof dat vonnis zal vernietigen voor zover daarbij de ontruiming van een aantal percelen landbouwgrond op grond van de in dat vonnis geformuleerde rechtsoverwegingen is uitgesproken met veroordeling van de gemeente in de kosten van het hoger beroep.

2.3 De gemeente heeft bij processtuk getiteld “incident houdende niet-ontvankelijkheid hoger beroep, dit voor alle weren en tevens memorie van antwoord” verweer gevoerd met conclusie dat het hof [appellant] in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren dan wel het bestreden vonnis zal bekrachtigen, zo nodig met verbetering van de gronden en met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep, zowel incident als hoofdzaak.

2.4 [appellant] heeft bij akte een productie in het geding gebracht.

2.5 Hierna hebben partijen de stukken aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest.

3 De grieven

Deze luiden:

I Ten onrechte heeft de pachtkamer in zijn beslissing in alinea 2.4 genoemd dat de pachtkamer de “thans door de gemeente gevorderde ontruiming” toewijst.

II Ten onrechte heeft de pachtkamer [appellant] veroordeeld de in het beroepen vonnis genoemde percelen te ontruimen.

III Ten onrechte heeft de pachtkamer overwogen: “dat het meer dan evident is dat [appellant] in strijd met de redelijkheid en billijkheid een beroep doet op het gebruiksrecht dat hij kan ontlenen aan de met de gemeente gesloten overeenkomst, zoals deze recentelijk door de pachtkamer schriftelijk is vastgelegd”.

IV Ten onrechte heeft de pachtkamer overwogen: “Met andere woorden: [appellant] komt geen ontruimingsbescherming toe in deze zaak met een bijzonder karakter.”

V Ten onrechte heeft de pachtkamer in de voorlaatste rechtsoverweging op pagina 7 van het vonnis als basis voor de door de pachtkamer geconstateerde strijd met de redelijkheid en billijkheid doen gelden dat partijen voor zover hier van belang hadden afgesproken dat [appellant] de door hem gepachte grond slechts zou mogen gebruiken gedurende de tijd dat de gemeente Rijnwaarden nog niet direct de beschikking behoeft te hebben over de aangekochte percelen.

VI Ten onrechte heeft de pachtkamer overwogen dat de gemeente Rijnwaarden voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij er groot belang bij heeft dat de ten processe bedoelde percelen nog voor het einde van het jaar 2003 door haar in gebruik zouden kunnen worden genomen.

VII Ten onrechte heeft de pachtkamer overwogen dat onder omstandigheden een beroep op het gebruiksrecht dat ontleend kan worden aan der pachtovereenkomst in strijd met de redelijkheid en billijkheid kan zijn.

VIII Ten onrechte heeft de pachtkamer zijn oordeel dat [appellant] heeft gehandeld in strijd met de redelijkheid en billijkheid gebaseerd op de subjectieve wil van [appellant], terwijl de eisen van redelijkheid en billijkheid verwijzen naar ongeschreven objectief recht.

IX Ten onrechte heeft de pachtkamer overwogen dat zijn oordeel wordt onderschreven door het feit dat de oorzaak van het conflict tussen partijen is gelegen in het feit dat de gemeente Rijnwaarden heeft geprobeerd om aan [appellant] verpachte grond of een deel daarvan aan een derde in gebruik te geven zonder zijn toestemming en dat daar de oorzaak van het conflict tussen hen ligt.

X Ten onrechte heeft de pachtkamer zijn beslissing als te lezen in het aangevallen vonnis niet getoetst aan de vereisten van artikel 51 van de Pachtwet.

4 De vaststaande feiten

Het hof zal uitgaan van de feiten die de pachtkamer in eerste aanleg heeft vastgesteld in het aangevallen vonnis onder 2.1, nu tegen deze vaststelling geen grieven zijn gericht of bezwaren zijn geuit.

5 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

5.1 Beknopt weergegeven betreft het onderhavige hoger beroep de volgende kwestie. [appellant] heeft in 1998 land verkocht aan de gemeente ter voorkoming van onteigening in verband met plannen van de gemeente om ter plaatse na bestemmingswijziging tot woningbouw over te gaan. De gemeente heeft een gedeelte van dat land tegen vergoeding aan [appellant] ter beschikking gesteld voor tijdelijk voortgezet gebruik. Bij vonnis van 12 november 2003 heeft de pachtkamer van de rechtbank te Arnhem, sector kanton, locatie Arnhem, ter zake van dat gedeelte een pachtovereenkomst vastgelegd. Rond diezelfde tijd heeft de gemeente gevorderd dat de pachtovereenkomst zal worden ontbonden, [appellant] zal worden veroordeeld tot ontruiming en de aan [appellant] toekomende schadeloosstelling ex art. 52 van de Pachtwet op nihil zal worden bepaald. In het aangevallen vonnis heeft de eerdergenoemde pachtkamer - onder meer - [appellant] tot ontruiming veroordeeld en de beslissing over de ontbinding en schadeloosstelling aangehouden. Het onderhavige hoger beroep stelt de veroordeling tot ontruiming ter discussie.

5.2 Het beroep van de gemeente op niet-ontvankelijkheid (dat overigens als een verweer ten principale dient te worden beschouwd) wordt verworpen. Naar het oordeel van het hof dient – ervan uitgaande dat ontruiming voorafgaand aan de ontbinding is gevorderd, waarop hierna zal worden ingegaan – de beslissing waarvan beroep te worden beschouwd als een voorlopige voorziening voor de duur van de procedure als bedoeld in art. 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Hier is sprake van een beslissing in het dictum van het vonnis waarbij een afzonderlijke provisionele vordering definitief – zij het op basis van een voorlopig oordeel - wordt afgedaan. Uit de bepaling van art. 337 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat tegen de beslissing op een provisionele vordering, hoewel in een tussenvonnis gegeven, steeds aanstonds hoger beroep kan worden ingesteld.

5.3 In de inleidende dagvaarding heeft de gemeente gevorderd, dat de pachtovereenkomst “(…) wordt ontbonden en zonodig de ontruiming te bepalen van voornoemde percelen, dit direct na betekening van het te dezen te wijzen vonnis, dit zo nodig met hulp van politie en justitie en dit zo mogelijk in een separaat tussenvonnis te bepalen (…).” Hoewel niet uitdrukkelijk is aangegeven dat mede een voorlopige voorziening wordt gevorderd, kán naar het oordeel van het hof een dergelijke vordering in de eis worden gelezen. De formulering is echter dermate onduidelijk, dat deze alleen dan als mede inhoudende een provisionele eis kan worden beschouwd indien die strekking geacht moet worden ook voor [appellant] voldoende duidelijk te zijn geweest. Daartoe wordt het volgende overwogen. Uit de toelichting op de dagvaarding (nr. 16) en de overgelegde stukken volgt dat de gemeente in een afzonderlijke procedure een voorlopige voorziening had gevraagd in verband met een door haar gesteld spoedeisend belang bij een spoedige ontruiming van de gronden voor zover deze in het bestemmingsplan waren betrokken. Uit de stellingen van partijen in hoger beroep (memorie van grieven nrs. 6 e.v.; memorie van antwoord nr. 12) volgt dat de ontruimingsprocedure is aangehouden op initiatief van de pachtkamer met de mededeling dat in de onderhavige procedure over de ontruiming zou worden beslist. Uit het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 12 november 2003 in de kort geding-zaak blijkt dat – kennelijk in dit verband - is afgesproken dat [appellant] in de onderhavige zaak snel van antwoord zou dienen, waarna direct vonnis zou worden gewezen. Het hof is van oordeel dat het onder deze omstandigheden ook voor [appellant] duidelijk had moeten zijn dat de pachtkamer de vordering tot ontruiming in de onderhavige zaak (mede) opvatte als een vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening voor de duur van het geding. In de dagvaarding werd ook aangedrongen op een “separaat tussenvonnis”. Dat [appellant] met een voorlopige voorziening rekening moest houden volgt ook uit hetgeen hij zelf aangeeft in de memorie van grieven onder nr. 7.

5.4 De vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in art. 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is mogelijk in iedere dagvaardingsprocedure en dus ook in een procedure als de onderhavige. Het hof verwerpt dan ook de stelling van [appellant] dat het pachtrecht “de mogelijkheid van ontruiming als voorschot op een ontbinding” niet zou kennen.

5.5 Hetgeen hierboven onder 5.2 en 5.3 is overwogen brengt mee, dat grief I faalt.

5.6 Wat betreft het kader waarbinnen de vordering moet worden beoordeeld overweegt het hof als volgt. Voor toewijzing van die vordering is noodzakelijk dat de gemeente een dusdanig spoedeisend belang bij ontruiming heeft, dat de afloop van de procedure niet kan worden afgewacht. Voor de beslissing is verder van belang welke belangen aan weerskanten een rol spelen, zulks bezien in samenhang met de te verwachten duur van de procedure voor zover deze de ontbinding van de pachtovereenkomst betreft en de proceskansen daarin.

5.7 Het hof begrijpt hetgeen de gemeente bij inleidende dagvaarding aanvoert aldus, dat zij met spoed tot bouwrijp maken van de desbetreffende grond wilde overgaan. Vertraging hierin zou, aldus de gemeente, een kostenpost betekenen welke de exploitatie onder druk zet (nr. 16). Het hof acht hiermee een spoedeisend belang voldoende aannemelijk gemaakt. Of dit belang dusdanig spoedeisend was dat de afloop van de procedure niet kon worden afgewacht, is tegen de achtergrond van het feit dat in mei 2004 eindvonnis is gewezen een vraagpunt. Het hof ziet echter aanleiding ook deze vraag bevestigend te beantwoorden, nu in december 2003 nog niet kon worden voorzien hoeveel tijd het vervolg van de procedure (na conclusies van re- en dupliek en eventuele verdere proceshandelingen) in beslag zou nemen. Daar komt bij, dat de pachtkamer in eerste aanleg haar beslissing mede heeft gemotiveerd aan de hand van de mondelinge behandeling bij het kort geding, bij welke gelegenheid kennelijk door de gemeente is gesteld dat zij de gronden nog voor het einde van het jaar 2003 in gebruik wilde nemen ter vermijding van het mislopen van grote subsidiebedragen. Ook dit levert een spoedeisend belang op. Het hof leest in de memorie van grieven geen betwisting van deze overweging uit het vonnis waarvan beroep. Met grief VI betoogt [appellant] dat hier niet sprake is van het belang waarop artikel 51 van de Pachtwet doelt, maar hij miskent dat bij de vraag of sprake is van een spoedeisend belang alle omstandigheden een rol kunnen spelen.

5.8 Uit de vorige rechtsoverweging volgt tevens het belang van de gemeente bij de gevraagde voorziening. [appellant] heeft in de conclusie van antwoord (nr. 30) aangegeven een belang bij voortgezet gebruik te hebben zolang dit mogelijk is, maar hij heeft onvoldoende toelichting gegeven om het gewicht van dit belang te kunnen bepalen. Enige onderbouwing kon van hem worden gevergd tegen de achtergrond van enerzijds het feit dat hij voor de grond een vergoeding betaalde en anderzijds de omstandigheid dat hij de grond had verkocht aan de gemeente ter voorkoming van onteigening, waarbij hij een vergoeding op basis van verplaatsing van zijn bedrijf had ontvangen. Ook in hoger beroep heeft [appellant] nagelaten zijn belang nader toe te lichten. Blijkens de overgelegde stukken van de kort geding-procedure heeft [appellant] zich ook in die procedure beperkt tot het louter stellen – en niet onderbouwen - van zijn belang bij voortzetting van het gebruik binnen zijn bedrijf (pleitnota, blz. 8 onder). Onder deze omstandigheden dient zijn belang bij behoud van de grond gedurende de procedure ten achter te worden gesteld bij het belang van de gemeente bij het vroegtijdig verkrijgen daarvan.

5.9 Wat betreft de proceskansen in de ontbindingsprocedure kan worden volstaan met een verwijzing naar het door [appellant] overgelegde eindvonnis in deze zaak van 26 mei 2004. In dat vonnis is de pachtovereenkomst tussen partijen op grond van art. 51 van de Pachtwet ontbonden. [appellant] geeft in de akte, waarbij het vonnis is overgelegd, aan dat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Hiermee is zekerheid verkregen over de afloop van de procedure en is een beschouwing omtrent de proceskansen voor de beoordeling in de onderhavige kwestie niet meer nodig. Als uitgangspunt moet gelden dat de proceskansen voor de gemeente gunstig waren.

5.10 Op grond van een en ander faalt grief II en kunnen de grieven III – X, wat er verder zij van de door die grieven aangevallen overwegingen van de pachtkamer in eerste aanleg - niet leiden tot honorering van [appellant]’ standpunt. Zij zijn dus tevergeefs voorgesteld.

5.11 De slotsom luidt dat het aangevallen vonnis, voor zover in dit hoger beroep betrokken, zal worden bekrachtigd.

5.12 [appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep,

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de pachtkamer van de rechtbank te Arnhem, sectie kanton, locatie Arnhem, van 10 december 2003, waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 241,-- wegens griffierecht en € 894,-- wegens salaris.

Dit arrest is gewezen door mrs. Heisterkamp, Valk en Van den Dungen en de raden mr. ing. Jansens van Gellicum en ing. Duenk en is uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van 15 maart 2005.