Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AS2136

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-01-2005
Datum publicatie
12-01-2005
Zaaknummer
03/863
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Daarbij stelt het hof voorop dat niet reeds de enkele verhoogde kans op ongevallen en schade aansprakelijkheid doet ontstaan. Het gaat om de vraag of de opstal voldoet aan de eisen die men daaraan in redelijkheid mag stellen. Het enkele feit dat een opstal voldoet of juist niet voldoet aan de wettelijke eisen inzake veiligheid, voor zover aanwezig, is daarvoor op zichzelf ook niet doorslaggevend. (...) Het voorgaande leidt ertoe dat naar het oordeel van het hof de glazen afscheidingswand tussen de hal en het balkon in het aan de Baptistengemeente toebehorende kerkgebouw niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en dat deze daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 101
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 174
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2005/20
NJF 2005, 209
VR 2006, 113

Uitspraak

4 januari 2005

derde civiele kamer

rolnummer 03/863

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant] en [appellante],

in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarige [J.],

allen wonende te [woonplaats],

appellanten,

procureur: mr P.A.C. de Vries,

tegen:

het kerkgenootschap Gemeente van Gedoopte Christenen

(Vrije Baptistengemeente) Enschede,

gevestigd te Enschede,

geïntimeerde,

procureur: mr J.M. Bosnak.

1 Het verdere verloop van het geding

Het hof verwijst naar zijn arrest van 11 mei 2004. Ingevolge dat arrest hebben op 2 september 2004 een plaatsopneming en een comparitie van partijen plaatsgevonden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Bij de comparitie zijn partijen overeengekomen dat zij zullen proberen een regeling in der minne te treffen via mediation. Daartoe is de zaak aangehouden.

Voorafgaand aan de comparitie heeft de procureur van [appellanten] bij brief van 29 juni 2004 een aantal stukken aan het hof doen toekomen. Van de zijde van de Baptistengemeente is verklaard met deze stukken bekend te zijn. Zij worden geacht onderdeel uit te maken van het proces-dossier.

Het proces-verbaal van comparitie bevat een schrijffout op p. 4, derde alinea, tweede zin. Mr Kant heeft niet medegedeeld dat het rapport van de EHBO-arts zal worden overgelegd, maar heeft daar juist om gevraagd, waartegen partij [appellanten] geen bezwaar zei te hebben.

Nadat is gebleken dat mediation geen succes had, hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

2 De verdere beoordeling van het geschil in hoger beroep

2.1 Uit de descente en de daarbij door partijen alsmede door [J.] verstrekte informatie, is het volgende gebleken.

2.2 [J.] bevond zich tijdens de kerkdienst tezamen met zijn ouders, zijn kleinere broertje [D.] en enkele andere kerkgangers op de bovenverdieping, het balkon genaamd. Na afloop daarvan ging iedereen naar beneden, waarna [J.] en [D.] weer naar boven gingen om te spelen. Er ontstond daarbij volgens [J.] een soort achtervolgingsspelletje, waarbij [J.] op dat balkon werd achterna gezeten door [D.]. Daarbij is [J.], naar hij denkt, bij het orgel door de ruit gevallen. Hij verklaarde dat hij niet bezig was een karate-trap uit te voeren. Iets dergelijks heeft hij ook nooit tegen iemand gezegd. Hij heeft verder geen bijzondere aandacht besteed aan de glazen afscheidingswand. Meer informatie kon [J.] dienaangaande niet verstrekken. Of de plantenbakken op dat moment (voor [J.]) achter de glazen afscheidingswand stonden, kon [J.] zich niet meer herinneren. Hij wist zich evenmin te herinneren of hij bij zijn val daadwerkelijk door de ruit was gegaan en dus aan de andere zijde in de hal was terecht gekomen, dan wel of hij aan de zijde van het balkon terecht was gekomen.

2.3 Enkele jaren daarvoor was op het balkon een meisje door een ruit in de glazen afscheidingswand gevallen. Dat was niet op dezelfde plek, maar betrof een ruit in het gedeelte van de afscheidingswand parallel aan de verhoging waarop het orgel stond (de ruiten aan de rechterzijde op foto's 1, 2 en 3, zoals aan het proces-verbaal gehecht). Die ruit was op verzoek van de moeder van het meisje (en op haar kosten) meteen vervangen door de koster. Deze koster (dat was de heer [...], die ten tijde van het onderhavige ongeval ook nog koster was) heeft daarvan nooit melding gemaakt aan het bestuur, aldus de huidige voorzitter, de heer [...]. Zodoende was het bestuur van dit voorval tot voor kort niet op de hoogte.

De Baptistengemeente was ten tijde van het ongeval van [J.] niet verzekerd tegen aansprakelijkheid voor situaties als de onderhavige. Ook de opstalverzekering biedt geen dekking.

2.4 Het hof staat thans voor de vraag of de bouwkundige situatie ter plaatse, meer in het bijzonder de aanwezigheid van de glazen wand als scheiding tussen het balkon en de hal, bezien in het licht van de omstandigheden van het geval, voldoet aan de eisen die men daaraan mag stellen, met andere woorden, of deze situatie gevaarlijk is voor personen, op grond waarvan de Baptistengemeente aansprakelijk is ingevolge artikel 6:174, lid 1 dan wel artikel 6:162 BW.

2.5 Daarbij stelt het hof voorop dat niet reeds de enkele verhoogde kans op ongevallen en schade aansprakelijkheid doet ontstaan. Het gaat om de vraag of de opstal voldoet aan de eisen die men daaraan in redelijkheid mag stellen. Het enkele feit dat een opstal voldoet of juist niet voldoet aan de wettelijke eisen inzake veiligheid, voor zover aanwezig, is daarvoor op zichzelf ook niet doorslaggevend.

Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174, lid 1 BW is niet vereist dat het gaat om de verwezenlijking van een specifiek gevaar, dat voortvloeit uit de bijzondere functie of het bijzondere gebruik of de bijzondere constructie van het gebouw. Het gaat om een algemeen gevaar dat bij verwezenlijking schade kan toebrengen aan personen.

2.6 Het kerkgebouw waar het hier om gaat is een publieke ruimte, in die zin dat het, naar de Baptistengemeente erkent (memorie van antwoord, p. 4 onder b) toegankelijk is voor een grotere, niet bij voorbaat definieerbare groep mensen, en onderscheidt zich in die zin van een gebouw waarvan het gebruik enkel in de privé-sfeer ligt zoals een woning. Meer in het bijzonder is het gebouw ook toegankelijk voor kinderen, die, al dan niet onder begeleiding, kerkdiensten bezoeken dan wel andere bijeenkomsten bijwonen. Dat geldt ook voor de ruimte (het balkon) waar zich het onderhavige ongeval heeft voorgedaan.

Vast staat dat de afscheidingswand die het balkon scheidde van de hal, van vloer tot plafond bestond uit enkelvoudig, doorzichtig glas. Op of aan het glas waren (behoudens bij de toegangsdeuren, waar houten dwarsbalken waren geplaatst, mede om te fungeren als handvat) geen waarschuwingstekens bevestigd teneinde aanwezigen erop te attenderen dat het een glazen wand betrof. Ieder glasdeel is ongeveer 90 cm. breed, van sponning tot sponning (zie ook rov. 3c van het tussenarrest).

2.7 Naar het oordeel van het hof kan niet gezegd worden dat het gebouw, meer in het bijzonder de glazen afscheidingswand ten tijde van het onderhavige ongeval, voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen.

De aanwezigheid van een glazen wand van vloer tot plafond in een ruimte die toegankelijk is voor een breder publiek dan alleen de 'eigen gebruikers', die ook toegankelijk is voor kinderen, en waarbij noodzakelijkerwijs niet te allen tijde toezicht is vanwege de eigenaar of beheerder (zoals tijdens en onmiddellijk na de kerkdienst op 21 mei 2000) of de ouders of begeleiders van kinderen, levert als zodanig een gevaar op zoals zich in de onderhavige situatie daadwerkelijk heeft verwezenlijkt, namelijk dat iemand met enige kracht tegen de ruit aankomt, die daardoor breekt en waarbij de desbetreffende persoon - al dan niet ernstige - verwondingen oploopt. Dat wordt eens te meer bevestigd doordat het onderhavige voorval niet de eerste keer was dat dit gevaar zich verwezenlijkte, getuige het feit dat enkele jaren eerder een kind door een - andere - ruit van dezelfde glazen afscheidingswand is gevallen, zij het dat dit meisje daarbij kennelijk geen noemenswaardig letsel heeft opgelopen. Daarvan is althans niet gebleken. De op geen enkele wijze afgeschermde ruit was niet bestand tegen de kracht waarmee een - al dan niet jeugdig - persoon deze, ook ongewild, kan raken, of het nu was door rennen, struikelen, uitglijden of anderzins. De omstandigheid dat (de beglazing in) het gebouw voldoet aan de eisen van het bestek, zoals de rechtbank - ambtshalve - heeft overwogen, is daarbij niet van belang, reeds omdat het bestek niet meer is dan een door of in opdracht van de eigenaar/opdrachtgever opgesteld stuk dat bouwtechnische aanwijzingen inhoudt ten behoeve van de aannemer.

2.8 De omstandigheid dat de opstal een kerkgebouw betreft doet aan het voorgaande niet af. Ook kerkgebouwen zijn toegankelijk voor een breed publiek, ook kinderen bezoeken een kerkgebouw en ook (zelfs) in een kerkgebouw en zeker na een kerkdienst zijn kinderen niet altijd rustig en ingetogen, zoals van algemene bekendheid mag worden verondersteld. Van een dusdanig afwijkend gebruik door [J.] (in de zin van gevaarlijk en onverantwoordelijk gedrag, zoals de rechtbank kennelijk bedoelde uit te drukken) dat de Baptistengemeente daarmee in redelijkheid geen rekening hoefde te houden, is in het geheel niet gebleken. Uitgaande van de lezing van [J.] dat hij met zijn broertje een spelletje aan het doen was waarbij gerend werd, is dit gedrag niet dermate onverwacht of onvoorspelbaar dat het treffen van adequate voorzieningen om ongevallen als de onderhavige te voorkomen in redelijkheid niet van de eigenaar van het gebouw zou kunnen worden verlangd.

Ook wanneer zou moeten worden uitgegaan van de lezing van de Baptistengemeente, dat [J.] bezig zou zijn geweest een karatetrap uit te voeren "tegen/nabij" het raam, verandert dat niets aan dit oordeel. Ook een dergelijk gedrag ligt niet zover verwijderd van de belevingswereld en het gedrag van een jongen van [J.]s leeftijd (destijds 11 jaar), dat het in redelijkheid het verwachtingspatroon van de eigenaar van het gebouw omtrent de wijze waarop bezoekers zich zullen gedragen, te buiten gaat. Het hof wijst in dit verband nogmaals op het gegeven dat bij een eerdere gelegenheid ook al een kind door een ruit van deze afscheidingswand is gevallen. Daarbij verdient opmerking dat de stelling van de Baptistengemeente niet zover gaat dat [J.] zijn karatetrap zou hebben uitgevoerd met het opzet tegen de ruit te schoppen. De aard van het opgelopen letsel, een snijverwonding hoog achter het rechter bovenbeen, duidt daar evenmin op en past evenzeer bij per ongeluk door een ruit naar een lager gelegen niveau stappen. Het bewijsaanbod van de Baptistengemeente op dit punt is daarmee niet ter zake dienend.

2.9 De door partijen uiteenlopend beantwoorde vraag of achter de glaswand (vanuit het balkon bezien) aan weerszijden van de toegangsdeuren al dan niet plantenbakken stonden, is niet van belang. Ook indien ervan zou worden uitgegaan dat die bewuste plantenbakken daar aanwezig waren, is er sprake van een gevaarlijke situatie. Juist waar ook deze locatie toegankelijk is voor kinderen, dient de eigenaar erop bedacht te zijn dat kinderen niet altijd even oplettend en voorzichtig zijn en niet door de enkele aanwezigheid van die plantenbakken er bij voorbaat op bedacht zullen zijn dat zij bij een glazen afscheidingswand met enkelvoudig glas staan die een verhoogd gevaar oplevert. Daartoe verwijst het hof mede naar de foto's 2 en 5 bij het proces-verbaal van comparitie van partijen en plaatsopneming. Lopend in de richting van de hal behoeft men zich niet te realiseren dat men op een verhoging loopt en uitkomt bij de glazen wand. De op deze foto's weergegeven ruimte achter de stoelen is ook duidelijk bedoeld (althans kan zonder problemen gebruikt worden) als looppad in de richting van de hal.

Het bewijsaanbod van partijen omtrent de aanwezigheid en/of plaats van de plantenbakken is dan ook niet ter zake dienend. Dat betekent dat de Baptistengemeente onvoldoende maatregelen heeft genomen om het potentiële gevaar te keren dat van deze glazen wand uitgaat. Of het aanbrengen van houten dwarsbalken over de volle lengte van de wand wel afdoende is, kan hier in het midden blijven nu deze dwarsbalken ten tijde van het ongeval, behoudens bij de toegangsdeuren, er juist niet waren.

2.10 De ouders van [J.] kan in redelijkheid niet een verwijt worden gemaakt van het ontstaan van het ongeval. Het moet voor ouders toelaatbaar geacht worden een 11-jarige jongen gedurende korte tijd onbegeleid te laten in een gebouw als het onderhavige, zonder dat zij daarbij beducht zouden moeten zijn voor gevaarlijke situaties als hier in het leven geroepen door de constructie van het gebouw.

2.11 Het voorgaande leidt ertoe dat naar het oordeel van het hof de glazen afscheidingswand tussen de hal en het balkon in het aan de Baptistengemeente toebehorende kerkgebouw niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en dat deze daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert. De Baptistengemeente heeft niet aangevoerd dat aansprakelijkheid op grond van afdeling 1, titel 3 van boek 6 BW zou hebben ontbroken indien zij dit gevaar op het tijdstip van ontstaan ervan zou hebben gekend, zodat de conclusie moet zijn dat de Baptistengemeente aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval dat [J.] is overkomen.

2.12 De grieven 1 t/m 3 slagen derhalve.

2.13 De Baptistengemeente heeft nog aangevoerd dat met (het bestuur van) de zustergemeente waartoe de familie [appellanten] behoort en die de kerkdienst had georganiseerd, was afgesproken dat alleen de benedenverdieping zou worden gebruikt. Om deze afspraak kracht bij te zetten, zou de toegang tot de trap naar de bovenverdieping, waar zich het balkon bevindt, zijn afgesloten door middel van een ketting met daaraan het bordje "geen toegang". Voor zover de Baptistengemeente deze stelling opwerpt ten betoge dat zij niet aansprakelijk is of dat een en ander zou moeten leiden tot het aannemen van eigen schuld aan de zijde van ([J.]) [appellanten], moet dit worden verworpen. Deze omstandigheden kunnen niet worden aangemerkt als een adequate maatregel om het gevaar dat de glazen wand behelst, te keren. Immers, bij voorbaat was niet verzekerd dat bezoekers van het gebouw bekend zouden zijn met deze afspraak en zich daardoor alsmede door de ketting met het verbodsbordje, zouden laten afhouden van het gebruik van het balkon om van daaruit de kerkdienst te volgen. Bovendien vormde de glazen wand een gevaar voor personen die op het balkon liepen of renden, onafhankelijk van de vraag of hun verblijf daar was toegestaan of niet. Het al dan niet geoorloofde karakter van het verblijf aldaar heeft geen invloed op de mate van gevaar die van de glaswand uitging en kan niet worden aangemerkt als oorzakelijk voor het ontstaan van de schade als bedoeld in artikel 6:101 lid 1 BW.

2.14 Tijdens de comparitie van partijen in hoger beroep is van de zijde van de Baptistengemeente benadrukt dat het bestuur ten tijde van het ongeval van [J.] niet bekend was met het eerdere voorval waarbij een meisje door een ruit was gevallen, omdat de koster zulks niet zou hebben medegedeeld. Deze stelling is niet van belang voor de aansprakelijkheid van de Baptistengemeente nu het hierbij gaat om risico-aansprakelijkheid. De enkele omstandigheid dat de glazen afscheidingswand niet voldoet aan de daaraan redelijkerwijs te stellen eisen is voldoende voor aansprakelijkheid. Wetenschap van de eigenaar van het pand is daarvoor niet vereist.

2.15 Voor zover de Baptistengemeente zich beroept op eigen schuld aan de zijde van [J.] doordat hij zich gevaarlijk en onverantwoordelijk zou hebben gedragen, wordt ook dat beroep verworpen. De gedragingen van [J.] hebben ontegenzeggelijk bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Indien hij niet ter plaatse in het kader van een achtervolgingsspelletje had gerend of, zoals de Baptistengemeente suggereert, te dicht bij de glazen afscheidingswand een karatetrap had uitgevoerd, zou hij ook niet door de ruit zijn gevallen of gestapt. Die causale bijdrage aan het ontstaan van het ongeval wordt gesteld op 50%. Vervolgens dient echter te worden bezien of de billijkheid een andere verdeling van aansprakelijkheid met zich brengt.

2.16 Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Niet gezegd kan worden, zoals hiervoor overwogen, dat [J.] op zichzelf zich gevaarlijk en onverantwoordelijk heeft gedragen, waarbij nogmaals wordt benadrukt dat de stellingen van de Baptistengemeente niet zover gaan dat [J.] opzettelijk tegen de ruit zou hebben geschopt met de intentie die ruit te doen sneuvelen. Zulks is ook op geen enkele wijze aannemelijk geworden.

[J.] zal blijvend nadeel ondervinden van het opgelopen letsel. Doordat een zenuw in zijn bovenbeen is doorsneden, heeft hij geen kracht en geen gevoel meer in zijn rechter onderbeen en rechter voet. Er is een verschil in beenlengte. Hij is voortaan aangewezen op hulpmiddelen en/of een operatie (enkelarthrodese) waardoor beperkingen in de gebruiksfunctie van de voet blijvend zullen zijn. Op dit moment kan hij niet meer volwaardig deelnemen aan sport en spel en loopt hij nog steeds met een spalk. Het ongeval heeft derhalve zwaarwegende en blijvende gevolgen voor hem. Daar komt bij dat hij ten tijde van het ongeval 11 jaar oud was. Hij had daarom slechts een beperkt inzicht in het aan zijn gedragingen - in de onderhavige omstandigheden - verbonden gevaar en een beperkt vermogen zich naar dat inzicht te gedragen. Het ligt dan ook in de rede bij personen van een jeugdige leeftijd terughoudend te zijn bij het aannemen van eigen schuld.

Gelet op de aard en ernst van het letsel van [J.] en diens leeftijd, komt het hof tot het oordeel dat in de omstandigheden van het geval de billijkheid verlangt dat de vergoedingsplicht van de Baptistengemeente geheel in stand blijft. De aard van de aansprakelijkheid staat daaraan niet in de weg. De omstandigheid dat de Baptistengemeente voor deze (aard van) aansprakelijkheid niet verzekerd was ten tijde van het ongeval, is geen reden om tot een andere beslissing te komen. In zoverre slaagt ook grief 4.

2.17 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering toewijsbaar is. De grieven slagen en het bestreden vonnis zal worden vernietigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal de Baptistengemeente worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties. Het ingangstijdstip van de wettelijke rente ten aanzien van de afzonderlijke schadeposten zal, al naar gelang van hun opeisbaarheid, in de schadestaatprocedure aan de orde komen.

Beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank te Almelo van 4 juni 2003 en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat de Baptistengemeente aansprakelijk is voor de door [J.] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het voorval op 21 mei 2000 in het kerkgebouw De Schuilplaats van de Baptistengemeente;

veroordeelt de Baptistengemeente om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellanten] te voldoen de daardoor geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

veroordeelt de Baptistengemeente in de kosten van beide instanties aan de zijde van [appellanten]:

* tot aan deze uitspraak terzake van de kosten van het hoger beroep begroot op € 2.114,16, waarvan te voldoen aan de griffier van het gerechtshof (bankrekeningnummer 1923.25.752 ten name van MvJ arrondissement Arnhem, postbus 9030, 6800 EM Arnhem, onder vermelding van het rolnummer en de namen van partijen) het bedrag van € 2.052,91 te weten:

- € 183,75 wegens in debet gesteld griffierecht;

- € 81,16 wegens exploitkosten;

- € 1.788,- wegens salaris van de procureur;

en het restant ad € 61,25 aan de procureur van [appellanten] wegens diens eigen aandeel in het griffierecht,

* tot aan deze uitspraak ter zake van de kosten van de eerste aanleg begroot op € 1.440,56, waarvan te voldoen aan de griffier van de rechtbank te Almelo (bankrekeningnummer 1923.25.744 ten name van MvJ arrondissement Almelo, postbus 323, 7600 PH Almelo, onder vermelding van het rolnummer van de rechtbank en de namen van partijen) het bedrag van € 1.392,31, te weten:

- € 144,75 wegens in debet gesteld griffierecht;

- € 77,56 wegens exploitkosten;

- € 1.170,- wegens salaris van de procureur;

en het restant ad € 48,25 aan de procureur van [appellanten] wegens diens eigen aandeel in het griffierecht;

verklaart de veroordeling tot schadevergoeding en de proceskostenveroordeling in eerste aanleg uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de proceskostenveroordeling in eerste aanleg binnen veertien dagen na dit arrest voldaan moet worden, bij gebreke waarvan de Baptistengemeente in verzuim is en vanaf deze datum wettelijke rente daarover verschuldigd is;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs Makkink, Steeg en Rank-Berenschot en uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van 4 januari 2005.