Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AS3673

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-01-2005
Datum publicatie
26-01-2005
Zaaknummer
03-00675
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

OZB.

De gemeente slaagt er niet in aannemelijk te maken dat een nieuwe door haar vastgestelde WOZ-beschikking op juiste wijze aan belanghebbende is bekendgemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2005, 206
FutD 2005-0261
Belastingblad 2005/328

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste enkelvoudige belastingkamer

nummer 03/00675

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] te [Z] (hierna te noemen: belanghebbende) tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Hellendoorn (hierna: de verweerder) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem voor het jaar 2002 opgelegde aanslagen in de onroerendezaakbelastingen.

1. Aanslagen en bezwaar

1.1. De aanslagen in de onroerendezaakbelastingen wegens het gebruik en het genot van de onroerende zaak plaatselijk bekend [a-weg 1 te Z] voor het jaar 2002, met andere verenigd op één biljet dat is gedagtekend 28 februari 2002, zijn berekend naar een heffingsmaatstaf van € 225 528.

1.2. Het bezwaarschrift van belanghebbende is door de verweerder bij uitspraak van 18 februari 2003 ongegrond verklaard.

2. Geding voor het Hof

2.1. Het beroepschrift met bijlagen is ter griffie ontvangen op 27 maart 2003.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren het verweerschrift en de daarin genoemde bijlagen alsmede de conclusies van re- en dupliek.

2.3. De notities van het pleidooi dat de gemachtigde van belanghebbende ter na te melden zitting heeft gehouden worden als hier herhaald en ingelast beschouwd.

2.4. Na het onderzoek ter zitting op 23 juni 2004 te Arnhem, waarbij belanghebbende en [de verweerder] zijn gehoord, zijn van belanghebbende schriftelijke inlichtingen ingewonnen.

2.5. Met toestemming van beide partijen heeft het Hof op de voet van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 27 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

3. Conclusies van partijen

3.1. Belanghebbende verzoekt in beroep de aanslagen te verminderen tot bedragen, berekend naar een waarde van € 8470.

3.2. De verweerder concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. De vaststaande feiten

4.1. Belanghebbende is bewoner en eigenaar van de voormelde onroerende zaak (hierna: de woning).

4.2. Bij beschikking van 30 april 2001 is de waarde van de woning naar de waardepeildatum 1 januari 1999 en de toestand op 1 januari 2001 vastgesteld op ƒ 217 000 (€ 98 470).

5. Het geschil en de standpunten van partijen

5.1. Partijen houdt verdeeld, of de aanslagen terecht zijn berekend naar de onder 1.1 genoemde waarde.

5.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd hetgeen is vermeld in de van haar afkomstige stukken.

5.3. Daaraan is mondeling, behalve de inhoud van de voormelde pleitnotities, toege-voegd – zakelijk weergegeven –

5.3.1. door belanghebbende:

5.3.1.1. Hij heeft zich beperkt tot de procedurele kant van de zaak en zich niet uitgelaten over de juistheid van de waarde. Daarover valt wel wat te zeggen, gelet op de door hem ondervonden nadelige en waardedrukkende factoren.

5.3.1.2. De woning is hem opgeleverd in de maand mei 2001.

5.3.2. en namens de verweerder:

5.3.2.1. De beschikking van 30 april 2001 is vervaardigd door een servicebureau.

5.3.2.2. Hij heeft de beschikking van 28 februari 2002 die als tweede blad van bijlage 2 bij het verweerschrift is overgelegd, handmatig zelf gemaakt. Hij heeft geen bewijs dat die beschikking aan belanghebbende is bekendgemaakt.

5.3.2.3. Het tijdvak op die beschikking is abusievelijk vermeld als beginnende met 1 januari 2001; dat moet zijn: 1 januari 2002.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Volgens artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) treedt een besluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt. De Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), in het bijzonder artikel 24, lid 3, bevat geen daarvan afwijkende regel.

6.2. Bij conclusie van repliek betwist belanghebbende dat hem de onder 5.3.2.2 bedoelde beschikking bekend is gemaakt. Deze betwisting is door hem op de zitting en in de van hem ingewonnen inlichtingen consequent volgehouden en komt het Hof op zichzelf niet onaannemelijk voor.

6.3. Tegenover die betwisting rust op de verweerder de bewijslast van de juistheid van zijn stelling, dat de beschikking van 28 februari 2002 gelijktijdig met de bestreden aanslagen – naar hij stelt: niet in dezelfde envelop – is verzonden.

6.4. In het van hem verlangde bewijs slaagt de verweerder niet met de twee schermafdrukken die bij conclusie van dupliek zijn overgelegd. Evenmin ligt dat bewijs besloten in zijn stelling dat de waardegegevens van de woning in het gemeentelijke WOZ-systeem zijn gewijzigd op 4 februari 2002 en dat de desbetreffende beschikking is gedagtekend 28 februari 2002, daar dit geenszins inhoudt dat die beschikking is bekendgemaakt op de wijze als voorzien in artikel 24, lid 3, in verbinding met artikel 25, lid 4, van de Wet WOZ.

6.5. Gelet op artikel 220c van de Gemeentewet kunnen de bestreden aanslagen bijgevolg slechts in stand blijven voor zover daaraan de waarde ten grondslag is gelegd die is vastgesteld bij de eerder bekend gemaakte beschikking van 30 april 2001, nummer 39 636, en ƒ 217 000 ofwel € 98 470 beloopt.

7. Slotsom

Het beroep is gegrond.

8. Proceskosten

Voor een afzonderlijke veroordeling in belanghebbendes proceskosten is geen plaats naast die welke is gegeven in de mondelinge uitspraak van 7 juli 2004 op het gelijktijdig behandelde beroep (kenmerk Hof 03/01171) inzake de aanslagen in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2003, van welke mondelinge uitspraak het proces-verbaal aan partijen is verzonden op 8 juli 2004.

9. Beslissing

Het Gerechtshof:

– vernietigt de uitspraak van de verweerder;

– vermindert de aanslagen tot bedragen, berekend naar een heffingsmaatstaf van € 98 470;

– gelast de gemeente Hellendoorn aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht van € 31 te vergoeden.

Aldus gedaan te Arnhem op 11 januari 2005 door mr. De Kroon, raadsheer, lid van de eerste enkelvoudige belastingkamer. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Snoijink als griffier.

(W.J.N.M. Snoijink) (M.C.M. de Kroon)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 11 januari 2005

Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het college van burgemeester en wethouders binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag (bezoekadres: Kazernestraat 52). Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.