Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AS7882

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
08-02-2005
Datum publicatie
25-02-2005
Zaaknummer
2003/752
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vraag die voorligt is of [appellant] onrechtmatig jegens de gemeente heeft gehandeld door, zoals de gemeente heeft gesteld, onevenredig veel (mondeling, telefonisch, per fax en bij brief) contact met de gemeente op te nemen, zonder dat daarvoor een goede reden bestond, en door de wijze (lengte, toonzetting en tijdstippen) waarop hij dat heeft gedaan.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, is enkel komen vast te staan dat [appellant] onrechtmatig jegens de gemeente heeft gehandeld door de gemeente (anders dan ter gebruikmaking van zijn rechtsbescherming) schriftelijk en telefonisch te benaderen op de wijze als hij heeft gedaan.

Het hof vermag, in het verlengde van hetgeen zojuist is overwogen, niet in te zien waarom de rechtbank [appellant] heeft verboden om gemeentefunctionarissen in de uitoefening van hun functie op de locatie van hun werkzaamheden schriftelijk te benaderen en dat hem alleen is toegestaan zich per brief schriftelijk te wenden tot de gemeente op haar officiële postadres. Een zodanig verbod acht het hof niet noodzakelijk ter bescherming van de rechten van de gemeente. Niet valt in te zien waarom [appellant] een brief niet zou mogen richten tot een individuele gemeentefunctionaris. Het hof acht een aan [appellant] op te leggen verbod om gedurende enige tijd geen telefonisch contact te hebben met de gemeente wel toewijsbaar, nu [appellant] niet is beperkt in zijn rechtsbeschermingsmogelijkheden tegen de overheid en ook niet is beperkt in zijn mogelijkheden om zich schriftelijk tot de gemeente te wenden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2005, 227
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 februari 2005

derde civiele kamer

rolnummer 2003/752

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonend te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. A.F.M . van Vlijmen,

tegen:

de publiekrechtelijke rechstpersoon

de gemeente Renkum,

zetelend te Oosterbeek, gemeente Renkum,

geïntimeerde,

procureur: mr. J.M. Bosnak.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van het vonnis van 28 mei 2003, dat de rechtbank Arnhem tussen appellant (hierna: [appellant]) als gedaagde en geïntimeerde (hierna: de gemeente) als eiseres heeft gewezen; van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 18 juli 2003 de gemeente aangezegd van voornoemd vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van de gemeente voor dit hof. [appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de gemeente alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren, althans de gemeente haar vordering zal ontzeggen, met veroordeling van de gemeente in de kosten van beide instanties en [appellant] een vergoeding zal toekennen voor buitengerechtelijke kosten volgens de normen van het rapport Voorwerk, almede een vergoeding van de wettelijke rente vanaf 26 juni 2003 tot aan de dag van de algehele voldoening over het bedrag van € 1.049,65 wegens het ten onrechte betalen van de kostenveroordeling vanwege het uitvoerbaar bij voorraad uitgesproken bestreden vonnis.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] verwezen naar de inhoud van de appèl-dagvaarding en heeft hij geconcludeerd overeenkomstig dit exploit.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft de gemeente de grieven bestreden, bewijs aangeboden, een aantal producties in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het hoger beroep van [appellant] zal afwijzen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.

2.4 Daarna heeft [appellant] akte verzocht tot in het geding brengen van stukken en van het aanbieden van bewijs.

2.5 Ter zitting van 1 december 2004 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellant] door zijn procureur en de gemeente door mr. D. Bercx, advocaat te Arnhem, beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

2.6 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De grieven

Voor de inhoud van de twee grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4 De vaststaande feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.4 feiten vastgesteld. [appellant] heeft een impliciete grief aangevoerd (appeldagvaarding, p. 2, laatste alinea, en 3) tegen het door de rechtbank onder 1.4 vastgestelde feit, dat [appellant] de gemeente ‘veelvuldig’ heeft benaderd. Het hof zal van dit feit bij de beoordeling van het hoger beroep niet uitgaan. Tegen de overige door de rechtbank vastgestelde feiten heeft [appellant] als zodanig geen grieven aangevoerd of bezwaren geuit, zodat het hof in hoger beroep van de in zoverre niet bestreden feiten zal uitgaan.

5 De beoordeling van het hoger beroep

5.1 Het gaat in dit geding – kort gezegd – om het volgende. [appellant] woont sinds 1997 in de gemeente Renkum. Begin en medio 1998 heeft zich tussen [appellant] en de gemeente een geschil voorgedaan betreffende de intrekking en weigering van kapvergunningen. Sindsdien benadert [appellant] de gemeente schriftelijk en telefonisch met verzoeken om inlichtingen, vragen en klachten en maakt hij bezwaar tegen besluiten van de gemeente, in het bijzonder tegen kapvergunningen en bouwvergunningen, en stelt hij daarvan met grote regelmaat beroep in (waarbij hij tevens om voorlopige voorzieningen verzoekt).

5.2 In het onderhavige geding heeft de gemeente gevorderd primair een verbod aan [appellant] om zich gedurende twee jaar na betekening van het vonnis vaker dan één keer per week schriftelijk of telefonisch tot de gemeente te wenden, subsidiair een verbod aan [appellant] om nieuwe zaken, bestuursrechtelijk of civielrechtelijk, aan te vangen in verband met zijn aanvragen om kapvergunningen van 19 maart 1998 en 6 juli 1998 en de naar aanleiding daarvan genomen besluiten en meer subsidiair aan [appellant] een verbod of bevel op te leggen zoals de rechter in goede justitie voorkomt teneinde te komen tot een werkbare relatie tussen de gemeente en [appellant], en daarnaast [appellant] een bevel te geven om zich in de stukken waarmee hij zich schriftelijk tot de gemeente wendt te beperken tot één onderwerp dat duidelijk in de aanhef wordt vermeld, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

5.3 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis, op grond van de meer subsidiaire vordering van de gemeente, [appellant] verboden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per keer tot een maximum van € 100.000,-, om na betekening van het bestreden vonnis ambtenaren of bestuurders van de gemeente per post op hun privé-adressen te benaderen met vragen, verzoeken of klachten alsmede de gemeente en haar bestuurders en ambtenaren op welke wijze dan ook - dus ook niet op privé adressen – hierover persoonlijk, telefonisch of per fax te benaderen, met dien verstande dat het hem uitsluitend is toegestaan de gemeente op haar officiële postadres per brief schriftelijk te benaderen en heeft [appellant] veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg.

5.4 Met grief I heeft [appellant] (onder meer) aangevoerd dat het college van B&W van de gemeente alleen voor zichzelf op 11 september 2002 een besluit heeft genomen tot het instellen van de onderhavige procedure tegen [appellant], omdat aan dit besluit niet (mede) een besluit van de gemeenteraad ten grondslag ligt. [appellant] heeft betwist dat de uitspraak jegens de leden van de gemeenteraad en ambtenaren werkt, omdat zij geen besluit hebben genomen, dan wel hebben ingestemd, met het voeren van de onderhavige procedure. [appellant] wijst er verder op dat het college van B&W dat het besluit van 11 september 2002 nam, thans niet meer in functie is (burgemeester J.W. Verlinden is opgevolgd door P.M. Bruinooge). Met grief II keert [appellant] zich voorts (onder meer) tegen het oordeel van de rechtbank (onder 11 van het bestreden vonnis), dat [appellant] de gemeente uitsluitend op haar officiële postadres per brief schriftelijk mag benaderen met vragen, verzoeken en klachten en dat het [appellant] wordt verboden de gemeente alsmede haar bestuurders en ambtenaren op welke wijze dan ook – dus ook niet op privéadressen – persoonlijk, telefonisch of per fax te benaderen. Het hof oordeelt over vorenstaande onderdelen van grief I en II als volgt.

5.5 Op grond van artikel 160 lid 1 onder f Gemeentewet is het college van B&W bevoegd te besluiten (onder meer) rechtsgedingen namens de gemeente of het gemeentebestuur (dat wil zeggen: ieder bevoegd orgaan van de gemeente, artikel 5 onder a Gemeentewet) te voe-ren, tenzij de raad, voor zover het de raad aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist.

5.6 In artikel 169 lid 2 Gemeentewet is bepaald dat de leden van het college van B&W de raad alle inlichtingen die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. In artikel 169 lid 4 Gemeentewet staat dat het college van B&W aan de gemeenteraad vooraf inlichtingen geeft over de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in (onder meer) artikel 160 lid 1 onder f en g Gemeentewet, indien de raad daarom verzoekt of indien de uitoefening ingrij-pende gevolgen kan hebben voor de gemeente. In het laatste geval neemt het college van B&W geen besluit dan nadat de raad zijn wensen en bedenkingen terzake ter kennis van het college heeft kunnen brengen.

5.7 Bij besluit van 10 september 2002, ondertekend door voornoemde burgemeester Verlinden, heeft het college van B&W van de gemeente het volgende procesbesluit genomen (productie 11 bij inleidende dagvaarding):

“Overwegende dat de gemeente, teneinde te komen tot een werkbare verhouding met (…) [appellant] (…) genoodzaakt is een civiele procedure te voeren tegen (…) [appellant];

(…)

Besluiten:

1. (…) [appellant] te dagvaarden in een procedure voor de rechtbank Arnhem (…).”

5.8 Bij besluit van B&W van 5 september 2003, ondertekend door burgemeester Bruinooge, heeft het college besloten (productie 1 bij memorie van antwoord):

“verweer te voeren in hoger beroep en voorts het nemen van alle procesrechtelijke stappen die nodig geoordeeld worden voor het veilig stellen van de rechten en de behartiging van de belangen van de gemeente Renkum, zoals het instellen van incidenteel appèl indien dat nodig wordt geacht;”

5.9 Op grond van artikel 160 lid 1 onder f Gemeentewet is het college van B&W zelfstandig bevoegd tot het nemen van een procesbesluit om een civiele procedure als de onderhavige te beginnen, respectievelijk verweer te voeren in hoger beroep. Een besluit daartoe van de gemeenteraad of een bekrachtiging van het door het college van B&W genomen proces-besluit is daartoe niet vereist (MvT, kamerstukken II, 2000-2001, 27751, nr. 3, p. 61 en 112). Evenmin is relevant dat het college, na het nemen van het besluit, van samenstelling is veranderd. De gemeenteraad kan van een voorgenomen besluit van het college van B&W tot het instellen van een civiele procedure of het voeren van verweer daarin op de hoogte raken indien het college de raad daarover, zoals artikel 169 lid 2 Gemeentewet voorschrijft, vooraf inlicht. Indien het college van B&W zich van zijn inlichtingenplicht betreffende het instellen van de onderhavige procedure of het voeren van verweer in hoger beroep jegens de gemeenteraad niet tijdig of volledig heeft gekweten, dan heeft dit geen gevolgen voor de ont-vankelijkheid van de gemeente in rechte; een geschil over de toepassing van de informatieverplichting moet volgens de wetgever op politiek niveau worden uitgevochten (vgl. MvT, kamerstukken II, 2000-2001, 27751, nr. 3, p. 31 en MvA I, kamerstukken II, 2002-2003, 28243, nr. 34a, p. 3, met verwijzing naar eerdere rechtspraak van bestuursrechters). Het bewijsaanbod van [appellant] dat de gemeenteraad omtrent het voeren van de procedure in eerste aanleg niet (tijdig) is geïnformeerd (pleitnota in hoger beroep, p. 12, derde alinea), is derhalve niet relevant en wordt om die reden gepasseerd.

5.10 Uit het procesbesluit tot het instellen van de onderhavige procedure, alsmede het procesbesluit tot (voor zover thans nog van belang) het voeren van verweer in hoger beroep, moet redelijkerwijs worden afgeleid dat de procedure is ingesteld en dat het verweer in hoger beroep wordt gevoerd namens de gemeente. Tot de publiekrechtelijke rechtspersoon de gemeente behoren de (leden van de) raad, (de leden van) het college en de burgemeester (artikel 6 Gemeentewet) en de daarbij werkzame ambtenaren.

5.11 In beginsel is het niet aan de gemeente om zich de belangen van de privésfeer van de bij of in opdracht van haar werkzame personen (hierna: gemeentefunctionarissen (in ruime zin)) aan te trekken. Bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan in het onderhavige geval hiervan moet worden afgeweken, heeft de gemeente niet gesteld en zijn evenmin gebleken. Zonder nadere feiten of omstandigheden, die de gemeente niet heeft gesteld, valt ook niet in te zien dat [appellant] onrechtmatig jegens de gemeente heeft gehandeld doordat hij, zoals de gemeente heeft gesteld maar [appellant] heeft betwist, gemeentefunctionarissen (in ruime zin) in privé heeft benaderd omtrent zakelijke kwesties die de gemeente aangaan. Indien [appellant] de persoonlijke levenssfeer schendt van gemeentelijke functionarissen (in ruime zin), dan is het in beginsel aan die individuen om daartegen bezwaar te maken en daartegen in rechte op te treden. Waar de rechtbank [appellant] heeft verboden – kort gezegd – gemeentefunctionarissen persoonlijk, telefonisch of schriftelijk op hun privé-adressen te benaderen met vragen, verzoeken of klachten betreffende de gemeentelijke taakuitoefening, moet dit vonnis worden vernietigd. In zoverre slagen de daarop ziende onderdelen van de grieven I en II.

5.12 Met (andere onderdelen van) de grieven I en II komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank, dat hij onrechtmatig jegens de gemeente heeft gehandeld door de gemeente onnodig zowel schriftelijk, mondeling, telefonisch als per fax veelvuldig en langdurig te benaderen met allerlei vragen, verzoeken en klachten, dat hij daardoor de gemeente onevenredig zwaar belast zonder dat daarvoor een goede reden bestaat, alsmede dat hij dit op een wijze en op tijdstippen doet die daarvoor niet zijn geëigend.

5.13 De vraag die voorligt is of [appellant] onrechtmatig jegens de gemeente heeft gehandeld door, zoals de gemeente heeft gesteld, onevenredig veel (mondeling, telefonisch, per fax en bij brief) contact met de gemeente op te nemen, zonder dat daarvoor een goede reden bestond, en door de wijze (lengte, toonzetting en tijdstippen) waarop hij dat heeft gedaan.

5.14 Het hof stelt voorop, dat bij de vraag of [appellant] onzorgvuldig heeft gehandeld jegens de gemeente door de aard en omvang van zijn (schriftelijke, mondelinge en telefonische) contacten met de gemeente in beginsel twee belangen tegenover elkaar staan. Aan de ene kant staat het individuele belang van de burger om zich jegens de gemeente te kunnen uiten. De Nationale Ombudsman (NO) heeft ten behoeve van de beslissing op de hem voorgelegde klachten criteria ontwikkeld hoe een zorgvuldige overheid met aan haar gerichte uitingen (in het bijzonder geschriften) van burgers dient om te gaan. Het hof verwijst in het bijzonder naar de onderzoeken NO 18 december 1989, AB 1990, 148, NO 20 december 2002, AB 2003, 55, NO 19 mei 2003, 2003/134 en NO 28 november 2003, AB 2004, 179 alsmede het onderzoek ‘Communicatie overheid-burger moet beter’, 2003/325. Aan de andere kant staat het belang van de gemeente dat haar bestuurlijke en ambtelijke apparaat en de door haar bij haar taakuitoefening ingeschakelde derden hun werkzaamheden in het belang van andere burgers naar behoren kunnen blijven verrichten. Zoals de Nationale Ombudsman in zijn rapport van 19 mei 2003, 2003/134 heeft verwoord:

“In specifieke omstandigheden acht de Nationale ombudsman het ook acceptabel dat, indien een burger een bestuursorgaan dusdanig frequent benadert, hetzij schriftelijk, hetzij telefonisch, via de e-mail of persoonlijk, waardoor een onevenredig beslag gelegd wordt op het bestuursorgaan of de onder verantwoordelijkheid van dit bestuursorgaan werkzame organisatie, dat door het bestuursorgaan maatregelen worden getroffen ter beperking van dit beslag. Uiteraard dient het recht van de betrokken burger om zich tot het bestuursorgaan te wenden, daarbij niet onevenredig te worden beperkt.”

Welke van vorenstaande belangen in een gegeven geval de doorslag behoort te geven, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden daarvan. Het gaat hierbij onder meer om de ernst van de klachten waarmee de burger de overheid benadert, de mate waarin zijn klachten steun (lijken te) vinden in de feiten, de toonzetting van de communicatie van de burger met de overheid, de gevolgen van de wijze van communicatie en de mogelijkheid voor de burger om het met zijn uitingen gewenste doel langs andere weg(en) met een redelijke kans op spoedig succes te bewerkstelligen. Het debat van partijen geeft in dit verband aanleiding in te gaan op het volgende.

5.15 De gemeente heeft gemotiveerd gesteld dat [appellant] zich veelvuldig schriftelijk tot haar heeft gewend. Zij heeft daartoe een aantal producties in het geding gebracht, waaronder een door de gemeente gemaakt overzicht van de schriftelijke documenten waarmee [appellant] zich in de periode van 1 januari 2000 tot en met 24 september 2002 tot de gemeente heeft gewend (productie 10 bij inleidende dagvaardig). De gemeente heeft tevens gemotiveerd gesteld (inleidende dagvaarding onder 17 met productie 1), dat [appellant] vrijwel altijd meerdere zaken in één geschrift aan de orde stelt. [appellant] heeft een en ander niet gemotiveerd betwist, zodat vast staat dat [appellant] de gemeente veelvuldig schriftelijk heeft benaderd.

5.16 De gemeente heeft voorts gemotiveerd gesteld (inleidende dagvaarding onder 26 met productie 6), dat [appellant] in de periode van 17 september tot en met 18 december 2001 53 keer telefonisch contact (gedurende in totaal. 11.38 uur) met [...] heeft gehad, een door de gemeente ingeschakelde externe contactpersoon voor [appellant]. [appellant] heeft een en ander niet gemotiveerd betwist, zodat ervan moet worden uitgegaan dat [appellant] veelvuldig telefonisch contact heeft opgenomen met [...]. Dat [...] geen ambtenaar in dienst van de gemeente is, is niet relevant. [...] heeft in opdracht van de gemeente een deel van de gemeentelijke taak uitgeoefend (het onderhouden van de contacten met [appellant]), welke werkzaamheden anders door gemeentelijke ambtenaren zouden moeten worden verricht.

5.17 De gemeente heeft verder gemotiveerd gesteld (inleidende dagvaarding onder 20), dat [appellant] veel bestuursrechtelijke procedures tegen de gemeente heeft of had ingesteld (inleidende dagvaarding onder 19 met een overzicht van de bestuursrechtelijke procedures in productie 2) en dat [appellant] in al deze procedures met grote regelmaat contact heeft opgenomen met de gemeente en dat het niet uitzonderlijk is dat [appellant] op een ochtend het gehele gemeentehuis doorbelt, waarbij hij alle behandelende ambtenaren op hun rechtstreekse nummer achter elkaar opbelt. [appellant] heeft deze concrete stellingen niet specifiek en gemotiveerd betwist, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan.

5.18 [appellant] heeft aangevoerd dat hij een gegronde reden had voor het benaderen van de gemeente, omdat het ‘Groenstructuurplan’ geen rechtskracht heeft, hetgeen van belang was voor de woonbestemming ter plaatse van de woning van [appellant], de kapvergunningen en de onroerende zaaksbelasting (pleitnota in hoger beroep onder 3 en 4). Zonder nadere toelichting, die [appellant] niet heeft gegeven, valt niet in te zien dat de genoemde drie kwesties een zodanige hoeveelheid brieven, telefoontjes en procedures tegen de gemeente rechtvaardigen als [appellant] heeft gepleegd.

5.19 Hetgeen zojuist is overwogen, klemt temeer waar twijfel kan rijzen omtrent de serieusheid van de door [appellant] geponeerde bezwaren tegen de handelwijze van de gemeente, omdat hij regelmatig verzoeken om een voorlopige voorziening (en soms een beroep) intrekt. Zo blijkt uit productie 2 bij inleidende dagvaarding, dat niet gemotiveerd door [appellant] is betwist, het volgende: de gevraagde voorlopige voorziening van 28 augustus 2001 wordt door [appellant] op 11 september 2001 ingetrokken [p. 4], de beroepen 01/2121 en 2122 zijn door [appellant] ingetrokken [p. 6], het verzoek om een voorlopige voorziening van 12 december 2001 wordt op 24 maart 2002 ingetrokken [p. 6], het verzoek om voorlopige voorzieningen van 18 december 2001 wordt op 24 april 2002 ingetrokken [p. 6], het verzoek om voorlopige voorzieningen van 18 december 2001 wordt in juli 2002 ingetrokken [p. 7] en het verzoek om een voorlopige voorziening van 8 mei 2002 wordt op 17 mei 2002 ingetrokken [p. 8]. Uit de door de gemeente als productie 10 bij inleidende dagvaarding overgelegde lijst van door [appellant] aan de gemeente gezonden schriftelijke stukken, blijkt eveneens dat [appellant] bezwaar- en klachtprocedures intrekt, zonder dat gesteld of gebleken is dat daar van gemeentezijde een tegenprestatie tegenover staat, zoals op 4 april 2000 (intrekken procedure 99/102), 31 januari 2001 (intrekken bezwaar geweigerde kapvergunning), 19 februari 2001 (intrekking beroep), 17 december 2001 (2001 (intrekken bezwaar)en 23 december 2001 (intrekken klacht).

5.20 [appellant] heeft geen inzicht gegeven, zoals van hem mocht worden verwacht, waarom hij zich zowel veelvuldig schriftelijk als veelvuldig telefonisch tot de gemeente heeft gewend in het beperkte aantal aangelegenheden dat [appellant] stelt met de gemeente te hebben (zie onder 5.18).

5.21 De gemeente heeft gemotiveerd gesteld (inleidende dagvaarding onder 29 en 30 en memorie van antwoord onder 18), dat [appellant] met zijn handelwijze onevenredig beslag legt op het bestuurlijk en ambtelijk apparaat van de gemeente en dat de afhandeling van andere zaken daaronder lijdt. Zij heeft gesteld dat zij 250 ambtenaren heeft, waarvan er ruim 30 deels bezig zijn met zaken van [appellant]. [appellant] heeft de omvang van het gemeentelijk apparaat en het aantal personen dat zich (deels) met de contacten met hem bezig houdt, niet gemotiveerd betwist.

5.22 In het licht van het vorenstaande is in ieder geval komen vast te staan dat [appellant] de gemeente vaak schriftelijk en telefonisch benadert, dat de noodzaak van zowel de ene als de andere communicatie met de gemeente niet duidelijk is, terwijl de onderwerpen van zijn klachten volgens zijn eigen stellingen beperkt (de onder 5.18 genoemde drie kwesties) en objectief bezien van relatieve geringe ernst zijn, terwijl getwijfeld kan worden aan de serieusheid van de geschillen die van [appellant] met de gemeente stelt te hebben, gelet op het regelmatig intrekken door [appellant] van procedures (in ruime zin) jegens de gemeente. Het is aannemelijk dat hierdoor het bestuurlijk en ambtelijk apparaat van de gemeente onevenredig wordt aangetast, hetgeen, gelet op de beperkte middelen en mensen die een gemeente nu eenmaal ten dienste staan, niet anders dan ten koste kan gaan van andere taken die de gemeente uitoefent. Het vorenoverwogene brengt met zich dat [appellant] onrechtmatig jegens de gemeente heeft gehandeld door veelvuldig telefonisch contact met de gemeente op te nemen, zoals hij heeft gedaan.

5.23 Het hof merkt nog op, dat niet is komen vast te staan dat ook de toonzetting waarop [appellant] de gemeente heeft benaderd onrechtmatig is. De gemeente heeft gesteld dat [appellant] overbodige en lastige vragen op een drammerige en vervelende manier stelt (inleidende dagvaarding onder 19 en 20 en memorie van antwoord onder 17). Zulks is naar het oordeel van het hof, zonder nadere feiten en omstandigheden die de gemeente niet heeft gesteld, niet onrechtmatig. Hierbij heeft bovendien te gelden dat de gemeente, als overheidslichaam, zich niet spoedig door de enkele toonzetting van de communicatie door een burger met haar gegriefd mag voelen.

5.24 [appellant] heeft betwist dat hij gemeentefunctionarissen – voor zover thans van belang – in de werksfeer mondeling (anders dan telefonisch) heeft bestookt met vragen, verzoeken en klachten. De gemeente heeft haar eventuele stelling, dat [appellant] zich daaraan wel schuldig maakt, op geen enkele manier onderbouwd, zodat aan die stelling moet worden voorbijgegaan. De stelling van de gemeente, dat [appellant] een ambtenaar met geweld heeft bejegend (memorie van antwoord onder 21 met productie 5 en pleitnota in hoger beroep onder 2.4), hetgeen door [appellant] is betwist, kan daarvoor, zonder nadere toelichting die de gemeente niet heeft verstrekt, niet als grondslag dienen, terwijl uit de gedingstukken niet blijkt dat de onderhavige stelling een (zelfstandige) grond voor de vorderingen van de gemeente vormt. Dat [appellant] genoemde [...] thuis heeft benaderd vindt zijn grondslag in de omstandigheid dat deze door de gemeente ingeschakelde externe contactpersoon voor [appellant] alleen op zijn huisadres benaderbaar was. Bij die stand van zaken is voor een bewijslevering, als door de gemeente in algemene zin aangeboden, geen plaats.

5.25 Thans staat ter beoordeling of een verbod als gevorderd, noodzakelijk en geoorloofd is ter bescherming van de rechten van de gemeente en, zo ja, welk verbod evenredig is aan het te beschermen belang van de gemeente.

5.26 Uit hetgeen hiervoor is overwogen, is enkel komen vast te staan dat [appellant] onrechtmatig jegens de gemeente heeft gehandeld door de gemeente (anders dan ter gebruikmaking van zijn rechtsbescherming) schriftelijk en telefonisch te benaderen op de wijze als hij heeft gedaan.

5.27 Wat betreft de door [appellant] aan de gemeente gerichte schriftelijke communicatie, heeft de rechtbank geoordeeld (in het bestreden vonnis onder 12), kort gezegd, dat de gemeente voldoende mogelijkheden heeft om de door [appellant] aan haar gerichte correspondentie in redelijke banen te leiden, zodat een rechterlijk bevel (versterkt met een dwangsom) daartoe niet nodig is. Het hof verenigt zich met die beslissing en de motivering daarvan.

5.28 Het hof vermag, in het verlengde van hetgeen zojuist is overwogen, niet in te zien waarom de rechtbank [appellant] heeft verboden om gemeentefunctionarissen in de uitoefening van hun functie op de locatie van hun werkzaamheden schriftelijk te benaderen en dat hem alleen is toegestaan zich per brief schriftelijk te wenden tot de gemeente op haar officiële postadres. Een zodanig verbod acht het hof niet noodzakelijk ter bescherming van de rechten van de gemeente. Niet valt in te zien waarom [appellant] een brief niet zou mogen richten tot een individuele gemeentefunctionaris. In zoverre slagen de desbetreffende onderdelen van de grieven I en II.

5.29 Het hof acht een aan [appellant] op te leggen verbod om gedurende enige tijd geen telefonisch contact te hebben met de gemeente wel toewijsbaar, nu [appellant] niet is beperkt in zijn rechtsbeschermingsmogelijkheden tegen de overheid en ook niet is beperkt in zijn mogelijkheden om zich schriftelijk tot de gemeente te wenden.

5.30 Naar het oordeel van het hof is een door de gemeente gevorderd verbod in het belang van de bescherming van de rechten van de gemeente bij haar publieke taakuitoefening, omdat, bij gebreke daarvan, [appellant] door onevenredig veel te telefoneren met de gemeente, een onevenredig groot beslag legt op de bestuurlijke en ambtelijke dienst van de gemeente, hetgeen ten koste gaat van de uitoefening van andere taken door de gemeente, terwijl [appellant] voldoende mogelijkheden ten dienste staan om zich schriftelijk tot de gemeente te wenden, terwijl de noodzaak om zich zowel veelvuldig schriftelijk als veelvuldig telefonisch tot de gemeente te wenden door [appellant] niet duidelijk is gemaakt.

5.31 Het hof acht een aan [appellant] op te leggen verbod noodzakelijk. Het overweegt daartoe het volgende.

5.32 De gemeente heeft gemotiveerd gesteld (inleidende dagvaarding onder 21 t/m 28 met producties), dat zij diverse keren heeft gepoogd tot een werkbare communicatie met [appellant] te komen door een contactpersoon voor hem in te stellen (achtereenvolgens vanaf 11 maart 1999: [...], [...], [...] en – enige tijd daarna – [...]), hetgeen echter niet heeft geleid tot minder brieven en telefoontjes. [appellant] heeft dit niet gemotiveerd betwist, zodat van de juistheid van het door de gemeente gestelde moet worden uitgegaan. [appellant] heeft, behalve ten aanzien van [...], niet gemotiveerd gesteld dat het mislukken van de pogingen van de gemeente om tot een betere communicatie met hem te komen, alleen is te wijten aan genoemde personen. Een verbod is derhalve op zijn plaats.

5.33 [appellant] heeft verder aangevoerd (memorie van grieven, p. 5, vijfde alinea), dat hij thans geen contacten meer met de gemeente heeft en dat deze ook niet meer noodzakelijk zijn. De gemeente heeft dit gemotiveerd betwist. Zij heeft gemotiveerd gesteld (memorie van antwoord onder 20 en 21 met productie 3), dat [appellant] sinds de betekening van het bestreden vonnis zes keer telefonisch contact met de gemeente heeft opgenomen, vier nieuwe bezwaarschriftprocedures, elf nieuwe beroepschriftprocedures, vier voorlopige voorzieningen en drie hoger beroepsprocedures bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft gestart, dat hij (lange) brieven persoonlijk bij het gemeentehuis bezorgt en daarbij steeds opnieuw probeert de discussie met baliemedewerkers aan te gaan en twee keer een mondeling verzoek bij de gemeente heeft ingediend. [appellant] heeft een en ander niet gemotiveerde betwist, zodat van de juistheid van het door de gemeente gestelde moet worden uitgegaan. Voormeld gedrag van [appellant] geeft aanleiding te veronderstellen dat, bij gebreke van een op te leggen verbod, [appellant] zijn onrechtmatige gedragingen zal voortzetten.

5.34 Ten aanzien van de aan het verbod te stellen termijn, acht het hof de door de gemeente gevorderde termijn van twee jaar na betekening van het vonnis in eerste aanleg een voldoende maatregel om aan de belangen van de gemeente tegemoet te komen. De rechtbank heeft, anders dan gevorderd, geen termijn verbonden aan het verbod. De daartegen gerichte onderdelen van de grieven I en II slagen. De door de rechtbank opgelegde hoogte van de dwangsom (€ 250,- per keer met een maximum van €100.000,-) acht het hof voor [appellant], bij gebreke van aanwijzingen die anders met zich brengen, een voldoende en evenredige prikkel tot nakoming van het op te leggen verbod.

5.35 Het vorenstaande brengt met zich dat het bestreden vonnis enkel wordt bekrachtigd voor zover [appellant] daarbij is verboden op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per keer tot een maximum van € 100.000,- om na betekening van dat vonnis de gemeente telefonisch te benaderen. Het hof zal aan dit verbod een termijn verbinden van twee jaar na betekening van het vonnis in eerste aanleg. Voor het overige zal het bestreden vonnis worden vernietigd.

Slotsom

6.1 Slotsom is dat het bestreden vonnis ten dele moet worden bekrachtigd als omschreven onder 5.35 en dat het bestreden vonnis voor het overige moet worden vernietigd, een en ander als nader zal worden verwoord in het dictum. Het door de gemeente meer of anders gevorderde moet worden afgewezen.

6.2 Het aan [appellant] opgelegde verbod is dermate beperkt van aard, dat het hof van mening is dat beide partijen in deze procedure deels gelijk en deels ongelijk hebben gekregen, hetgeen een compensatie van kosten in eerste aanleg en in hoger beroep rechtvaardigt.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank Arnhem van 28 mei 2003 voor zover [appellant] daarbij, uitvoerbaar bij voorraad, is verboden op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per keer tot een maximum van € 100.000,- om na betekening van dat vonnis de gemeente telefonisch te benaderen;

verbindt aan voormeld verbod een termijn van twee jaar na betekening van het bestreden vonnis;

vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank te Arnhem van 28 mei 2003 voor het overige;

en opnieuw rechtdoende:

compenseert de kosten van beide instanties aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

en wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs Makkink, Van Loo en Tjittes en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 februari 2005.

Dit arrest is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer.