Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AS4192

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
06-01-2005
Datum publicatie
03-02-2005
Zaaknummer
04-00762
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

In de thuiszorg werkzame verpleegkundige is, gelet op het beperkte aantal opdrachtgevers, geen ondernemer voor de inkomstenbelasting.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.76, geldigheid: 2005-01-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2005, 251
FutD 2005-0286

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Zevende enkelvoudige belastingkamer

nr. 04/00762

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : [X]

te : [Z]

ambtenaar : de inspecteur van de Belastingdienst/[P]

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar

betreft : aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen

jaar : 2002

onderzoek ter zitting : op 23 december 2004 te Arnhem

waarbij verschenen : belanghebbende en [haar gemachtigde, alsmede de Inspecteur]

gronden:

1. Belanghebbende, geboren in 1937, was tot en met februari 2000 als verpleegkundige in loondienst werkzaam voor [A] B.V. te [Q].

2. Na het faillissement van de B.V. is belanghebbende op uurtarief zorg blijven verlenen. In het onderhavige jaar heeft zij € 17.228,29 gedeclareerd (waarin begrepen € 481,24 aan reiskosten).

3. De declaraties hebben uitsluitend betrekking op de verzorging van de heer en mevrouw [B].

4. Belanghebbende realiseerde haar opbrengsten uit de door haar verleende zorg in 2002 uitsluitend uit werkzaamheden verricht voor het echtpaar [B]. Aan dit echtpaar verleende zij ook zorg in 2000 en 2001. Daarnaast heeft zij in 2000 twee andere opdrachten aanvaard en in 2001 slechts één. Uit de gelijktijdig met de onderhavige zaak ter zitting behandelde zaak betreffende de belanghebbende over het jaar 2000 opgelegde aanslag is het hof bekend dat belanghebbende haar opbrengsten uit verleende zorg in dat jaar voor meer dan 95% realiseerde uit werkzaamheden ten behoeve van het echtpaar [B]. Het is niet gesteld of gebleken dat belanghebbende in enig jaar na 2002 in betekenende mate meer opdrachtgevers had.

5. Het hof is gelet op het zeer beperkte aantal opdrachtgevers en de omstandigheid dat belanghebbendes opbrengst uit de door haar verleende zorg geheel afkomstig is van werkzaamheden verricht voor één echtpaar, van oordeel dat zij niet met de voor de aanwezigheid van een onderneming vereiste mate van zelfstandigheid heeft deelgenomen aan het economisch verkeer.

6. Het standpunt van de inspecteur inhoudende dat ten onrechte zelfstandigenaftrek is verleend en dus geen aanspraak bestaat op de verhoging daarvan ingevolge artikel 3.76, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (de zogenaamde ‘startersaftrek’) is derhalve juist. De aanslag is niet tot een te hoog bedrag vastgesteld.

7. Het beroep is ongegrond. Dit brengt mee dat het verzoek tot schadevergoeding niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

kosten:

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht vindt het hof geen termen aanwezig.

beslissing:

Het gerechtshof:

- verklaart het beroep ongegrond;

- verklaart belanghebbende niet-ontvankelijk in haar verzoek tot schadevergoeding.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2005 te Arnhem door mr. drs. F.J.P.M. Haas, raadsheer, lid van de zevende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. D.N.N. Jansen als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van voormelde kamer,

(D.N.N. Jansen) (F.J.P.M. Haas)

Afschriften aangetekend per post verzonden op: 17 januari 2005

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303 2500 EH ‘s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval kan de indiener van het beroepschrift de gronden van het beroep verstrekken of aanvullen tot zes weken na de dag waarop de schriftelijke uitspraak aan hem is verzonden.

In het cassatieberoepschrift kan verzocht worden de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.