Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AS7520

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
23-02-2005
Datum publicatie
24-02-2005
Zaaknummer
21-003124-03
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2003:AH9347
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het bewezene levert op het misdrijf medeplegen van moord. Verdachte heeft tezamen met haar mededaders [slachtoffer] vermoord, de partner van [getuige 6], de (vroegere) vriend van verdachte. Veroordeling tot 12 jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-003124-03

Uitspraak dd.: 23 februari 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 2 juli 2003 in de strafzaak tegen

[Verdachte]

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 7 oktober 2004, 8 oktober 2004, 17 december 2004, 13 januari 2005 en 9 februari 2005 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met het vonnis, waarvan beroep, zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks de periode van 24 mei 2002 in Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededaders(s) opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, die [slachtoffer] heeft/hebben gewurgd, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Verweren

De raadsman heeft (zakelijk weergegeven) het volgende aangevoerd.

Het is niet de bedoeling van verdachte geweest om [slachtoffer] om het leven te brengen. Zij is daar niet bij betrokken geweest en heeft ook niet geweten van enig plan daartoe. Verdachte heeft expliciet verklaard dat zij er altijd vanuit is gegaan dat het om een tasjesroof zou gaan.

Ook [medeverdachte 2] heeft van verdachte gehoord dat het de bedoeling was een tasjesroof te plegen. Hij heeft verdachte nooit horen zeggen dat zij en [medeverdachte 1] voornemens waren om een moord te plegen of dat zij iets wist over een te plegen moord. De verklaring van [medeverdachte 2] kan niet voor het bewijs worden gebezigd voor zover deze inhoudt dat verdachte bij de dood van [slachtoffer] betrokken is geweest.

[Medeverdachte 2] heeft niet uit eigen wetenschap kunnen verklaren dat verdachte in de woning van het slachtoffer is geweest op het moment dat [medeverdachte 1] haar heeft gedood. [Medeverdachte 2] heeft namelijk op 17 december 2004 ter terechtzitting van het hof verklaard dat [medeverdachte 1] alleen met het slachtoffer in de woning was op het moment dat [medeverdachte 2] de woning van het slachtoffer is binnengegaan. Verdachte is op dat tijdstip niet in voornoemde woning geweest.

Er is geen sprake geweest van medeplegen nu [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en verdachte niet hebben gewild dat [slachtoffer] dood zou gaan. Zij hebben ook niet van elkaar begrepen dat één van hen van plan was [slachtoffer] te doden en cliënte heeft dan ook niet op de koop toegenomen dat één van de anderen (of beide anderen) daartoe in staat was (of waren). Uit het voorgaande volgt dat er geen sprake is geweest van nauwe en volledige samenwerking gericht op de dood van [slachtoffer], hetgeen tot vrijspraak van de aan cliënte tenlastegelegde gekwalificeerde levensberoving dient te leiden.

Bij medeplegen dient er sprake te zijn van dubbel opzet. Dit betekent dat de medeplegers zowel opzet op de samenwerking als op het uiteindelijke delict moeten hebben gehad. Niet is gebleken dat er op enig moment stilzwijgende overeenstemming is bereikt tussen [medeverdachte 1] en verdachte met betrekking tot de dood van [slachtoffer], zodat er geen sprake is geweest van een opzettelijke, bewuste samenwerking. Door zichzelf met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar de woning van [slachtoffer] te begeven, heeft verdachte geenszins bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] door [medeverdachte 1] zou worden vermoord. Verdachte is niet op de hoogte geweest van de aanwezigheid van de remkabel. Uit niets blijkt dat cliënte enig idee had dat [slachtoffer] zou worden gedood. Tevens blijkt niet dat verdachte enig idee zou hebben gehad dat [medeverdachte 1] tot een dergelijke gewelddadigheid zou overgaan of dat zij daar rekening mee had moeten houden. Derhalve heeft verdachte geen opzet gericht op de dood van [slachtoffer] gehad, ook niet in voorwaardelijke vorm.

Het hof kwalificeert voornoemde verweren als bewijsverweren en oordeelt dat deze hun weerlegging vinden in de hierna opgesomde bewijsmiddelen en de daarbij behorende overwegingen.

De raadsman heeft (zakelijk weergegeven) tevens het volgende aangevoerd.

[Getuige 1] heeft nimmer met verdachte over de moord op [slachtoffer] gesproken. Hij heeft daar alleen met [medeverdachte 1] over gepraat. Verdachte is daar nimmer bij aanwezig geweest. Uit de verklaring die [getuige 1] op 9 december 2002 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd, blijkt niet dat hij zelfstandige wetenschap heeft gehad dat verdachte [medeverdachte 1] heeft verzocht om tot een levensberoving over te gaan.

Het hof oordeelt dat wat er ook van de inhoud van de verklaring van [getuige 1] zij, deze verklaring verder onbesproken kan blijven, nu deze verklaring niet voor het bewijs wordt gebezigd.

De verklaringen die [medeverdachte 1] heeft afgelegd zijn, aldus de raadsman, niet betrouwbaar. [Medeverdachte 1] was destijds 18 jaar oud en heeft geweigerd om mee te werken aan enig psychiatrisch of psychologisch onderzoek. Bovendien heeft hij zich reeds eerder in grootspraak uitgedrukt tegenover [getuige 2] en [getuige 3]. De onbetrouwbaarheid van de verklaringen die [medeverdachte 1] heeft afgelegd, roept ook nadere vragen op over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3], aangezien zij van [medeverdachte 1] hebben gehoord dat verdachte betrokken zou zijn geweest bij de moord op [slachtoffer]. De verklaringen van [getuige 3] en [getuige 2] zijn niet meer dan ‘hear-say’-verklaringen.

Het hof oordeelt dat wat er ook van de inhoud van de verklaring van [getuige 3] zij, deze verklaring verder onbesproken kan blijven, nu deze verklaring niet voor het bewijs wordt gebezigd.

Het hof heeft met extra behoedzaamheid de verklaring die [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris heeft afgelegd beoordeeld omdat [medeverdachte 1] als (mede)verdachte een bijzonder belang had bij het afleggen van een verklaring waarin zijn eigen rol wordt geminimaliseerd in het nadeel van verdachte. Het hof heeft de betrouwbaarheid van die verklaring getoetst aan de inhoud van andere bewijsmiddelen (in het bijzonder aan hetgeen de getuige [medeverdachte 2] op 17 december ter terechtzitting heeft verklaard). Het hof is tot het oordeel gekomen dat die delen van de verklaring van [medeverdachte 1] welke voor het bewijs worden gebezigd, betrouwbaar zijn en overeenkomstig de waarheid weergeven hetgeen door [medeverdachte 1] is waargenomen.

Het hof is voorts van oordeel dat [medeverdachte 1] naar waarheid tegenover [getuige 2] heeft verklaard omtrent het delict en dat [getuige 2] heeft verklaard overeenkomstig hetgeen zij van [medeverdachte 1] heeft vernomen. De inhoud van de verklaringen van [getuige 2] wordt bovendien deels bevestigd door de inhoud van andere door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Het hof zal derhalve de verklaringen die [getuige 2] op 1 augustus 2002 bij de politie en op 17 december 2004 als getuige tegenover het hof heeft afgelegd, tot het bewijs bezigen.

Bewijsmiddelen

Voor zover in de hierna opgenomen schriftelijke bewijsmiddelen wordt verwezen naar het proces-verbaal, wordt hiermee verwezen naar het door T. Verbeek en P.G.J. Heijstee, beiden brigadier van politie Gelderland-Zuid, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, nummer 02-077262, gesloten en ondertekend te Tiel op 6 september 2002, met bijlagen.

1.

Het, als bijlage bij het genoemde proces-verbaal gevoegde, door S.H. van Veldhuijzen, hoofdagent van politie Gelderland-Zuid, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, nummer PL081R/02-077262, gesloten en ondertekend te Nijmegen op 4 juni 2002, voor zover inhoudende als de verklaring van [getuige 4] (bladzijde 421 e.v.) -zakelijk weergegeven-:

Op zondag 2 juni 2002 waren mijn vrouw en ik gaan fietsen. Op een gegeven moment kwamen we bij het plaatsje Heukelum. Ik zag op mijn horloge dat het 14.55 – 15.00 uur was. Ik zag dat er oranje plastic lag. Het was een bouwzeil, ongeveer 1,5 meter lang en ongeveer 40-50 centimeter dik. Het was grof om ‘iets’ heen gerold in banen. Ik zag dat aan de onderzijde, gezien vanuit het stoffelijk overschot naar later bleek, een zak zat. Deze was over het oranje zeil heen geschoven. Ik zag dat er een lijk in de zak lag.

2.

Een geschrift, inhoudende een door H.A. Tromp, arts en patholoog, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut te, opgemaakt sectieverslag, gedateerd 15 juni 2002, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Op 3 juni 2002 heeft ondergetekende Hedwig A. Tromp, arts en patholoog, de uit- en inwendige schouwing verricht op het lijk van een onbekende vrouw, dood aangetroffen te Heukelum op 2 juni 2002, teneinde na te gaan de oorzaak van de dood en hetgeen verder van belang mocht blijken.

Samenvatting.

B.

1. In de hals aan de voorzijde 4 snoersporen, deels overlappend, van maximaal circa 2 millimeter breed, waarvan 1 circulair doorlopend aan de achterzijde, met onderliggende bloeduitstortingen.

2. In het onderhuids weefsel van de hals en in de halsspieren links en rechts bloeduitstorting.

3. Bloeduitstorting in de halsspieren boven op het strottenhoofd.

4. Bloeduitstortingen in de slijmvliezen van de slokdarm en de luchtpijp ter hoogte van het strottenhoofd.

5. Bloeduitstorting in het botvlies van de rechter grote hoorn van het strottenhoofd; strottenhoofd intact en elastisch.

6. Puntvormige bloeduitstortinkjes in de bindvliezen van de ogen links en rechts.

7. Gestuwd gelaat.

8. Bloeduitstortingen in de rotsbeenderen links en rechts.

9. Puntvormige bloeduitstortingen op de voorzijde van het hart.

Epicrise.

Bij sectie werden snoersporen gezien in de hals met in het gebied hieronder bloeduitstortingen (B1 tot en met 5). De bevindingen onder B6 tot en met 8 passen bij verstikking. De bevindingen onder B verklaren het overlijden volledig en zijn veroorzaakt door de inwerking van uitwendig omsnoerend geweld op de hals, zoals bij bijvoorbeeld strangulatie.

Conclusie.

Bij een onbekende vrouw is de dood ingetreden ten gevolge van omsnoerend geweld op de hals.

3.

Het, als bijlage bij het genoemde proces-verbaal gevoegde, door D.J. van Rosmalen, brigadier, en A. Daniels, hoofdagent, beiden van politie Gelderland-Zuid, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, nummer PL083D/02-077262, gesloten en ondertekend te Tiel op 5 juni 2002, voor zover inhoudende als het relaas van verbalisanten (bladzijde 466) -zakelijk

weergegeven-:

Op dinsdag 4 juni 202 te 23.26 uur hebben wij een herkenninsgsconfrontatie gehouden.

Wij toonden in het mortuarium van het Rivierenlandziekenhuis te Tiel het op 2 juni 2002 aan de Appeldijk te Heukelum aangetroffen stoffelijk overschot van een vrouw aan [getuige 5]. Hij verklaarde: “Ik herken haar voor honderd procent. Ik herken haar aan neus, wangen en lippen en aan haar hele gezicht. Dit is [slachtoffer] , wonende te Rotterdam, [adres slachtoffer]”. Getuige deelde voorts mede dat hij naar aanleiding van het tonen van de foto van het stoffelijk overschot op televisie haar meteen herkende en daarop contact had opgenomen met de politie. Getuige deelde mede dat [slachtoffer] een nichtje van hem is. De vrouw van getuige is een zuster van de vader van [slachtoffer].

4.

Het, als bijlage bij het genoemde proces-verbaal gevoegde, door D.J. van Rosmalen, brigadier van regiopolitie Gelderland-Zuid, en C. Snoei, hoofdagent van regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, BPS-nummer 02-077262, gesloten en ondertekend te Rotterdam op 1 augustus 2002, voor zover inhoudende als de verklaring van [getuige 2] (bladzijde 688 e.v.) -zakelijk weergegeven-:

Ik ken [medeverdachte 1] ongeveer 4 maanden. Ik had elke dag contact met [medeverdachte 1] op het pleintje bij mijn woning aan de [straatnaam 1] te Rotterdam. Op een avond in de periode dat er eind april, begin mei van dit jaar kermis was op de Mullerpier in Rotterdam, vertelde [medeverdachte 1] mij dat hij een Hindoestaanse vrouw uit Crooswijk ging vermoorden. Wij waren op dat moment op het pleintje in mijn straat. Er schiet mij te binnen dat [medeverdachte 1] voor de moord mij ook nog had verteld dat hij spullen, zoals handschoenen en mutsen, ging kopen.

Feit van algemene bekendheid

Het hof merkt als feit van algemene bekendheid aan dat de wijk Crooswijk is gelegen in de gemeente Rotterdam.

5.

De verklaring van de getuige [getuige 2] afgelegd ter terechtzitting van dit gerechtshof, meervoudige kamer voor strafzaken, op 17 december 2004, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

[Medeverdachte 1] vertelde me op het pleintje dat [verdachte] een Hindoestaanse vrouw dood wilde hebben en dat hij, [medeverdachte 1], geld zou krijgen als hij haar zou vermoorden. Hij heeft me verteld dat [verdachte] hem zou betalen. Hij heeft wel eens gezegd dat hij spullen zou kopen om iemand om het leven te brengen.

6.

Het, als bijlage bij het genoemde proces-verbaal gevoegde, door W.C. Born, brigadier, en S.I.B. Hardonk, hoofdagent, beiden van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, BPS-nummer 02-077262, gesloten en ondertekend te Rotterdam op 6 juni 2002, voor zover inhoudende als de verklaring van [getuige 6], wonende aan de [adres van slachtoffer] te Rotterdam (bladzijde 468 e.v.) -zakelijk weergegeven-:

Ik heb in 1995 een vrouw leren kennen, genaamd [slachtoffer]. Ik ben eind 1999 met haar gaan samenwonen.

7.

Het, als bijlage bij het genoemde proces-verbaal gevoegde, door G.E.P. Versteeg en C.G. Buijing, beiden hoofdagent van regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, BPS-nummer 02-077262, gesloten en ondertekend te Capelle aan den IJssel op 11 juni 2002, voor zover inhoudende als de verklaring van [getuige 7], wonende aan de [adres van getuige 7] te Rotterdam (bladzijde 577 e.v.) -zakelijk weergegeven-:

Ik ben reeds op de hoogte van het overlijden van een buurvrouw van mij. Het was een jonge vrouw van Hindoestaanse afkomst, die woonachtig was op [adres slachtoffer] te Rotterdam. U zegt mij dat mijn buurvrouw bij leven was genaamd [slachtoffer]. Ik heb haar ongeveer drie jaar geleden, toen zij samen met haar man in de woning aan de [adres van slachtoffer] ging wonen, voor het eerst ontmoet.

Op vrijdag 24 mei 2002 bevond ik mij in mijn woning. Ik hoorde een vrouw hard krijsen.

Op de begane grond liep ik naar de toegangsdeur van [huisnummer van de woning van het slachtoffer]. Ik stopte voor deze deur en belde vervolgens aan. Ik hoorde een vrouwenstem die tegen mij zei: “Ik ben bezig”, of woorden van gelijke strekking. Ik ben via de trap naar boven gelopen en ben mijn woning weer binnen gegaan.

8.

Het, als bijlage bij het genoemde proces-verbaal gevoegde, door D.J. van Rosmalen, brigadier van regiopolitie Gelderland-Zuid, en D. Smits, hoofdagent van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, BPS-nummer 02-077262, gesloten en ondertekend te Rotterdam op 8 augustus 2002, voor zover inhoudende als de verklaring van [medeverdachte 2] (bladzijde 102 e.v.) -zakelijk weergegeven-:

De avond van de moord op [slachtoffer] was op vrijdag 24 mei 2002.

9.

De verklaring van de getuige [medeverdachte 2] afgelegd ter terechtzitting van dit gerechtshof, meervoudige kamer voor strafzaken, op 17 december 2004, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Toen [verdachte], [medeverdachte 1] en ik met de auto voor de deur van de woning van die vrouw stonden, is gezegd dat ze haar gingen vermoorden. Er is hardop over gesproken dat die vrouw dood moest. Ik zat achterin. Iemand die voorin zat, heeft dit gezegd. Ik kon heel goed horen wat er gezegd werd. [Verdachte] en [medeverdachte 1] zaten beiden voorin de auto. Dit was vlak voordat we naar binnen gingen. Ik zou doen alsof ik een pakje zou afleveren en dan zouden zij naar binnen gaan. [Medeverdachte 1], [verdachte] en ik zijn bij de vrouw binnen in de woning geweest. Ik ben als laatste de woning binnen gegaan. Ik heb bij de vrouw aangebeld en heb gezegd dat ik een pakje voor haar had. Ik ben daarna weggelopen.

Ik ben een paar keer voor het huis langsgelopen. Ik keek naar de woning. [Verdachte] stond voor het raam. Ze wenkte met haar hand naar me dat ik naar binnen moest komen. Toen ik de woning binnenkwam was [verdachte] ook binnen. Toen ik de woning binnenkwam zag ik dat de vrouw op haar buik op de grond lag. Zij lag achter de voordeur. Ik hoorde haar nog wel een paar keer geluid maken. Ik heb haar niet zien spartelen. Ik kan me niet herinneren dat ik haar heb zien bewegen. Op het moment dat ik de woning binnenkwam, zat [medeverdachte 1] boven op de vrouw. Hij hield een remkabel om de nek van die vrouw.

Ik herinner me dat we een oranje zeil, witte zakken, mutsen en handschoenen bij ons in de auto hadden toen we naar de woning van die vrouw reden. Ik heb die voorwerpen gezien. Ik heb achter in de auto bij mij op de grond witte zakken zien liggen. Het oranje zeil en de witte zakken zijn gebruikt om het lichaam in te pakken.

10.

Het, als bijlage bij het genoemde proces-verbaal gevoegde, door S.H. van Veldhuijzen en M. Broekhuizen, beiden hoofdagent van politie, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, nummer PL081R/02-077262, gesloten en ondertekend te Tiel op 25 augustus 2002, voor zover inhoudende als de verklaring van [medeverdachte 1] (bladzijde 198 e.v.) -zakelijk weergegeven-:

Een aantal dagen voordat ‘het’ gebeurde, zijn [verdachte] en ik samen naar de Kwantum gereden gelegen aan de Stadionweg. Ik weet dat de zaak in ieder geval vlakbij het Feijenoord stadion lag. Wij hebben hier toen een grote witte afvalzak gekocht. Het was verpakt in plastic. Ik weet niet hoeveel zakken erin zaten. Ook kochten we een oranje zeil.

11.

Het door de rechter-commissaris mr T.P.E.E. van Groeningen, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, RC-nummer 02/643/644, 92/593/674, gesloten en ondertekend op 9 december 2002, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1] -zakelijk weergegeven-:

U vraagt wat er is gebeurd in de woning. [Verdachte] had de sleutel van het portiek. [Verdachte] en ik stonden in het portiek naast de deur van de woning van [slachtoffer] . [Medeverdachte 2] stond buiten met een pakje en belde aan en zei dat het pakje voor meneer [getuige 6] was. Het meisje zei: “Zet het maar neer”. En hij zette het buiten bij de deur. Het meisje kwam naar buiten lopen. [Verdachte] pakte haar vast en ik moest haar ook vastpakken. [Verdachte] en ik trokken haar samen de woning in. [Medeverdachte 2] was op dat moment niet aanwezig. Ik dacht dat [verdachte] wat uit haar zak pakte om het meisje vast te binden. Het bleek iets van een kabel te zijn wat ze om haar nek deed. Toen begon ze haar te wurgen. Toen we haar naar binnen trokken, begon ze te gillen. We hebben haar naar binnen getrokken en [verdachte] deed de kabel om haar nek. Ik moest van [verdachte] toen de kabel vasthouden. Ik hield de kabel vast.

12.

De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit gerechtshof, meervoudige kamer voor strafzaken, op 13 januari 2005, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Op 24 mei 2002 zijn [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en ik zijn met zijn drieën naar de woning van [slachtoffer] toe gereden. Op een gegeven moment heeft [medeverdachte 2] aangebeld met een pakje dat was bedoeld voor [getuige 6]. [Medeverdachte 1] en ik stonden in het portiek in de gang. We hebben die dag voor de woning van [slachtoffer] een tijdje in de huurauto zitten wachten. Ik zat achter het stuur. Vlak voordat we de woning binnengingen hebben [medeverdachte 1] en ik ieder een bivakmuts over ons hoofd gedaan. Ik had een pakje meegenomen. Het plan om met een pakje aan te bellen zodat de deur zou worden opengemaakt, was van ons samen.

Toen [slachtoffer] naar buiten ging, heeft ze ons niet gezien. Toen ze terug kwam heeft ze ons gezien. Op dat moment begon ze te schreeuwen “Dieven, dieven!”. Er ontstond een worsteling. We hadden de bivakmutsen op. Ik hoorde dat de buurvrouw van de trap naar beneden kwam lopen. Ik heb toen de deur dichtgedaan. De buurvrouw heeft bij de woning aangebeld en vroeg wat er aan de hand was. Ik heb toen gezegd dat ik bezig was. Ik ben [medeverdachte 1] gaan helpen bij het overmeesteren van [slachtoffer]. Ik heb [slachtoffer] vastgehouden. Ik ben naar buiten gelopen en ben in de auto gaan zitten. [Medeverdachte 2] kwam op een gegeven moment bij de auto en zei dat er iets verschrikkelijks was gebeurd. Ik ben de woning in gelopen en zag [slachtoffer] op de grond liggen. [Medeverdachte 1] zei dat hij aan de polsen van [slachtoffer] had gevoeld en dat ze niet meer leefde. Ik heb haar geen bewegingen meer zien maken of geluiden horen maken.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 24 mei 2002 in Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en verdachtes mededaders opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] hebben gewurgd, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf

Medeplegen van:

Moord.

Strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft (in punt 14 van zijn pleitnota onder het kopje “Toerekenbaarheid van verdachte”) betoogd dat -zakelijk weergegeven- het tenlastegelegde, indien bewezen, verdachte slechts in sterk verminderde mate kan worden toegerekend. In de eerste plaats was bij verdachte sprake van ernstige posttraumatische stresssymptomen en een depressie, waardoor verdachte niet in staat was helder te denken, paniekerig was en een grotere kans had op het maken van beoordelingsfouten. In de tweede plaats zat verdachte als het ware psychologisch gevangen tussen het gewelddadige gedrag van [getuige 6] enerzijds en de vernederingen en het geweld van de kant van haar vader anderzijds. In juridische zin zou men deze situatie kunnen kenschetsen als een situatie van psychische overmacht, aldus de raadsman.

De raadsman verwijst naar, en citeert in zijn pleitnota uitgebreid uit het rapport d.d. 13 augustus 2004 van prof dr C. de Ruiter, klinisch en forensisch psycholoog, welk rapport op verzoek van de verdediging is uitgebracht. De raadsman heeft ook verwezen naar het ongedateerde rapport van R.M. Hes, psychiater-psychotherapeut, waarin deze verslag doet van “zijn kritische beschouwing op met name de PBC-rapportage naast zijn mening over de rapportage van Prof. Dr. C de Ruiter”.

De raadsman plaatst kritische kanttekeningen bij het door het Pieter Baan Centrum -hierna te noemen: het PBC- door de rapporteurs A.T. Spangenberg, psycholoog, en A.C. Bruijns, psychiater, op 22 mei 2003 over verdachte uitgebrachte rapport en bestrijdt de deskundigheid van de rapporteurs. In dit verband verzoekt de raadsman om de deskundige Spangenberg te gebieden alle toetsen zoals gedaan door het PBC over te leggen aan het hof, teneinde te kunnen controleren of de afleidingen/conclusies uit die toetsen al dan niet juist zijn.

Subsidiair verzoekt de raadsman om aanvullend over verdachte te laten rapporteren “door de psycholoog Cecile van Putten, docente psychodiagnostiek aan de universiteit van Utrecht, of de observatiekliniek Parnassia of in een forensisch psychiatrische afdeling van een algemeen psychiatrisch ziekenhuis”.

Het hof merkt allereerst op dat zowel De Ruiter als Spangenberg en Bruijns ter zitting van het hof in elkaars aanwezigheid als getuige-deskundigen zijn gehoord, waarbij zij tevoren kennis hebben genomen van het dossier en elkaars rapporten.

Spangenberg heeft ter zitting van het hof uiteengezet dat onderdeel van het onderzoek is geweest de vraag of mogelijk sprake is geweest van een posttraumatische stressstoornis. Zij is mede op basis van de testresultaten -anders dan De Ruiter- niet tot een dergelijke bevinding gekomen. Betrokkene vermijdt stressoproepende situaties niet en laat bij verschillende testonderzoeken een bepaalde mate van onverstoorbaarheid zien, hetgeen niet past bij een dergelijke stoornis. Betrokkene kan zaken naar haar hand zetten en treedt sturend op. Ze weet dingen te regelen ook binnen het PBC. Ze heeft zich als afhankelijk en hulpeloos gepresenteerd, maar als het er op aan komt, kan ze goed voor zichzelf opkomen. De mate van agressie die verdachte heeft ondervonden, is blijkens door het PBC opgemaakte milieurapport van een andere aard dan hetgeen De Ruiter daarover heeft geschreven. Tijdens de gesprekken van De Ruiter met betrokkene zijn verhalen naar boven gekomen die haaks staan op eerdere verhalen van betrokkene, bijvoorbeeld over de abortus die niet heeft plaatsgevonden en het alcohol- en cocaïnegebruik dat zij bij ons heeft ontkend, aldus deze deskundige.

Bruijns heeft ter zitting van het hof verklaard zich niet te kunnen vinden in de diagnose posttraumatische stressstoornis omdat hij daarvoor geen enkel fenomeen heeft aangetroffen, ook niet wat betreft de depressie die De Ruiter heeft vastgesteld. Betrokkene is een gezonde jonge vrouw. Uit de uitgebreide gesprekken die de milieurapporteur met de ouders en met andere personen heeft gehad, komt een veel minder heftige geweldsgeschiedenis naar voren dan in het rapport van De Ruiter.

Met betrekking tot de kritische kanttekeningen die de raadsman ten aanzien van de rapportage van het PBC maakte, merkt het hof het volgende op.

Het PBC heeft de rapportage omtrent verdachte opgesteld onder meer op basis van een intensieve observatie van verdachte, gesprekken met verdachte en een uitgebreid milieuonderzoek. Zoals Spangenberg ter zitting heeft verklaard wordt binnen het PBC multidisciplinair gewerkt, rapportages worden door het hele team bekeken en daarnaast ook door mensen die niet betrokken zijn bij de onderzochte personen en deze niet gesproken of gezien hebben.

De Ruiter heeft haar rapport opgesteld op basis van de diverse gesprekken die zij met verdachte heeft gevoerd en de door haar bij verdachte afgenomen tests.

Het is het hof daarbij opgevallen dat de Ruiter een aantal zaken welke door verdachte aan haar zijn verteld -naar het lijkt- voetstoots als vaststaand heeft aangenomen, terwijl daarbij mede op basis van de stukken op zijn minst vraagtekens geplaatst hadden dienen te worden. Het hof doelt hierbij onder meer op de vraag in welke mate vernederingen en geweld van de kant van de vader jegens verdachte hebben plaatsgevonden, de vraag of verdachte inderdaad wel zwanger is geraakt van [getuige 6] en of zij door hem in haar buik werd getrapt met een miskraam als gevolg, het mogelijk geweld dat door [getuige 6] jegens haar zou zijn uitgeoefend, het mogelijke cocaïne -en alcoholgebruik van verdachte en/of [medeverdachte 1], zomede of (na de datum van de tenlastelegging) inderdaad sprake is geweest van een ontvoering en verkrachting van verdachte door [getuige 6] en zijn drie vrienden.

Het hof ziet gezien hun opleiding en ervaring geen aanleiding te twijfelen aan de deskundigheid van de rapporteurs van het PBC, de betrouwbaarheid van hun bevindingen en de conclusies vervat in de rapportage van het PBC. In het rapport -pagina 51- wordt bij verdachte “een neiging waargenomen om, vooral bij mannen, op listige wijze zorg en aandacht te verkrijgen. Ook bestaat er bij betrokkene de instelling om verantwoordelijkheid voor het eigen gedrag niet zelf te dragen, maar af te wentelen op anderen”. Opgemerkt moet worden dat deze deskundigen dit beeld hebben geschetst terwijl hen nog niet bekend was dat verdachte in het PBC aan [medeverdachte 1] een door haar zelf geschreven brief heeft overhandigd die bezwaarlijk anders kan worden gezien dan een poging van haar die (mede)verdachte te brengen tot het afleggen van valse verklaringen zodat in strijd met de waarheid het beeld zou ontstaan dat de verdachte geen (rechtstreekse) bemoeienis heeft gehad met het vermoorden van het slachtoffer. Op geraffineerde wijze wordt aan [medeverdachte 1] aangegeven hoe deze dient te verklaren. Die brief is eerst na het horen van de getuige-deskundigen ter kennis van het hof gekomen. Verdachte heeft erkend dat zij die brief heeft geschreven en in het PBC aan [medeverdachte 1] heeft overhandigd.

Als voorbeeld van de dwingende en suggestieve wijze waarop verdachte in die brief aanwijzingen geeft omtrent hetgeen [medeverdachte 1] zou moeten verklaren wordt de volgende alinea inclusief onderstrepingen en doorstrepingen geciteerd:

“.. Je moet zeggen dat ik je geen geld heb gegeven na de moord. Dit heb je alleen maar gezegd, omdat je boos was op [verdachte] en haar de schuld wilde geven dat zij [voorletter van het slachtoffer] had gedood. Je kwam op 4000 euro, omdat je wist dat [verdachte] een lening van 4000 euro had afgesloten bij de bank om een auto te kopen. Jij keek ook uit naar een auto van 4000. Later had [verdachte] dit bedrag van de lening verhoogd, ze geld tekort kwam omdat ze zei dat ze toch wel een duurdere auto wilde kopen. Met hoeveel deze verhoging weet je niet omdat ze geld aan [getuige 6] zou geven (2000 euro) in ruil voor de videobanden.

+/- na weken na het overlijden van [voorletter van het slachtoffer] heb je [verdachte] voor het laatst gezien. Je bent met [getuige 1] en [getuige 8] naar de winkelcentrum Oosterhof geweest om [verdachte] te ontmoeten. Je had je sleutels v. [straatnaam 2] vergeten in de Fiat destijds en deze sleutels ging je ophalen. Je wilde ook wat geld aan haar vragen en dit heb je gedaan. Je hebt +/- 100 euro gekregen van haar.

Je moet wel zeggen dat je geld hebt gevraagd aan me, omdat [voorletter van medeverdachte 2] verklaart dat hij gezien heeft dat ik jou geld gaf en [getuige 1] zegt dat jij heb gezegd dat ......... dat je geld ging halen die dag bij de winkelcentrum !....”

Het door R.M. Hes, psychiater-psychotherapeut, uitgebrachte, overigens ongedateerde, rapport waarin hij zijn mening geeft over de PBC-rapportage en de rapportage over prof. C. de Ruiter kan aan het hiervoor overwogene niets afdoen.

In het licht van het vorenstaande ziet het hof geen noodzaak om de tests zoals afgenomen van verdachte in het PBC over te laten leggen, zodat dit verzoek wordt afgewezen. Ook ziet het hof geen noodzaak om nog nadere rapportages met betrekking tot verdachte te laten uitbrengen. Het hof acht zich daaromtrent voldoende geïnformeerd.

Gelet op de door het PBC uitgebrachte rapportage en de nadere getuige-deskundigenverhoren van Spangenberg en Bruijns ter zitting van het hof, komt het hof tot de conclusie dat bij gebreke van een vaststelbaar verband tussen verdachtes persoonlijkheidskenmerken en het tenlastegelegde, verdachte toerekeningsvatbaar moet worden geacht voor het haar tenlastegelegde

Psychische overmacht

Voorzover de raadsman bedoeld heeft namens verdachte een beroep op psychische overmacht te doen, wordt dit verweer verworpen.

Zoals hiervoor werd overwogen acht het hof het niet aannemelijk dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde psychisch verkeerde in een toestand als door de raadsman geschetst en hierboven weergegeven. Ook overigens acht het hof -gelet op de stukken en hetgeen ter terechtzitting is voorgevallen- het niet aannemelijk dat er sprake is geweest van een onmiddellijke van buiten komende drang waaraan verdachte geen weerstand kon bieden.

Verdachte is strafbaar, nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Verdachte heeft tezamen met haar mededaders [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] [slachtoffer] vermoord, de partner van [getuige 6], de (vroegere) vriend van verdachte. Niet gebleken is dat [slachtoffer] ooit ruzie met verdachte of met een van haar mededaders heeft gehad. [Slachtoffer] was ten tijde van haar overlijden pas 28 jaar oud. Volgens een tevoren beraamd plan werd het slachtoffer in haar eigen woning om het leven gebracht door verwurging met een binnenkabel van een remkabel van een fiets.

Nadat [medeverdachte 2] had aangebeld met het valse bericht dat hij een pakje bestemd voor [getuige 6] kwam brengen, heeft het slachtoffer in goed vertrouwen de voordeur van haar (portiek)woning geopend. Zij is vervolgens de portiek ingelopen. Daar is zij overmeesterd door verdachte en [medeverdachte 1], die beiden bivakmutsen droegen, en door hen in haar eigen woning teruggevoerd.

De verwurging van het slachtoffer heeft in de gang van haar woning plaatsgevonden. Zowel [medeverdachte 1] als verdachte hebben daarbij en daartoe dezelfde (binnen)remkabel gehanteerd. Het slachtoffer heeft waarschijnlijk beseft wat haar door onbekenden werd aangedaan. Haar verwurging heeft enige tijd geduurd, zij overleed eerst nadat ook [medeverdachte 2] enige tijd later in de woning was gekomen.

De rol van de toen nog minderjarige medepleger [medeverdachte 2] is aanmerkelijk beperkter geweest dan die van verdachte en van [medeverdachte 1]. [Medeverdachte 2] heeft pas kort voor de moord vernomen dat het niet ging om een voorgenomen beroving maar om een moord. Hij heeft zich echter niet onttrokken aan de uitvoering van dat voornemen. Toen [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] vroeg hem af te lossen bij het vasthouden van de remkabel die om de nek/hals van het slachtoffer was aangebracht, heeft [medeverdachte 2] dat geweigerd. Wel heeft [medeverdachte 2] tezamen met [medeverdachte 1] het lichaam van het slachtoffer in de kofferbak van de auto geplaatst die verdachte daartoe speciaal vlak voor de woning van het slachtoffer had gereden. Het lichaam van het slachtoffer was op dat moment ingepakt in een oranje zeil en witte zakken.

Alhoewel het voor de hand ligt als mogelijk motief of motieven voor deze daad te denken aan een wens bij verdachte om haar (vroegere) partner [getuige 6] te treffen door de moord op zijn partner of mogelijk zelfs de wens om na de eliminatie van [slachtoffer] haar plaats in te nemen, heeft het hof geen inzicht kunnen krijgen in het werkelijke motief of motieven bij verdachte.

Zij ontkent haar rechtstreekse betrokkenheid bij de moord en spreekt zelf alleen over een motief voor een voorgenomen beroving van het slachtoffer. Hetgeen verdachte verklaard heeft over haar betrokkenheid bij het tenlastegelegde is strijdig met hetgeen het hof bewezen heeft verklaard, in het bijzonder ook met de inhoud van de door het hof voor de bewezenverklaring gebezigde bewijsmiddelen. Dat verdachte slechts van plan zou zijn geweest in de woning van [slachtoffer] (een tas met) een sleutel van de auto van [slachtoffer] buit te maken om [getuige 6] door de diefstal van zijn auto te treffen, acht het hof ongeloofwaardig.

Voor het bewezenverklaarde feit komt als enig passende straf een gevangenisstraf van aanmerkelijke duur in aanmerking. Niet alleen het slachtoffer is groot leed aangedaan in de korte tijd waarin zij beseft moet hebben dat zij gedood werd, ook haar partner en haar familieleden is groot leed aangedaan. Verdachte heeft met haar mededaders het slachtoffer het meest fundamentele recht ontnomen wat haar toekwam, het recht op leven.

Aangenomen moet worden dat in het bijzonder de nabestaanden van [slachtoffer] door haar gewelddadig overlijden nog lang psychische schade zullen ondervinden. Ook in bredere kring heeft de moord op [slachtoffer] een schok te weeg gebracht. Een dergelijk feit schokt bovendien de rechtsorde in het algemeen en draagt bij aan algemene gevoelens van onveiligheid.

In eerste aanleg heeft de rechtbank aan verdachte ter zake van moord een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren opgelegd nadat de officier van justitie daarvoor een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren had gevorderd.

Het hof heeft bij de bepaling van de duur van de op te leggen gevangenisstraf in het voordeel van verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat zij niet eerder voor een misdrijf werd veroordeeld. Vanwege de buitengewone ernst van het bewezenverklaarde levensdelict en de omstandigheden waaronder het feit is begaan speelt die omstandigheid slechts een zeer beperkte rol.

Het hof heeft in het nadeel van verdachte rekening gehouden met de ernst van haar rol ten opzichte van de ernst van de rol van haar medeplegers. Verdachte is initiërend en sturend opgetreden. Als bevestiging van deze rol ziet het hof de brief van verdachte die zij aan [medeverdachte 1] in het PBC heeft overhandigd. Met die brief heeft verdachte kennelijk beoogd [medeverdachte 1] te brengen tot onjuiste verklaringen over de gang van zaken bij de moord om daardoor haar eigen rol te verhullen.

De jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde acht het hof wel in relevante mate een matigende factor bij de straftoemeting.

Alles afwegend is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren passend en geboden is. Met die straf kan en moet worden volstaan, alhoewel die straf lager is dan de door de advocaat-generaal gevorderde en door de rechtbank opgelegde straf. Bij de bepaling van de duur heeft het hof acht geslagen op de hoogte van de straffen die ter zake van moord in vergelijkbare gevallen zijn opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 12.349,89 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 6.257,16. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Wijst af de hiervoor vermelde verzoeken van de raadsman.

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

de aan [benadeelde partij] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van € 12.349,89 (twaalfduizend driehonderdnegenenveertig euro en negenentachtig cent) met dien verstande dat indien en voor zover haar mededaders betalen verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij een bedrag te betalen van € 12.349,89 (twaalfduizend driehonderdnegenenveertig euro en negenentachtig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 197 (honderdzevenennegentig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr Nunnikhoven, voorzitter,

mrs Koksma en Besier, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr Bouwman, griffier,

en op 23 februari 2005 ter openbare terechtzitting uitgesproken.