Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AT0895

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-03-2005
Datum publicatie
17-03-2005
Zaaknummer
2004/644
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terwijl [geïntimeerden] als politiefunctionarissen in uniform snelheidscontroles uitvoerden, maakte [appellant] foto’s van hun werkzaamheden. Desgevraagd antwoordde hij dat hij deze foto’s op het internet zou plaatsen, maar dat hij hun gezichten onherkenbaar zou maken. Toen hij weigerde in te gaan op het verzoek van [geïntimeerde sub 1] het fotograferen te staken en zich te verwijderen en, na even te zijn weggelopen, opnieuw foto’s begon te maken, hielden [geïntimeerden] hem aan en brachten zij hem over naar het politiebureau. De politie nam vervolgens zowel zijn camera als de geheugenkaart daarin in beslag. (...) Kort na de gebeurtenissen op 20 februari 2003 deed [appellant] onder de naam Chuppie op de website www.flitsservice.nl uitgebreid verslag van het voorval. Daarbij noemde hij [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] met naam en toenaam. Zijn verslag leidde tot een groot aantal reacties die eveneens op genoemde website werden geplaatst.

Het hof:

verbiedt [appellant] de door [geïntimeerden] als productie 1 bij dagvaarding in eerste aanleg overgelegde zeven foto’s te (doen) publiceren onder vermelding van de namen van [geïntimeerden] of van een of meer van hen zonder daarop de hoofden en gezichten van [geïntimeerden] geheel onherkenbaar te maken, dan wel deze foto’s te verkopen of anderszins (al dan niet om niet) aan derden over te dragen of ter beschikking te stellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere overtreding, tot een maximum van € 100.000,-;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 maart 2005

eerste civiele kamer

rolnummer 2004/644

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. J.C.N.B. Kaal,

tegen:

1. [geïntimeerde sub 1], wonende te [woonplaats],

2. [geïntimeerde sub 2], wonende te [woonplaats],

3. [geïntimeerde sub 3], wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

procureur: mr. J.Th.M. Palstra.

1 Het verloop van de procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar de vonnissen van de rechtbank Arnhem van 23 juli 2003 en 17 december 2003, gewezen tussen appellant (hierna: [appellant]) als gedaagde en geïntimeerden (hierna gezamenlijk aan te duiden als [geïntimeerden] en afzonderlijk als respectievelijk [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3]) als eisers. Van ieder van die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het verloop van de procedure in hoger beroep

2.1 [appellant] is bij exploot van 16 maart 2004 van genoemde vonnissen van 23 juli 2003 en 17 december 2003 in hoger beroep gekomen, met dagvaarding van [geïntimeerden] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] veertien grieven aangevoerd en toegelicht en geconcludeerd dat het hof de vonnissen waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van [geïntimeerden] alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord hebben [geïntimeerden] verweer gevoerd, nieuwe producties in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof het vonnis (bedoeld zal zijn: de vonnissen) waarvan beroep zal bekrachtigen, zo nodig met aanvulling en verbetering van gronden, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding (het hof leest: in hoger beroep).

2.4 Ter zitting van het hof van 10 januari 2005 hebben partijen hun zaak mondeling doen bepleiten, [appellant] door mr. A.W.G. Artz, advocaat te Rotterdam, en [geïntimeerden] door mr. T.H. Bosboom, advocaat te Arnhem. Beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. Aan [appellant] is tevens akte verleend van het in het geding brengen van een aantal nieuwe producties.

2.5 Ten slotte hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1 Tegen de door de rechtbank in haar vonnis van 17 december 2003 onder 2 tot en met 5 weergegeven feiten zijn geen grieven gericht, met dien verstande dat [appellant] in zijn tweede grief, mede gelet op de daarbij verstrekte toelichting, erover klaagt dat de rechtbank een aantal feiten en omstandigheden ten onrechte niet heeft vermeld, zowel met betrekking tot de gebeurtenissen op 20 februari 2003 als ten aanzien van het karakter van de website www.flitsservice.nl en de daarop naar aanleiding van genoemde gebeurtenissen geplaatste reacties. Ook heeft [appellant] bezwaar tegen de conclusie van de rechtbank dat de agenten zich in hun werk gehinderd voelden en tegen de kwalificatie dat de toonzetting van de reacties op de website dikwijls denigrerend of zelfs bedreigend is.

3.2 Met inachtneming van deze grief, het verweer daartegen van [geïntimeerden] en hetgeen overigens als niet of onvoldoende weersproken is gebleken en door de rechtbank is vastgesteld, gaat het hof van de volgende feiten uit.

3.3 Terwijl [geïntimeerden] als politiefunctionarissen in uniform op 20 februari 2003 op de Wolfskuilseweg in Nijmegen snelheidscontroles uitvoerden, maakte [appellant] foto’s van hun werkzaamheden. Desgevraagd door [geïntimeerde sub 1] antwoordde hij dat hij deze foto’s op het internet zou plaatsen, maar dat hij hun gezichten onherkenbaar zou maken. Toen hij weigerde in te gaan op het verzoek van [geïntimeerde sub 1] het fotograferen te staken en zich te verwijderen en, na even te zijn weggelopen, opnieuw foto’s begon te maken, hielden [geïntimeerden] hem aan en brachten zij hem over naar het politiebureau. De politie nam vervolgens zowel zijn camera als de geheugenkaart daarin in beslag. Nadat de camera aan [appellant] was geretourneerd, stelde het Openbaar Ministerie hem voor dat hij schriftelijk zou verklaren van het publiceren van de foto’s af te zien. [appellant] wees dit voorstel af. Vervolgens lieten [geïntimeerden] met verlof van de voorzieningenrechter onder het Openbaar Ministerie conservatoir derdenbeslag op de geheugenkaart leggen. Kort na de gebeurtenissen op 20 februari 2003 deed [appellant] onder de naam Chuppie op de website www.flitsservice.nl uitgebreid verslag van het voorval. Daarbij noemde hij [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] met naam en toenaam en kondigde hij aan dat hij zou trachten ook de naam van de derde politieagent te achterhalen. Zijn verslag leidde tot een groot aantal reacties die eveneens op genoemde website werden geplaatst.

3.4 Met zijn grieven beoogt [appellant] het geschil overigens in zijn geheel aan het hof voor te leggen. Het hof zal de grieven zoveel mogelijk gezamenlijk behandelen.

4 De beoordeling van het hoger beroep

4.1 [appellant] heeft geen grieven tegen het vonnis van 23 juli 2003 aangevoerd. Hij zal daarom in zijn hoger beroep tegen dat vonnis niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.2 Met hun vordering beogen [geïntimeerden] met een beroep op het bij artikel 21 Auteurswet (Aw) geregelde portretrecht dan wel op artikel 6:162 van het Burgerlijk Wet-boek (BW) te bewerkstelligen dat [appellant] de foto’s die zich in de hiervoor genoemde geheugenkaart bevinden, niet publiceert. Zij vorderen primair vernietiging van de geheugenkaart en subsidiair een door een dwangsom versterkt verbod op publicatie van de foto’s. In beide gevallen gaat het om een inbreuk op het bij artikel 7 Grondwet (Gw) en artikel 10 van het Europees Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) geregelde recht op uitingsvrijheid, in dit geval het recht van [appellant] op publicatie van de door hem vervaardigde foto’s.

4.3 [appellant]’s recht op uitingsvrijheid is niet onbeperkt. Het vindt zijn grenzen in zijn verantwoordelijkheid volgens de wet (artikel 7 Grondwet) en in de beperkingsgronden van het tweede lid van artikel 10 EVRM. Deze beperkingsgronden zijn echter op hun beurt begrensd. Vereist is dat een inbreuk op het recht op uitingsvrijheid bij de wet is voorzien, een wettig doel dient en in het belang daarvan noodzakelijk is in een democratische samenleving. Het hof zal zijn oordeel baseren op een toepassing van het bepaalde in artikel 10 EVRM.

4.4 Vast staat dat de gevraagde inbreuk bij de wet is voorzien in artikel 21 Aw en artikel 6:162 BW. Weliswaar bevat artikel 6:162 BW niet met zoveel woorden een bepaling die op een geval als het onderhavige is toegespitst, maar uit de ook voor [appellant] toegankelijke en kenbare jurisprudentie kan worden afgeleid dat beperkingen op publicatie van foto’s op deze bepaling kunnen worden gebaseerd. Voorts staat vast dat [geïntimeerden] met de door hen gevorderde maatregelen een wettig doel beogen te dienen: de bescherming van hun goede naam en het recht op bescherming van hun persoonlijke levenssfeer. De vraag die dan ook moet worden beantwoord, is of de door hen verlangde inbreuk op [appellant]’s recht op uitingsvrijheid in het belang daarvan noodzakelijk in een democratische samenleving is. Dat betekent dat voor die inbreuk een dringende maatschappelijke noodzaak aanwezig moet zijn en dat de gevorderde maatregelen proportioneel moeten zijn ten opzichte van het daarmee gediende doel.

4.5 Het hof stelt ten aanzien daarvan voorop dat aan een ieder die informatie over een onderwerp van maatschappelijk belang publiceert, zoals het controleren van snelheidsovertredingen door de politie, in beginsel een grote mate van bescher-ming toekomt. Dit geldt niet alleen voor journalisten van kranten, radio en televisie, maar ook voor degene die op een daarvoor ingerichte en aan het geïnteresseerde publiek bekende internetsite berichten, opinies en foto’s plaatst met het doel dat pu-bliek over het desbetreffende onderwerp te informeren. Voorts moeten ambtenaren die in het kader van een dergelijk onderwerp in het openbaar in de uitoefening van hun functie optreden, als public figures meer kritiek en een grotere inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer toestaan dan privépersonen. Dat wil niet zeggen dat de mate van tolerantie die zij moeten betonen, even groot is als die van, bijvoorbeeld, politici. Zo moeten zij voor een goede uitoefening van hun taken ongestoord het vertrouwen van het publiek kunnen genieten en zich kunnen beschermen tegen gedragingen en situaties waarmee hun functioneren op onaanvaardbare wijze wordt belemmerd. Dit geldt ook voor politieambtenaren die in het belang van de verkeersveiligheid snelheidscontroles uitvoeren.

4.6 In deze procedure handelt het niet meer (uitsluitend) om de vraag of [appellant] ten behoeve van www.flitsservice.nl foto’s mag maken en publiceren waarmee een beeld van de door [geïntimeerden] uitgevoerde snelheidscontroles wordt gegeven. Na – en als gevolg van – de gebeurtenissen op 20 februari 2003 hebben de namen van [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 2] op genoemde website gestaan en hebben diverse lezers van de door [appellant] daarop gepubliceerde berichten op soms zeer agressieve en dreigende manier op de gebeurtenissen gereageerd. Het hof verwijst in dit verband naar de onder nr. 5 van het vonnis van 17 december 2003 daarvan genoemde voorbeelden. Dat de door [appellant] buiten medewerking van [geïntimeerden] benaderde deskundige [...] in diens analyse van de website hiervan een andere indruk heeft gekregen, kan aan deze conclusie van het hof zelf niet afdoen. Onder de naam Chuppie heeft ook [appellant] zich – zij het niet in dreigende zin – in deze berichtenuitwisseling gemengd.

Tegen de achtergrond van deze omstandigheden verlangt [appellant] thans in hoger beroep een – principiële – uitspraak over de vraag of hij (de) foto’s van [geïntimeerden] mag publiceren zonder hun gezichten onherkenbaar te maken, zonder dat hij duidelijk maakt waarom hij dit wil, mede in het licht van zijn ter zitting van het hof afgelegde verklaring dat hij bij het publiceren van verslagen en foto’s van snelheidscontroles de gezichten van de betrokken politieambtenaren altijd afdekt.

4.7 Een en ander vormt echter nog geen rechtvaardiging voor de door [geïntimeerden] gevraagde inbreuken op [appellant]’s uitingsvrijheid. Niet alleen kan [appellant] in het kader van het kritisch volgen van het handelen van overheidsinstanties een (journalistiek) belang hebben bij de mogelijkheid op genoemde internetsite verslag te doen van de wijze waarop deze instanties een geval als het onderhavige behandelen. In hoeverre de foto’s aan dat verslag kunnen bijdragen, is een journalistieke beslissing waarin de rechter in beginsel niet dient te treden. Bovendien moet de vordering van [geïntimeerden], zoals hiervoor overwogen, ook dan de noodzakelijkheidstoets kunnen doorstaan.

In dat verband acht het hof hun verlangen dat zij niet als persoon herkenbaar worden gemaakt, wel gerechtvaardigd. Het hof neemt hierbij mede de eerdergenoemde reacties op de site in aanmerking. [appellant] voert aan dat hij de publicatie daarvan niet kon verhinderen, maar dat doet niet af aan het belang van [geïntimeerden] bij de bescherming van hun persoonlijke levenssfeer en hun fysieke integriteit. Bovendien heeft [appellant] zelf de namen van [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 2] op de site gezet en daarop aangekondigd dat hij zou trachten ook de naam van de derde politieman te achterhalen. Ten slotte neemt het hof in aanmerking dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor de door hem beoogde publicatie(s) noodzakelijk is dat daarbij tevens de namen, hoofden en gezichten van [geïntimeerden] aan de openbaarheid worden prijsgegeven. Voor zover zij zich tegen publicatie van hun naam, hoofd en gezicht (al dan niet in combinatie met elkaar) verzetten, is een toewijzing van hun vordering dan ook in een democratische samenleving noodzakelijk.

4.8 Hebben [geïntimeerden] derhalve een gerechtvaardigd belang bij in ieder geval een gedeeltelijke inbreuk op [appellant]’s uitingsvrijheid, deze inbreuk mag niet disproportioneel ten opzichte van het door hen nagestreefde doel zijn. Naar het oordeel van het hof dient de vordering tot vernietiging van de geheugenkaart als disproportioneel te worden beschouwd, omdat [appellant] daarmee elke mogelijkheid wordt ontnomen zijn eventuele verslag met beelden te illustreren en hij dan ook geen foto’s kan publiceren waarmee het gebeurde zichtbaar wordt gemaakt zonder dat daarbij de hoofden en gezichten van [geïntimeerden] te herkennen zijn. Het hof acht derhalve voldoende dat [appellant] wordt verboden de foto’s te publiceren, als daarop de hoofden en gezichten van [geïntimeerden] herkenbaar zijn en daarbij hun namen worden vermeld. Dit brengt mee dat de vordering sub B van [geïntimeerden], zij het onder deze beperking, toewijsbaar is.

Het hof deelt niet het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerden] er geen vertrouwen in hoeven te hebben dat [appellant] zich aan een met een dwangsom versterkt verbod zal houden. Voorts acht het hof het, gelet op de verklaringen van [geïntimeerden] ter zitting van het hof, onvoldoende aannemelijk dat [geïntimeerden] van de publicatie van de foto’s onder de genoemde beperking bedreigingen door derden en ridiculisering van de kant van collega’s, familie, vrienden en kennissen zullen ondervinden, nog daargelaten of dit laatste een voldoende rechtvaardiging voor een inbreuk op de uitingsvrijheid zou meebrengen. Weliswaar kan onder omstandigheden ook het zichtbaar maken van andere delen van het lichaam dan het hoofd en het gezicht tot herkenning leiden, in het onderhavige geval is dat onvoldoende aannemelijk geworden. Dit geldt temeer nu [geïntimeerden] op de foto’s in politie-uniform zijn gekleed.

4.9 Het bovenstaande brengt mee dat het vonnis van de rechtbank van 17 december 2003 dient te worden vernietigd en het door [geïntimeerden] in eerste aanleg sub B gevorderde, zij het onder de hiervoor genoemde beperking, dient te worden toegewezen. Daarbij zal het hof de gevorderde dwangsom, gelet op de aard van de zaak, matigen tot € 5.000,- per overtreding en aan een maximum van € 100.000,- binden. Aangezien beide partijen daarmee in ongeveer gelijke mate in het ongelijk zijn gesteld, zal het hof de proceskosten van de procedure compenseren, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

5 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 23 juli 2003;

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Arnhem van 17 december 2003 en, opnieuw rechtdoende:

verbiedt [appellant] de door [geïntimeerden] als productie 1 bij dagvaarding in eerste aanleg overgelegde zeven foto’s te (doen) publiceren onder vermelding van de namen van [geïntimeerden] of van een of meer van hen zonder daarop de hoofden en gezichten van [geïntimeerden] geheel onherkenbaar te maken, dan wel deze foto’s te verkopen of anderszins (al dan niet om niet) aan derden over te dragen of ter beschikking te stellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere overtreding, tot een maximum van € 100.000,-;

compenseert de kosten van beide instanties aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Korthals Altes, Rijken en Groen en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 maart 2005.