Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AS9219

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-02-2005
Datum publicatie
10-03-2005
Zaaknummer
03-01379
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2006:AX9135
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende in Nederland woonachtig was en alhier looninkomsten heeft genoten die zijn verzwegen voor de fiscus, zodat terecht is nagevorderd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2005/29.1.2
FutD 2005-0535
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 03/01379 (Inkomstenbelasting)

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/[P] op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem voor het jaar 1997 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een navorderingsaanslag opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 400.000. Het bedrag van de navordering ad ƒ 220.158 is vermeerderd met een boete van 100%.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. Bij de bestreden uitspraak heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag voor wat betreft het bedrag van de navordering gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De inspecteur heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.

1.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof op 2 november 2004. Daarbij zijn verschenen en gehoord [belanghebbendes gemachtigde, alsmede de Inspecteur].

1.5. De gemachtigde van belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de Inspecteur. De inhoud van de pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt. Zonder bezwaar van de wederpartij heeft de gemachtigde bij de pleitnota 1 bijlage overgelegd.

1.6. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende op 1 december 2004 het Hof een brief doen toekomen met als bijlage een kopie van een brief aan de Inspecteur gedagtekend 30 november 2004.

Het Hof ziet geen reden om naar aanleiding van deze brief het reeds gesloten onderzoek te heropenen.

2. Feiten

Tussen partijen staat het volgende, door de ene partij gesteld en door de andere partij niet dan wel onvoldoende weersproken, vast.

2.1. Belanghebbende heeft over het onderhavige jaar geen aangifte gedaan. Hem is ook geen aangiftebiljet uitgereikt teneinde aangifte te doen.

2.2. Een onderzoek door de FIOD naar beweerde export van suiker uit de Nederlandse Antillen naar Europa, voerde onder meer naar de in [Q] kantoor houdende besloten vennootschap [A b.v.] en haar directielid zijnde belanghebbende.

2.3. Een nader onderzoek naar belanghebbende heeft het volgende uitgewezen.

2.3.1. Belanghebbende staat in het onderhavige jaar in de basisadministratie van de gemeente [Z] beschreven als gehuwd met mevrouw [Y]. Het huwelijk is gesloten [in 1992]. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren, respectievelijk in 1992 en 1998. Moeder en oudste kind staan gedurende onder meer het onderhavige jaar op het adres [a-weg 1 te Z] ingeschreven, het jongste kind sedert haar geboorte. In januari 1999 treedt belanghebbende op als hypotheekgever betreffende een onroerende zaak. Als zijn woonadres staat in de akte vermeld het voormelde adres.

2.3.2. Uit belanghebbendes relatie met [B] is in de loop van 1994 een kind geboren. Deze beiden woonden gedurende het onderhavige jaar te [R].

2.3.3. Belanghebbende heeft gedurende het jaar 1997 veelvuldig getankt in of in de omgeving van [Z], respectievelijk [R]. Uit de bij voormeld onderzoek betrokken bescheiden blijkt voorts dat belanghebbende gedurende het jaar 1997 regelmatig in Nederlandse horecagelegenheden heeft gegeten en blijkt eveneens uit overige gegevens zoals onder meer creditcardgegevens, contante bankopnamen e.d., dat belanghebbende tenminste zeer regelmatig hier te lande is geweest.

2.3.4. Belanghebbende beschikt over diverse Nederlandse bankrekeningen (ABN/AMRO en VSB). Uit de aangetroffen bankafschriften over 1997 en 1998 is een overzicht van mutaties gemaakt dat tot de stukken van het geding behoort. Uit de bankafschriften van VSB blijkt dat er regelmatig kasopnames plaats vinden in Nederland.

2.3.5. Belanghebbende heeft blijkens de aanwezige bankafschriften op 10 februari 1997 en 11 augustus 1997 aan een Nederlandse ziektekostenverzekeraar een premie betaald van telkens ƒ 1.456,20 en op 17 februari 1998 een ten belope van ƒ 1.548,90. De verzekering, mede afgesloten voor belanghebbendes echtgenote en een der dochters, kende geen buitenlanddekking.

2.3.6. Bij akte van 31 december 1996 verkrijgt belanghebbende het aandelenkapitaal van [A b.v.]. Deze b.v. heeft vanaf 10 maart 1997 een tweetal kamers gehuurd in het pand [d-weg 2 te Q].

2.3.7. Belanghebbende ontving van [A b.v.] in het onderhavige jaar per bank een zestal betalingen van elk ƒ 10.000, respectievelijk op 31 januari, 29 april, 30 mei, 24 juni, 18 juli en 19 september 1997. De betaling van 31 januari 1997 was voorzien van een omschrijving “[A b.v.] managementverg. Jan 97”, de betalingen van 24 juni en 18 juli dragen geen omschrijving, de andere betalingen hebben de toevoeging respectievelijk 04-97, 0597 en 09-1997.

2.3.8. Belanghebbende ontving voorts per bank belangrijke bedragen van [A b.v.], blijkens de omschrijving als voorschot (de betaling ad ƒ 20.000 op 24 maar 1997 heeft als omschrijving ‘voorschot febr mrt 97’) dan wel ter zake van door belanghebbende bij [A b.v.] ingediende declaraties.

Daarnaast heeft belanghebbende regelmatig per kas opnamen gepleegd van bankrekeningen van [A b.v.].

2.3.9. [A b.v.] heeft geen aangifte loonbelasting gedaan terzake van enige betaling in 1997 aan belanghebbende.

2.3.10. [A b.v.] heeft gedurende de periode van 17 maart 1997 tot 27 mei 1997 een Saab gehuurd. Op 20 mei 1997 heeft [A b.v.] vervolgens een personenauto van het merk Maserati met een Nederlands kenteken gekocht voor ƒ 59.523 en deze in gebruik gegeven aan belanghebbende. Deze auto is op 19 december 1997 door [A b.v.] aan belanghebbende verkocht voor een onbekend bedrag. [A b.v.] heeft voorts voor de periode van 28 juli 1997 tot 6 september 1997 een Mercedes 200 gehuurd.

2.4. Volgens eigen opgave van belanghebbende (bijlage 14 bij het beroepschrift) dreef hij in Duitsland een bedrijf onder de naam [X/C GmbH], is hij in 1997 werkzaam geweest voor een tweetal op de Nederlandse Antillen en – als Geschäftsführer – een viertal in Duitsland gevestigde bedrijven, heeft een van die Duitse bedrijven hem een personenauto ter beschikking gesteld en heeft hij in het onderhavige jaar werkzaamheden verricht voor diverse, in Albanië gevestigde bedrijven.

2.5. Belanghebbende bezat, eveneens volgens bedoelde eigen opgave, in [X/C GmbH] een belang van 1/3 en in twee andere Duitse bedrijven een belang van respectievelijk 51 percent en 100 percent, voorts in de op de Nederlandse Antillen gevestigde moedermaatschappij van [A b.v.] een indirect belang van 5 percent, alsmede een zelfde belang in de “[D NV]”, eveneens op de Nederlandse Antillen gevestigd.

2.6. Omtrent het beloop van inkomsten uit belanghebbendes onder 2.4 en 2.5 vermelde activiteiten is door geen der partijen iets gesteld, noch langs andere weg komen vast te staan.

2.7. Bij brief van 19 maart 2002 heeft de Inspecteur belanghebbende een navorderingsaanslag aangekondigd naar een belastbaar inkomen van ƒ 400.000, onder toepassing van een boete van 100%. De navorderingsaanslag is gedagtekend 27 maart 2002 en evenals de voormelde aankondigingsbrief verzonden naar het adres in [S] (Duitsland) van de inrichting waar belanghebbende destijds gedetineerd was na een veroordeling wegens bedriegelijke bankbreuk.

2.8. Bij brief van 7 februari 2003 verzoekt de Inspecteur belanghebbende een aantal vragen te beantwoorden.

Uiteindelijk beantwoordt belanghebbende bij brief van 14 juli 2003 het overgrote deel van die vragen. Diezelfde dag gaat hij voorts in beroep tegen het niet tijdig doen door de Inspecteur van uitspraak op het door hem tijdig ingediende bezwaar. De Inspecteur erkent dat de uitspraak niet tijdig is gedaan, maar stelt dat zulks te wijten is aan het ondanks herhaalde verzoeken daartoe niet tijdig verkrijgen van de gevraagde informatie van belanghebbende. De Inspecteur heeft daarop op 23 oktober 2003 uitspraak gedaan. In deze uitspraak wordt voorts vermeld dat bij nadere beslissing de toegepaste boete zal komen te vervallen.

3. Geschil tussen partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of de navorderingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. In het bijzonder moeten bij de geschilbeslechting de volgende vragen worden beantwoord:

1. is belanghebbende binnenlands belastingplichtige.

2. is belanghebbende buitenlands belastingplichtige.

3. dient belanghebbende het volledige bewijs als bedoeld in artikel 29 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) te leveren voor zijn stelling dat de navorderingsaanslag dient te worden vernietigd.

4. Is belanghebbende erin geslaagd zijn in 3. bedoelde stelling te bewijzen.

3.2. Belanghebbende neemt kennelijk het standpunt in dat hij niet hier te lande woont in de zin van artikel 4 van de AWR en dat hij geen hier te lande belastbaar inkomen heeft genoten, terwijl de Inspecteur de vragen 1 tot en met 3 bevestigend beantwoordt (de tweede bij wijze van subsidiair standpunt) en vraag 4 ontkennend.

3.3. Partijen hebben hun respectievelijke standpunten neergelegd in de door ieder van hen ingebrachte stukken. Hetgeen partijen ter zitting hebben aangevoerd, is zakelijk weergegeven in het “proces-verbaal van het verhandelde ter zitting” dat in afschrift aan deze uitspraak is aangehecht.

4. Overwegende omtrent het geschil:

4.1. Ingevolge het bepaalde – voorzover hier van belang – in artikel 4, lid 1 van de AWR wordt, waar iemand woont naar de omstandigheden beoordeeld.

4.2. ten aanzien van de eerste subvraag.

4.2.1. De onder 2.3. vermelde feiten en omstandigheden, tezamen en in onderling verband beschouwd, geven voor het onderhavige jaar tenminste een zodanig sterke aanwijzing dat het centrum van belanghebbendes maatschappelijke leven hier te lande is gelegen, dat wil zeggen dat belanghebbende geacht moet worden tenminste mede hier te lande te wonen, dat in redelijkheid van belanghebbende gevraagd mag worden voor een andersluidend standpunt tegenbewijs te leveren.

4.2.2. Hetgeen belanghebbende daartoe heeft aangevoerd is onvoldoende om aan te nemen dat belanghebbende mede in een ander land heeft gewoond, laat staan dat belanghebbende in het onderhavige jaar niet geacht moet worden tenminste hier te lande te hebben gewoond.

Belanghebbendes loutere bewering – waarvoor hij tegenover de Inspecteur noch in beroep enige verifieerbare gegevens heeft geproduceerd – is daartoe ontoereikend.

4.2.3. Belanghebbende moet derhalve, overeenkomstig het primaire standpunt van de Inspecteur, als binnenlands belastingplichtige beschouwd worden.

4.3. De tweede subvraag behoeft derhalve geen behandeling. Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel komt aan de orde in rechtsoverweging 4.5.21. en volgende.

4.4. ten aanzien van de derde subvraag.

4.4.1. De Inspecteur heeft bij aangetekend verzonden brief van 24 juni 2003 belanghebbende een laatste termijn gegeven – tot 8 augustus 2003 – om de door hem bij brief van 7 februari 2003 gestelde vragen te beantwoorden.

4.4.2. Belanghebbende heeft het overgrote deel van deze vragen beantwoord bij brief van de gemachtigde van 14 juli 2003. Niet is voldaan aan het verzoek van de Inspecteur om toezending van door belanghebbende in Duitsland gedane aangiften inkomstenbelasting “1995 t/m heden” en in “Egypte en voor mogelijke andere landen” gedane aangiften alsmede de desbetreffende aanslagen.

4.4.3. Voorts heeft belanghebbende niet beantwoord de vragen naar het adres van [E], volgens belanghebbende zijn collega directeur en tevens direct dan wel indirect directeur van enkele andere lichamen waarin belanghebbende belang had, en evenmin de vraag “Op welke wijze (door wie en waarvoor) worden gelden gestort op deze rekening. Wie is de eigenaar van deze rekening?”.

Op grond van het niet-beantwoorden van deze vragen concludeert de Inspecteur tot verzwaring van de bewijslast in dezen voor belanghebbende.

4.4.4. Belanghebbende heeft voor het niet beantwoorden van deze vragen aangevoerd dat hij inzage wenste in het controledossier alsmede dat hij tijdens zijn detentie (zie de brief van de Inspecteur d.d. 24 juni 2003 - bijlage 4 bij het verweerschrift -) geen toegang had tot zijn administratie.

4.4.5. De in 4.4.3 bedoelde vraag inzake een bankrekening betreft kennelijk een ABN/AMRO privé-rekening waarvan belanghebbende reeds in zijn brief aan zijn gemachtigde van 2 december 2002 (bladzijde 2, laatste alinea) zonder meer heeft erkend dat die rekening de zijne is (bijlage 7 bij het beroepschrift). Voorts had belanghebbende reeds in zijn voornoemde brief van 2 december 2002 (bladzijde 3, zesde alinea) verklaard omtrent een tweetal ontvangsten op die rekening van respectievelijk ƒ 25.000 afkomstig van [A b.v.] en ƒ 24.184,38 afkomstig van een met [A b.v.] gelieerde vennootschap.

4.4.6. De Inspecteur erkent dat belanghebbende nog in juli 2003 gedetineerd was in Duitsland en dat zulks de mogelijkheden voor belanghebbende om inlichtingen te geven, verminderde. Dit gegeven, in combinatie met de overigens beperkte mate waarin belanghebbende de gestelde vragen niet heeft beantwoord, rechtvaardigen naar het oordeel van het Hof geen toepassing van artikel 29 van de AWR in de voor het onderhavige jaar geldende tekst.

4.5. ten aanzien van de vierde subvraag.

4.5.1. Belanghebbende is directeur van [A b.v.], een hier te lande gevestigde besloten vennootschap. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende bij akte van 31 december 1996 het aandelenkapitaal in deze b.v. heeft verkregen. Belanghebbende stelt weliswaar dat deze verkrijging bij wijze van “treuhändler” plaatsvond, doch heeft deze stelling niet nader onderbouwd.

4.5.2. Belanghebbende stelt voorts dat de moedermaatschappij van [A b.v.] op de Nederlandse Antillen is gevestigd – waaruit zou kunnen worden afgeleid dat die rechtspersoon de beschikkingsmacht over tenminste de meerderheid van het aandelenkapitaal van [A b.v.] heeft –, doch belanghebbende heeft ten eerste deze stelling niet nader onderbouwd en voorts heeft hij naar eigen mededeling zelf een indirect belang in die moedervennootschap en daarmee in [A b.v.].

4.5.3. Voor zover belanghebbende derhalve met zijn voornoemde stelling betreffende het feitelijk niet bezitten van aandelen in [A b.v.] zou willen betogen dat hij een volstrekt ondergeschikte positie in [A b.v.] zou innemen, kan deze stelling niet als juist worden aanvaard.

4.5.4. De Inspecteur stelt dat belanghebbende in het onderhavige jaar in de functie van directeur tegen betaling voor [A b.v.] werkzaamheden heeft verricht.

4.5.5. Hij voert hiervoor aan dat uit een zestal betalingen in de loop van 1997 door [A b.v.] op een van belanghebbendes bankrekeningen, telkens in de tweede helft van de maand van telkens een bedrag van ƒ 10.000, valt af te leiden dat belanghebbende, gelet op de toelichting bij die betaling in een viertal gevallen, als werknemer een maandelijkse beloning heeft ontvangen van netto ƒ 10.000. Deze gegevens maken het redelijkerwijs onaannemelijk dat belanghebbende slechts formeel directeur van [A b.v.] was, niet (mede) het beleid van [A b.v.] bepaalde en niet als directeur in dienstbetrekking bij [A b.v.] was.

4.5.6. De Inspecteur stelt dat belanghebbende volgens de beschikbare gegevens in het onderhavige jaar ten laste van [A b.v.] beschikt heeft over een bedrag van in totaal ƒ 323.934,38 waarvan een gedeelte ten belope van ƒ 201.684,39 via bankovermakingen en de rest, zijnde ƒ 122.250 via kasopnamen ten laste van een bankrekening van [A b.v.].

4.5.7. Voorts blijkt uit het door de Inspecteur als bijlage 5 bij het verweerschrift gevoegde overzicht van mutaties in 1997 van belanghebbendes bankrekening bij de VSB – welk overzicht als zodanig niet door belanghebbende is betwist – dat belanghebbende gedurende het onderhavige jaar naast het hiervoor genoemde bedrag van ƒ 323.934,38 diverse bedragen tot een beloop van in totaal ƒ 62.293,42 van [A b.v.] heeft ontvangen, veelal met omschrijving “declaratie”.

4.5.8. Belanghebbende betwist op zichzelf de hiervoor genoemde bedragen van ƒ 201.684,38, ƒ 122.250 en ƒ 62.293,42 niet, doch stelt in zijn brief van 2 december 2002 dat voormeld bedrag van ƒ 122.250 niet aan hem kan worden toegerekend, omdat het opnamen zouden betreffen door en ten behoeve van [A b.v.]. Voorts stelt belanghebbende dat in het bedrag van ƒ 201.604 een belangrijk gedeelte betrekking heeft op vergoeding van door hem ten behoeve van [A b.v.] gemaakte kosten.

4.5.9. Ten aanzien van de hiervoor bedoelde kasopnamen ten bedrage van ƒ 122.250 voert belanghebbende slechts in één geval een concreet verweer, namelijk in die van ƒ 50.000 op 5 augustus 1997. Deze zou niet door hem maar door zijn mededirecteur zijn gedaan. Belanghebbende heeft evenwel niet voldoende weersproken de stelling van de Inspecteur dat het op 5 augustus 1997 op belanghebbendes VSB-bankrekening gestorte bedrag van ƒ 20.000 afkomstig is van voormelde opname, zodat aan dit verweer onvoldoende waarde kan worden toegekend.

Het Hof merkt hierbij op dat overlegging door belanghebbende van een verklaring ter zake van belanghebbendes mededirecteur voor de hand had gelegen. Deze ontbreekt evenwel.

4.5.10. Gezien het vorenstaande brengt een redelijke verdeling van de bewijslast met zich dat de hiervoor onder 4.5.6. en 4.5.7. vermelde van de werkgever ontvangen bedragen als loon moeten worden beschouwd, voorzover belanghebbende tegenover de betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk maakt dat deze bedragen dienen als vergoeding voor door belanghebbende als aftrekbare kosten te beschouwen gedane uitgaven.

4.5.11. Belanghebbende heeft voor zijn standpunt zelfs geen begin van bewijs geleverd. Dit klemt te meer, nu de Inspecteur belanghebbende reeds in november 2002, een gedetailleerd overzicht heeft verstrekt van het door belanghebbende ten laste van [A b.v.] ontvangen bedrag van ƒ 323.934,38 en als bijlage bij zijn verweerschrift de (kennelijk niet volledige) overzichten van mutaties op belanghebbendes bankrekeningen [VSB-001] en [ABN/AMRO-002] heeft gevoegd, gegevens welke naar de Inspecteur onbetwist heeft gesteld, in het bezit van belanghebbende zijn en derhalve door hem dan wel door zijn gemachtigde, zonder beperking te raadplegen zijn.

4.5.12. De Inspecteur heeft de onder 4.5.6. en 4.5.7. vermelde bedragen, bij afwezigheid van door belanghebbende te leveren tegenbewijs, terecht als loon uit dienstbetrekking en derhalve als te belasten inkomen uit arbeid beschouwd.

4.5.13. Tussen partijen is niet in geschil dat [A b.v.] de door haar op 20 mei 1997 aangekochte Maserati ter beschikking heeft gesteld aan belanghebbende en wel tot 19 december 1997, de datum waarop deze auto in eigendom is overgegaan op belanghebbende.

4.5.14. De Inspecteur heeft bij het opleggen van de navorderingsaanslag rekening gehouden met het privé-gebruik van deze auto. Dit privé-gebruik beloopt minimaal 7/12 (aantal maanden) × 20 percent van ƒ 59.523 (aankoopprijs mei 1997) = ƒ 6.944.

4.5.15. Belanghebbende stelt dat [A b.v.] hem de auto in december 1997 bij wijze van betaling van door hem aan [A b.v.] voorgeschoten bedragen in eigendom heeft overgedragen. Over de hoogte van die voorgeschoten bedragen heeft belanghebbende echter niets gesteld, terwijl hij zich over de waarde die partijen bij die gelegenheid aan de auto hebben toegekend, ondanks een vraag ter zake van de Inspecteur, niet heeft uitgelaten.

4.5.16. Aldus dient het in betaling geven van de Maserati in december 1997 niet anders behandeld te worden dan de hiervoor onder 4.5.10. tot en met 4.5.12. reeds behandelde, door belanghebbende ontvangen bedragen onder de omschrijving van “declaratie”.

4.5.17. Het Hof schat in goede justitie, gelet op de kostprijs van de desbetreffende auto in mei 1997, de waarde in december 1997 op ƒ 30.000.

4.5.18. Het vorenstaande leidt tot de volgende conclusie.

Het is voldoende aannemelijk geworden dat belanghebbendes inkomsten uit dienstbetrekking over het onderhavige jaar tenminste hebben belopen.

(4.5.6.) ƒ 323.934

(4.5.12.) – 62.293

(4.5.14.) – 6.944

(4.5.17.) – 30.000

ƒ 423.171

4.5.19. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Inspecteur zijn belastbare inkomen te hoog heeft vastgesteld.

4.5.20. Nu het Hof de door de Inspecteur bepleite toepassing van artikel 29 (oud) van de AWR afwijst, kan aan het door belanghebbende in zijn pleitnotitie onder 10. vervatte aanbod tot nadere bewijsvoering, waaronder het horen van getuigen worden voorbijgegaan. Dit aanbod ziet immers uitdrukkelijk op de situatie dat op belanghebbende een zwaardere dan normale bewijslast zou drukken.

4.5.21. Bij bezwaar heeft belanghebbendes toenmalige gemachtigde, betogend dat de belastingdienst over de jaren 1992 tot en met 1996 belanghebbende beschouwde als in Duitsland wonend en aldaar belastingplichtig, gesteld dat belanghebbende er op mocht vertrouwen dat de Inspecteur hem ook voor het onderhavige jaar niet als belastingplichtige zou beschouwen. Ter ondersteuning van dat standpunt heeft de gemachtigde bij de pleitnotitie een kopie overgelegd van een brief van de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen [T] van 5 april 2000, gericht aan de toenmalige gemachtigde.

4.5.22. Dit beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. In de desbetreffende brief wordt immers uitdrukkelijk en zulks kennelijk op grond van inlichtingen van de desbetreffende gemachtigde, ervan uitgegaan dat belanghebbende in Duitsland woonachtig is en geen dienstbetrekking vervult bij een in Nederland gevestigde vennootschap. Belanghebbende heeft echter zoals hiervoor onder 4.5.4. is geconcludeerd, gedurende 1997 wel een privaatrechtelijke dienstbetrekking bij een in Nederland gevestigde vennootschap vervuld.

4.5.23. Hetgeen belanghebbende voorts heeft aangevoerd kan niet leiden tot vernietiging van de uitspraak en vernietiging, dan wel verlaging van de navorderingsaanslag.

4.5.24. De Inspecteur heeft niet binnen de termijn van één jaar, genoemd in artikel 25, lid 1, van de AWR (tekst 1997) uitspraak gedaan, terwijl de toepasselijkheid van het gestelde in lid 2 van voormeld artikel niet is gesteld of gebleken.

4.5.25. De Inspecteur heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de vertraging in het doen van uitspraak op bezwaar gelegen is in de omstandigheid dat belanghebbende in gebreke is gebleven tijdig de gevraagde inlichtingen te geven.

Het Hof ziet dan ook geen reden om op grond van het enkele feit dat de Inspecteur te laat uitspraak heeft gedaan, te zijnen laste een proceskostenveroordeling uit te spreken.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Bevestigt de uitspraak waarvan beroep.

Aldus gedaan op 18 februari 2005 door mr. N.E. Haas, vice-president, voorzitter, mr. Van Schie en mr. dr. van Amsterdam, leden van de eerste meervoudige belastingkamer.

De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. Vellema als griffier.

(A. Vellema) (N.E. Haas)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 18 februari 2005

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.