Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AS8280

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
08-02-2005
Datum publicatie
02-03-2005
Zaaknummer
03-00807
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting.

De omstandigheid dat bij inkoop van buitenlandse auto’s de kosten van de RDW wel en bij binnenlandse auto’s niet tot de winstmarge in het kader van de margeregeling worden gerekend is niet in strijd met het Europese recht.

Wetsverwijzingen
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26
Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 4
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 90
Wet op de omzetbelasting 1968 28b
Wet op de omzetbelasting 1968 28d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2005/41.13 met annotatie van Redactie
FutD 2005-0493
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

derde meervoudige belastingkamer

nummer 03/00807 (Omzetbelasting)

U i t s p r a a k

op het beroep van V.O.F. [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/[P] op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan haar opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2001 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting, genummerd [01.F.01.1501], opgelegd ten bedrage van € 4.745 aan enkelvoudige belasting. Voorts is een bedrag aan heffingsrente berekend van € 192.

1.2. Deze naheffingsaanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak op bezwaar in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 16 december 2004 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord [belanghebbendes gemachtigde, alsmede de Inspecteur].

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende, een vennootschap onder firma, houdt zich bezig met de handel in - voornamelijk - gebruikte auto’s. Belanghebbende is voor deze activiteiten aangemerkt als ondernemer als bedoeld in artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968.

2.2. Belanghebbende koopt een deel van de auto’s in Duitsland in en vervoert die auto’s vervolgens naar Nederland. Voordat belanghebbende een dergelijke in Duitsland ingekochte auto te koop aanbiedt in Nederland, laat zij de auto keuren door de Rijksdienst voor het Wegverkeer (verder: RDW), vraagt zij een kenteken voor die auto aan en voldoet zij de Belasting van personenauto’s en motorrijwielen (verder: BPM) op aangifte.

2.3. Belanghebbende past op de in- en verkopen van de gebruikte auto’s de in Hoofdstuk V, afdeling 5, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (verder: de Wet) opgenomen margeregeling toe. De door belanghebbende verrichte leveringen zijn ingevolge het bepaalde in artikel 28d van de Wet juncto artikel 4c, eerste lid, onder 1°, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 aangewezen voor “globalisatie”. Belanghebbende heeft niet afgezien van toepassing van deze globalisatieregeling.

2.4. In het onderhavige tijdvak heeft belanghebbende voor toepassing van de margeregeling de onder 2.2. bedoelde aan de RDW betaalde kosten (verder: keuringskosten RDW) tot de inkoopprijs van de marge-inkopen gerekend.

2.5. In het rapport van 27 augustus 2002 inzake een door de belastingdienst bij belanghebbende ingesteld boekenonderzoek is onder meer geconcludeerd dat belanghebbende in 2000 en 2001 ten onrechte kosten voor “keuring RDW en ANWB” voor bedragen van respectievelijk ƒ 21.810 en ƒ 20.781 tot de inkoopprijs van de auto’s heeft gerekend en dat de winstmarge in verband daarmee met € 19.327 (ƒ 42.591) moet worden verhoogd. De terzake nageheven omzetbelasting bedraagt € 2.978.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of in de onderhavige naheffingsaanslag terecht het bedrag van € 2.978 aan enkelvoudige belasting als bedoeld in 2.5 is begrepen. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

3.2. Belanghebbende neemt het standpunt in dat zij de keuringskosten RDW tot de inkoopprijs voor de marge-auto’s heeft mogen rekenen. Zij stelt daarbij primair dat het niet opnemen van de keuringskosten RDW in de inkoopprijs van de buitenlandse auto’s in strijd is met artikel 95 (thans: artikel 90) van het EG-verdrag (hierna: EG). Subsidiair stelt belanghebbende dat de keuringskosten RDW, door het sterke causale verband tussen deze keuringskosten en de te betalen BPM (het kentekenbewijs voor een buitenlandse auto kan alleen worden verkregen nadat de BPM is voldaan, terwijl de BPM eerst kan worden voldaan nadat de auto gekeurd is door de RDW), bij de bepaling van de winstmarge op dezelfde wijze behandeld dienen te worden als de BPM.

3.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting geen nieuwe klachten of verweren toegevoegd.

3.4. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 2.978.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Niet in geschil is dat belanghebbende terecht de margeregeling heeft toegepast op de verkopen van door haar in het onderhavige tijdvak in een andere lidstaat ingekochte gebruikte auto’s. Uit hetgeen partijen in dezen naar voren hebben gebracht, leidt het Hof af dat evenmin in geschil is dat op grond van de geldende omzetbelastingregelgeving, in het bijzonder artikel 28d van de Wet en het Voorschift Margeregeling (Besluit van 10 mei 1995, nr. VB95/1237), de keuringskosten RDW als zodanig niet kunnen worden gerekend tot de marge-inkopen (“hetgeen in dat tijdvak door de wederverkoper is of moet worden voldaan ter zake van in artikel 28b, tweede lid, (...) bedoelde leveringen of invoer van dergelijke goederen”). Nu het Hof niet is gebleken dat partijen hierbij uitgaan van een juridisch onjuist uitgangspunt, zal het Hof partijen hierin volgen.

4.2. Belanghebbende betoogt in beroep - kortweg - dat bij aan- en verkoop van personenauto’s met een Nederlands kenteken (verder: binnenlandse personenauto’s) die worden geleverd onder toepassing van de margeregeling, de keuringskosten RDW geen deel uitmaken van de winstmarge waarover de omzetbelasting wordt berekend. Van keuringskosten RDW is in die situatie namelijk in het algemeen geen sprake. Om daarentegen een in een andere lidstaat ingekochte auto (verder: een buitenlandse personenauto) aan Nederlandse kopers te kunnen verkopen, dient die buitenlandse personenauto te beschikken over een Nederlands kenteken. Alvorens een kentekenbewijs wordt afgegeven, dient de buitenlandse personenauto door de RDW gekeurd te worden en de verschuldigde BPM te worden voldaan. De keuringskosten RDW maken in die situatie - anders dan bij binnenlandse personenauto’s - derhalve deel uit van de winstmarge. Belanghebbende stelt dat daardoor een verschil in omzetbelastingdruk ontstaat tussen motorrijtuigen die in het binnenland als margegoed worden aangekocht en gelijksoortige motorrijtuigen uit andere lidstaten en dat dit een met artikel 90 EG onverenigbare discriminerende of beschermende werking heeft.

4.3. Artikel 90 EG luidt als volgt:

“De lidstaten heffen op producten van de overige lidstaten, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale producten worden geheven.

Bovendien heffen de lidstaten op de producten van de overige lidstaten geen zodanige binnenlandse belastingen, dat daardoor andere producties zijdelings worden beschermd.”

4.4. Nu de omzetbelasting onder dezelfde voorwaarden zowel op binnenlandse als buitenlandse personenauto’s wordt geheven, heeft de heffing van omzetbelasting naar het oordeel van het Hof geen discriminerende of beschermende werking. Mitsdien is deze belasting niet onverenigbaar met artikel 90 EG. Het feit dat bij de inkoop van een buitenlandse personenauto de keuringskosten RDW wél en van een binnenlandse personenauto niet tot de winstmarge worden gerekend, wordt enkel veroorzaakt door het verplichte karakter van de RDW-keuring bij het op kenteken zetten van de buitenlandse personenauto en niet door de wijze waarop de heffing van omzetbelasting ter zake van de levering van dergelijke auto’s plaatsvindt. Bij toepassing van de margeregeling wordt voor de berekening van de winstmarge immers geen onderscheid gemaakt naar de herkomst van de personenauto.

4.5. Belanghebbendes subsidiaire stelling dat de keuringskosten RDW op dezelfde wijze behandeld dienen te worden als de BPM, welke stelling het Hof opvat als een beroep op het gelijkheidsbeginsel, wordt door het Hof eveneens verworpen. Het Hof heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.

4.6. Ingeval een nieuwe of gebruikte personenauto wordt geleverd waarbij de heffing van omzetbelasting plaatsvindt volgens de gewone regeling, behoort de BPM niet tot de maatstaf van heffing voor de omzetbelasting. Wordt een gebruikte personenauto met toepassing van de margeregeling geleverd, dan vindt evenmin heffing van omzetbelasting over de BPM plaats, omdat in die situatie de BPM zowel in de marge-inkopen als de marge-verkopen is begrepen. Bij de aankoop van buitenlandse auto’s is de BPM echter niet in de marge-inkopen begrepen en zou bij toepassing van de margeregeling omzetbelasting worden geheven over de ter zake van de kentekenregistratie verschuldigde BPM. Omdat dit in strijd zou zijn met de uit artikel 4, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 blijkende bedoeling van de wetgever, is in het Voorschrift Margeregeling, (hoofdstuk 4, § 8.2) onder voorwaarden goedgekeurd dat de BPM mede tot de marge-inkopen wordt gerekend. Voor keuringskosten RDW bestaat daarentegen niet de wettelijke regeling dat deze kosten buiten de maatstaf van heffing kunnen blijven, noch in geval van levering van nieuwe of gebruikte auto’s volgens de gewone regeling noch in geval van levering van gebruikte personenauto’s volgens de margeregeling. Het gaat in dezen derhalve om kosten van ongelijke aard die door de omzetbelastingwetgeving op verschillende wijze worden behandeld. Dit staat naar het oordeel van het Hof in de weg aan de analoge toepassing van de hiervoor genoemde beleidsregel op de keuringskosten RDW. Het door belanghebbende gestelde causale verband tussen de BPM en de keuringskosten RDW, doet hieraan niet af.

4.7. Op grond van het hiervóór overwogene komt het Hof tot de slotsom dat de naheffingsaanslag terecht is vastgesteld maar, overeenkomstig de conclusie van de Inspecteur in het verweerschriftt, dient te worden verminderd tot € 2.978 aan omzetbelasting. Het beroep van belanghebbende is derhalve in zoverre gegrond.

5. Proceskosten

Bij de toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht heeft als hoofdregel te gelden dat, indien een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld, zijn wederpartij in de kosten van het geding wordt veroordeeld (vergelijk HR 20 december 1995, nr. 30.728, BNB 1996/74). Hetgeen de Inspecteur in dezen heeft aangevoerd vormt naar het oordeel van het Hof onvoldoende grond om van deze regel af te wijken. Het Hof stelt deze kosten vast op 2 punten voor proceshandelingen maal € 322 maal wegingsfactor 1,5 ofwel € 966.

6. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vermindert de naheffingsaanslag tot € 2.978;

- vermindert de berekende heffingsrente dienovereenkomstig;

- gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 232, en

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 966, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op 8 februari 2005 door mr. C.M. Ettema, als voorzitter, en mr. J.B.H. Röben en prof. mr. dr. J.A. Monsma, raadsheren.

De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

(J.L.M. Egberts) (C.M. Ettema)

Afschriften van de beslissing zijn aangetekend per post verzonden op 8 februari 2005

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.