Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AS3678

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
10-01-2005
Datum publicatie
26-01-2005
Zaaknummer
03-01370
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet WAZ.

Door belanghebbende genoten licentie-inkomsten behoren tot het premieplichtig WAZ-inkomen.

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 72, geldigheid: 2005-01-10
Wet inkomstenbelasting 2001 3.91, geldigheid: 2005-01-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2005, 194
FutD 2005-0262

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 03/01370

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

Belanghebbende : [X]

Te : [Z]

Verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst/ [P]

Aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar

Betreft : aanslag Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 2001 (hierna: WAZ)

Nummer : [01.W.16]

Mondelinge behandeling : met schriftelijke toestemming van partijen niet gehouden

gronden:

1. Belanghebbende heeft in 1992 een methode ontwikkeld, de [A]-methode. In 1998 en 1999 is deze methode gedeponeerd bij het Benelux Merkenbureau. In de jaren 2000 en 2001 heeft belanghebbende deze methode verhuurd aan het bedrijf Centrum [A], waarvoor belanghebbende licentie-inkomsten heeft ontvangen.

2. De desbetreffende inkomsten over het jaar 2000 zijn door belanghebbende in de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2000 aangegeven als inkomsten uit tegenwoordige arbeid, waarbij tevens een 12 % beroepskostenaftrek wordt geclaimd. De desbetreffende inkomsten over het jaar 2001 zijn aangegeven als inkomsten uit overige werkzaamheden. Deze aangifte is door de Inspecteur gevolgd. Tevens is voor het jaar 2001 een aanslag Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 2001 opgelegd.

3. Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur de desbetreffende inkomsten uit licentie terecht gerekend heeft tot het premieplichtig inkomen, zoals de Inspecteur stelt doch belanghebbende ontkent.

4. Ingevolge het bepaalde in artikel 1, lid 1, aanhef en onderdeel j van de Wet WAZ, wordt voor de toepassing van de WAZ verstaan onder inkomsten uit tegenwoordige arbeid het gezamenlijk bedrag van onder meer het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in afdeling 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001, behoudens voor zover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, lid 1, onderdelen a en b en 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

5. Op grond van artikel 3, eerste lid, letter b Wet arbeidsongeschiktheids-verzekering zelfstandigen (hierna: de Wet), is verzekerd de beroepsbeoefenaar in de zin van artikel 5, letter a van de Wet.

6. Artikel 5, letter a van de Wet merkt als beroepsbeoefenaar aan de persoon, jonger dan 65 jaar, die anders dan uit dienstbetrekking inkomsten uit tegenwoordige arbeid geniet.

7. Ingevolge het bepaalde in art. 3.90 Wet inkomstenbelasting 2001 is belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, het gezamenlijk bedrag van het resultaat uit een of meer werkzaamheden die geen belastbare winst of belastbaar loon genereren.

8. Uit de wetsgeschiedenis van de onderhavige bepaling en die van de wijziging in de loop van de parlementaire behandeling van – thans - artikel 3.91, lid 1 Wet inkomstenbelasting 2001 volgt ondubbelzinnig dat de wetgever beoogde de inhoud van het begrip “niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden en diensten” van artikel 22, lid 1, letter b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, tekst 2000, in het begrip “overige werkzaamheden” van artikel 3.90 Wet inkomstenbelasting 2001, onverkort over te nemen.

‘Deze afdeling bevat het regime voor resultaat uit overige werkzaamheden. Dit regime geldt voor belastingplichtigen die niet op grond van één van de eerdere afdelingen zijn belast, maar wel inkomsten genieten die voortvloeien uit een vorm van werk in brede zin.

Onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 vielen dergelijke inkomsten onder artikel 22, eerste lid, onderdeel b. Om te benadrukken dat het hier gaat om een restcategorie van inkomen uit werk en woning, anders dan periodieke uitkeringen en verstrekkingen en inkomsten uit eigen woning, is deze restcategorie nu opgenomen in een afzonderlijke afdeling na de afdelingen belastbare winst uit onderneming en belastbaar loon. Om diezelfde reden wordt de term “overige werkzaamheden” gehanteerd.’

‘Onder een overige werkzaamheid wordt verstaan het verrichten van enige vorm van arbeid in het economische verkeer, die is gericht op het behalen van een geldelijk voordeel en niet is aan te merken als winst uit onderneming of als loon uit dienstbetrekking. Daarmee is beoogd aan te sluiten bij het begrip “andere arbeid” zoals dat in de jurisprudentie tot stand is gekomen als verzamelbegrip voor de inkomsten die onder artikel 22, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 vallen’. MvT, Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 132.

‘De eerste en tweede wijziging zijn het resultaat van nader inzicht dat de in artikel 3.4.1.2 (bew.: thans artikel 3.91), eerste lid, onderdeel a, opgenomen uitbreiding van het begrip werkzaamheid met het productief maken of vervreemden van een auteursrecht in haar geheel overbodig is, nu het productief maken en vervreemden van auteursrechten of octrooirechten door de uitvinder of de auteur zelf reeds een schoolvoorbeeld zijn van wat tot het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden moet worden gerekend.’ Toelichting (eerste) NvW, Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 18, blz. 32-33.

9. In voornoemd artikel 22, lid 1, letter b is het produktief maken of vervreemden van een auteursrecht of een octrooi door de auteur of de uitvinder zelf uitdrukkelijk gerekend tot de inkomsten uit niet in dienstbetrekking verrichte arbeid.

10. De Inspecteur heeft derhalve de onderhavige inkomsten terecht gerekend tot het premie-inkomen als bedoeld in artikel 72 van de Wet.

11. De omstandigheid dat belanghebbende de [A]-methode niet in het onderhavige jaar maar reeds in 1992 heeft ontwikkeld, is in dezen niet van belang.

12. Voorts is belanghebbende (die niet in dienstbetrekking staat tot Centrum ABL en jonger is dan 65 jaar) door de Inspecteur terecht aangemerkt als verzekerde op grond van artikel 3, lid, onderdeel b jo. Artikel 5, onderdeel a van de Wet.

13. Belanghebbende kan zich niet beroepen op de omstandigheid dat hem in 2000 geen aanslag WAZ is opgelegd, hoewel hij ook in dat jaar licentie-inkomsten had ontvangen. Belanghebbende heeft immers in dat jaar – zoals de Inspecteur stelt en het Hof aannemelijk acht – de desbetreffende inkomsten ten onrechte als inkomsten uit tegenwoordige arbeid in plaats van inkomsten uit andere arbeid aangegeven, hetgeen door de Inspecteur niet is onderkend. Nu er geen sprake is van een door belanghebbende nadrukkelijk aan de orde gesteld standpunt waarbij de Inspecteur heeft ingestemd, kan belanghebbende aan het achterwege blijven van een aanslag WAZ over 2000 geen vertrouwen ontlenen op grond waarvan over 2001 eveneens een aanslag achterwege dient te blijven.

proceskosten:

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

beslissing:

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 10 janauri 2005 door mrs. N.E. Haas, voorzitter, mrs J.B.H. Röben en mr. A.M. Van Amsterdam, raadsheren.

De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Aalbersberg als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.

De voorzitter,

(N.E. Haas)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 10 januari 2005

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.