Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:467

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-04-2005
Datum publicatie
21-09-2017
Zaaknummer
21-003510-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen terugverwijzing naar de rechtbank op de voet van art. 423, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering. Geen schending van het recht op eerlijk proces in eerste aanleg omdat de rechtbank volgens verdachte had moet overgaan tot toepassing van art. 509a van het Wetboek van Strafvordering. Geen schending van het recht op eerlijk proces in eerste aanleg omdat de rechtbank de zaak niet had mogen afdoen, maar de behandeling had moeten aanhouden. Geen schending van het recht op eerlijk proces in eerste aanleg omdat de rechtbank aan verdachte geen afschriften van procestukken heeft verstrekt. Cassatie beroep op 5 september 2006 met toepassing van art. 81 RO verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-003510-03

Uitspraak d.d.: 1 april 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Zutphen van 29 juli 2003 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 06-060305-01, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

thans verblijvende in P.I. [plaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 9 januari 2004, 19 maart 2004, 28 juli 2004, 4 november 2004 en 18 maart 2005 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Beroep op schending van het recht op een eerlijk proces

Door de raadsman is betoogd dat in eerste aanleg verdachtes recht op een eerlijk proces is geschonden. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat nergens blijkt welke voorzieningen zijn getroffen om ervoor te zorgen dat verdachte in het kader van zijn eigen verdediging zijn inzagerecht heeft kunnen effectueren en dat geconstateerd kan worden dat aan verdachte geen afschriften zijn verstrekt in het kader van zijn eigen verdediging.
Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat op grond van de omtrent verdachte uitgebrachte rapportage, zijn houding zoals die blijkt uit talloze door hem geschreven brieven en zijn houding zoals de rechtbank die ter terechtzitting heeft kunnen waarnemen, de rechtbank had moeten ingrijpen omdat evident was dat verdachte niet of slechts beperkt in staat was om zijn eigen verdediging te voeren. De rechtbank had dwangverdediging op grond van artikel 509a van het Wetboek van strafvordering moeten toepassen.
De raadsman heeft aan het voorgaande de conclusie verbonden dat de rechtbank wegens strijd met het fair trial beginsel niet tot verdere behandeling van de strafzaak had mogen overgaan en dat de zaak daarom moet worden teruggewezen naar de rechtbank.

Het hof overweegt het volgende. De omtrent verdachte opgemaakte rapporten, het verhandelde op de terechtzittingen in eerste aanleg en de door verdachte in eerste aanleg geschreven brieven bevatten naar het oordeel van het hof onvoldoende aanknopingspunten om achteraf vast te stellen dat de rechtbank op 15 juli 2003 over had moeten gaan tot toepassing van artikel 509a van het Wetboek van Strafvordering.
Hierbij neemt het hof in aanmerking dat het hof aanvankelijk ook geen reden heeft gezien tot toepassing van die regeling en pas, nadat verdachte opnieuw het vertrouwen in zijn raadslieden had opgezegd, is overgegaan tot toepassing van voormeld artikel. Bovendien is in eerste aanleg noch van de zijde van de raadsman of andere bevoegden een verzoek, noch van de zijde van het openbaar ministerie een vordering gedaan tot toepassing van artikel 509a van het Wetboek van Strafvordering.

Voorzover het betoog van de raadsman ertoe strekt dat de rechtbank de zaak op 15 juli 2003 niet had mogen afdoen en de behandeling daarom had moeten aanhouden, overweegt het hof het volgende.
Door de verdediging zijn geen verzoeken tot aanhouding gedaan. Verdachte heeft op 7 juli 2003 schriftelijk uitdrukkelijk afstand gedaan van zijn verschijningsrecht en hierbij aangegeven dat hij besloten had geen verweren meer te zullen voeren. Verdachtes toegevoegde raadsman mr Eskens heeft op 9 juli 2003 schriftelijk te kennen gegeven dat verdachte besloten had om de verdediging te staken en dat verdachte de raadsman uitdrukkelijk verzocht had niet ter terechtzitting te verschijnen, aan welk verzoek de raadsman kennelijk weloverwogen gevolg heeft gegeven.
Het hof is gelet op het voorgaande, mede in aanmerking nemende het algemeen belang en het belang van de verdachte bij een voortvarende behandeling van de strafzaak, van oordeel dat de rechtbank ter terechtzitting van 15 juli 2003 op goede gronden tot de beslissing kon komen om de strafzaak tegen verdachte verder te behandelen en het standpunt van de verdediging om geen verweer te voeren te respecteren.

Met betrekking tot hetgeen door de raadsman is aangevoerd omtrent de niet gebleken effectuering van verdachtes inzagerecht op zijn uitdrukkelijk verzoek in het kader van zijn eigen verdediging, in die zin dat aan verdachte geen afschriften van de processtukken zijn verstrekt, overweegt het hof als volgt.
De rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting op 15 juli 2003 opnieuw aangevangen, omdat het in een andere samenstelling zitting hield dan op de voorgaande terechtzitting van 22 april 2003. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting op 15 juli 2003 is de verstrekking van afschriften toen niet aan de orde gekomen. Bovendien was er ook op dat moment voorzien in rechtskundige bijstand aan verdachte. Van de aan hem toegevoegde raadsman mag verwacht worden dat hij op de hoogte is van de wijze waarop het inzagerecht van de verdediging kan worden geëffectueerd en afschriften kunnen worden verkregen van de processtukken, al of niet op verzoek van zijn cliënt. Voorzover er anderszins nog sprake geweest zou zijn van onjuistheden, die zich hebben voorgedaan op zittingen die aan de terechtzitting van 15 juli 2003 vooraf zijn gegaan, zijn deze niet aan het oordeel van het hof onderworpen. Van zulke onjuistheden is het hof overigens niet gebleken.

Het hof is, het voorgaande in samenhang en onderling verband bezien, van oordeel dat niet gebleken is van schending van het recht op een eerlijk proces en verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen nu het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage II)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Nietigheid van de dagvaarding

Het hof is van oordeel dat de dagvaarding in eerste aanleg wat betreft het onder 6 tenlastegelegde nietig behoort te worden verklaard, aangezien het daar gestelde geen feitelijke omschrijving bevat van enige aan verdachte verweten gedraging die zou hebben geleid tot de gestelde vernietiging en/of beschadiging en/of het onbruikbaar maken. De tenlastelegging voldoet aldus niet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen, dat verdachte het onder 4 en 7 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het onder feit 4 tenlastegelegde overweegt het hof dat in het strafdossier onvoldoende bewijsmiddelen voorhanden zijn op grond waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte dreigende woorden of woorden van dreigende aard of strekking zoals tenlastegelegd, op schrift heeft gesteld en aan [betrokkene] heeft doen toekomen.


Met betrekking tot feit 7 overweegt het hof dat blijkens het op 14 maart 2002 opgemaakte proces-verbaal van aanhouding de verbalisanten verdachte wilden staande houden, omdat men vermoedde dat hij mogelijk posters zou gaan aanplakken. Er was op dat moment kennelijk geen verdenking van een strafbaar feit en verdachte kon op dat moment niet als zodanig worden aangemerkt. Het hof is van oordeel dat gelet op het voorgaande geen sprake kon zijn van de rechtmatige ambtsverrichting staande houden van verdachte als bedoeld in artikel 52 van het Wetboek van Strafvordering en dat verdachte tengevolge hiervan dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

(zie voor de inhoud van de bewezenverklaring bijlage III)

Het hof is van oordeel dat de door en namens verdachte bepleite vrijspraken worden weersproken door de bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van die, van de lezing van verdediging afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen.


Ten aanzien van de afzonderlijk gevoerde verweren overweegt het hof nog in het bijzonder het volgende.

De raadsman heeft ten aanzien van feit 2 betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde nu de bedreigende bewoordingen die verdachte heeft geuit slechts in algemene termen waren vervat, terwijl ondertussen niemand iets is aangedaan, en dat wel geloofd mag worden dat verdachte vrees aanjaagt, maar niet zodanig dat de redelijke vrees is kunnen ontstaan dat aangeefster het leven zou laten.
Het hof acht de door verdachte op verschillende tijdstippen aan aangeefster toegevoegde woorden, zoals bewezenverklaard, van dien aard en onder zodanige omstandigheden geuit dat bij de bedreigde redelijkerwijs de vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de aangeefster en de verdachte elkaar goed kenden – aangeefster was een goede vriendin van de overleden moeder van verdachte en kende verdachte al 27 jaar –, dat verdachte de bedreigingen meerdere malen telefonisch, op een gegeven moment zelfs dagelijks, heeft gedaan en dat hij, gelet op de door de gedragsdeskundigen geconstateerde psychische stoornis, ook bij de aangeefster als onberekenbaar zal zijn overgekomen en tot afwijkend gedrag in staat.
Bovendien blijkt uit de aangifte dat bij aangeefster ook daadwerkelijk vrees is opgewekt en dat zij bang was dat verdachte de bedreigingen zou uitvoeren.


De raadsman heeft betoogd dat verdachte op drie gronden dient te worden vrijgesproken van het hem onder 3 tenlastegelegde. Ten eerste kan niet worden bewezen dat verdachte de brief naar de aangever heeft gezonden en/of aan de aangever heeft doen toekomen. Ten tweede is niet gebleken dat bij verdachte de wil bestond dat aangever kennis zou krijgen van deze brief en dus niet de wil had om hem te bedreigen. Ten derde is de aard van de bedreiging in zulke algemene bewoordingen gesteld dat hieruit niet kan worden afgeleid dat bij de aangever de redelijke vrees heeft kunnen ontstaan dat hij daadwerkelijk het leven zou kunnen verliezen.


Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen neemt het hof aan dat verdachte de brief met bedreigingen tegen aangever, zijnde de behandelend psycholoog van verdachte in de periode mei 2000 tot juni 2001, heeft doen toekomen aan aangever door deze brief naar het politiebureau te sturen, waarna de politie deze op het kantoor van de aangever heeft bezorgd. Aangever heeft op deze wijze kennis genomen van de inhoud van de brief met de bedreigingen.
Blijkens pagina 1 van het ambtelijk verslag, opgemaakt door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie District IJsselstreek/Zutphen, d.d. 3 juli 2002, verstuurde verdachte brieven met bedreigingen onder meer naar verschillende instanties, zoals justitie, politie, de reclassering en het GAK. Het hof is van oordeel dat verdachte hierbij willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat brieven met daarin voor bepaalde personen bedoelde bedreigingen dusdoende ter kennis zouden komen van de personen tegen wie de bedreigingen waren gericht. Hierbij heeft het hof tevens in aanmerking genomen dat verdachte in de brief met de tegen aangever gerichte bedreigingen ook heeft geschreven dat die brief naar de pers zou gaan.
Voorzover de raadsman betoogd heeft dat de geuite bedreigingen te algemeen gesteld zijn, overweegt het hof dat de woorden dat hij aangever “om zeep gaat helpen” van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden zijn geuit, gelet ook op de context van de verdere inhoud van de brief, dat bij de bedreigde redelijkerwijs de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 5 tenlastegelegde nu verdachte de brief met bedreigingen niet naar aangeefster maar naar haar buren heeft verzonden en dat gelet op de zeer tegenstrijdige inhoud van de brief daaruit niet blijkt van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Bovendien heeft aangeefster eerst twee weken na ontvangst van de brief aangifte gedaan, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat zij niet werkelijk bevreesd is geweest dat verdachte haar naar het leven zou staan.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen neemt het hof aan dat verdachte de brief met bedreigingen heeft doen toekomen aan aangeefster – een tante van verdachte – door deze brief naar de buren van aangeefster te sturen, waarna deze buren de brief bij aangeefster hebben bezorgd. Aangeefster heeft op deze wijze kennis genomen van de inhoud van de brief.
Onder verwijzing naar hetgeen het hof op dit punt ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde heeft overwogen, is het hof van oordeel dat verdachte door het versturen van de brief naar de buren van aangeefster willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze brief met daarin de voor aangeefster bedoelde bedreigingen terecht kwam bij aangeefster.

Voorts overweegt het hof dat, wat de uitleg ook moge zijn van andere zinsneden in de betreffende brief, de bewezenverklaarde bewoordingen dat hij aangeefster verrot wilde slaan en dat haar angsten zouden uitkomen, op zichzelf voldoende zijn voor de bewezenverklaarde bedreiging met zware mishandeling. De hiervoor weergegeven bewoordingen zijn naar het oordeel van het hof van dien aard en geuit onder zodanige omstandigheden, dat bij de bedreigde redelijkerwijs de vrees kon ontstaan dat verdachte de bedreigingen zou uitvoeren. Bovendien heeft aangeefster ook aangegeven dat zij vreesde dat verdachte de bedreigingen daadwerkelijk zou uitvoeren.
Het hof is van oordeel dat het enkele feit dat aangeefster niet direct na ontvangst van de brief aangifte heeft gedaan niet kan leiden tot de door de raadsman getrokken conclusie dat zij niet werkelijk bevreesd is geweest dat verdachte de bedreigingen zou uitvoeren.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,

meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,

terwijl deze bedreiging schriftelijk geschiedt.

ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde:

Bedreiging met zware mishandeling,

terwijl deze bedreiging schriftelijk geschiedt.

Strafbaarheid van de verdachte

Het hof heeft bij zijn beslissing omtrent de strafbaarheid van verdachte acht geslagen op de inhoud van een rapport van het Pieter Baan Centrum van 5 februari 2003, opgemaakt door A.T. Spangenberg, psycholoog, en A.C. Bruijns, psychiater, en een rapport van H.E. Sanders, psychiater, opgemaakt op 24 juni 2004, alsook op de verklaringen van voormelde personen ter terechtzitting van het hof, waarbij zij – kort samengevat – aangaven zich nog altijd te kunnen vinden in de in hun rapportages opgenomen beschouwingen, conclusie en advies.

Het rapport van het Pieter Baan Centrum houdt als conclusie omtrent de toerekeningsvatbaarheid van verdachte onder meer, zakelijk weergegeven, in:

Wij zijn van mening dat onderzochte ten tijde van het plegen van de hem tenlastegelegde feiten weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid – overeenkomstig een dergelijk besef – te bepalen.
De ondergetekenden concluderen dat onderzochte ten tijde van het plegen van de hem tenlastegelegde feiten lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, dat deze feiten – indien bewezen – hem slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend.


Het rapport van H.E. Sanders houdt als conclusie omtrent de toerekeningsvatbaarheid van verdachte onder meer, zakelijk weergegeven, in:

Ik acht onderzochte, gezien de aanwezigheid van de symptomatologie passend bij de gemengde persoonlijkheidsstoornis met vooral narcistische en paranoïde trekken en daarop gesuperponeerd een angststoornis, die zijn doen en laten overheersten ten tijde van het tenlastegelegde, sterk verminderd toerekeningsvatbaar ten aanzien van de hem tenlastegelegde feiten.

Het hof neemt de conclusie van het Pieter Baan Centrum op de in het rapport daarvoor bijgebrachte gronden over en maakt die tot de zijne. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de conclusie van Sanders slechts een voor de strafbaarheid van verdachte niet relevante gradatie verschilt van de conclusie van het Pieter Baan Centrum.

Het hof is derhalve van oordeel dat verdachte strafbaar is, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden- dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan ernstige misdrijven waarvoor een gevangenisstraf passend is.

Verdachte heeft middels een reeks bedreigingen van ernstige aard personen, goede bekenden van hem, bedreigd. Hij heeft hiermee bij deze personen gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. Daarnaast heeft hij, door op straat met een mes achter iemand aan te gaan, zoals het geval was bij het onder 1 bewezenverklaarde feit, niet alleen bij de direct betrokkenen gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt, maar tevens de binnen de maatschappij reeds levende gevoelens van onveiligheid vergroot.
Voorts heeft het hof in aanmerking genomen dat verdachte blijkens het uittreksel uit het justitieel documentatieregister in het verleden reeds eerder veroordeeld is wegens geweldsdelicten.

Anderzijds heeft het hof in aanmerking genomen dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht, zoals eerder is overwogen bij de strafbaarheid van verdachte.

Nu het hof tot een andere bewijsbeslissing komt zal het een lagere onvoorwaardelijke vrijheidsstraf opleggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd.

Het hof heeft bij haar beslissing omtrent de oplegging van de straf en de na te melden maatregel voorts acht geslagen op de inhoud van een rapport van het Pieter Baan Centrum van 5 februari 2003, opgemaakt door A.T. Spangenberg, psycholoog, en A.C. Bruijns, psychiater, alsook op de verklaringen van voormelde personen en de verklaring van H.E. Sanders, psychiater, als getuige-deskundigen ter terechtzittingen van het hof.

Het rapport van het Pieter Baan Centrum houdt als conclusies en advies onder meer, zakelijk weergegeven, in:

Betrokkene heeft een paranoïde persoonlijkheidsstoornis. Er ontwikkelde zich bij betrokkene een groot minderwaardigheidsgevoel. De aaneenschakeling van psychische spanningen, conflicten, het definitief vastlopen in werksituaties en het mislukken van een relatie vormde de aanleiding van de ernstige ontsporing van betrokkene waarbij de paranoïde persoonlijkheidsstoornis in al zijn heftigheid tot uiting kwam, terwijl betrokkene op geen wijze in staat was zijn, op ziekelijke achterdocht gebaseerde conclusies en daaruit voortvloeiend gedrag aan de realiteit te toetsen en te corrigeren. Tegelijkertijd geldt dat betrokkene door zijn stoornis juist problematische situaties oproept en bewerkstelligt dat anderen zich van hem afkeren. Betrokkene is zich van dit proces niet bewust.
De verschijnselen van de stoornis van betrokkene spelen vanaf het begin van 2000 een belangrijke rol. Ook bij de hem tenlastegelegde delicten komt de paranoïde persoonlijkheidsstoornis duidelijk tot uiting. Wij achten betrokkene dan ook verminderd toerekeningsvatbaar ten aanzien van de tenlastegelegde delicten, indien bewezen.

Omdat betrokkenes achterdocht niet tot rust komt als betrokkene zijn tegenmaatregelen heeft genomen, maar zijn psychisch evenwicht daarentegen verder in onbalans raakt en hij steeds meer mensen betrekt bij zijn ziekelijke argwaan, achten de onderzoekers de kans op herhaling van vergelijkbare delicten groot. Bij uitblijven van adequate behandeling zal betrokkenes woede toenemen en de problematiek zal zich verder uitbreiden, waarbij het agressieve geweld zal toenemen en er meer slachtoffers bij betrokken zullen raken. Betrokkenes draagkracht zal naar verwachting steeds verder afnemen met risico op psychotisch decompenseren.
Op grond van het bovenstaande adviseren wij uw college om betrokkene de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen.

Een minder ingrijpende maatregel wordt door het team ontoereikend geacht. Betrokkene heeft een ernstige stoornis met een duidelijke tendens tot verergering. Betrokkene is niet gemotiveerd voor een behandeling en zal behandelaars betrekken bij zijn paranoïde stoornis en zich waar mogelijk aan behandeling onttrekken. Ons inziens is slechts het gedwongen kader van een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging toereikend.

Bruijns heeft als getuige-deskundige ter terechtzitting van het hof van 28 juli 2004 – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard:

Ik kan me nog altijd vinden in de opgemaakte rapportage en de daarin opgenomen beschouwing, conclusie en advies.
Bij de inschatting van het herhalingsgevaar heeft met name het toenemende gevaar, gebaseerd op verdachtes paranoïdie, een rol gespeeld. De paranoïdie en de escalatie, ook de escalatie van de paranoïdie, heeft overheerst bij de inschatting van het herhalingsgevaar. Er is een toenemend gevaar dat verdachte de door hem geuite bedreigingen ook daadwerkelijk gaat uitvoeren. De kans dat de escalatie uitloopt op feitelijk fysiek geweld acht ik in de buurt van de 100%.
De gewone geestelijke gezondheidszorg is geen optie voor verdachte, omdat hij geen enkele motivatie heeft om behandeld te worden. Een opname buiten het justitiële kader zal daarom te vrijblijvend voor hem zijn.

Spangenberg heeft als getuige-deskundige ter terechtzitting van het hof van 28 juli 2004 – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard:

Ik kan me nog altijd vinden in de opgemaakte rapportage en de daarin opgenomen beschouwing, conclusie en advies.
Wij hebben geadviseerd tot een terbeschikkingstelling met dwangverpleging wegens het aanwezige recidivegevaar en escalatiegevaar. Een terbeschikkingstelling onder voorwaarden is bij verdachte niet mogelijk omdat deze maatregel waarschijnlijk alleen zal slagen als deze plaatsvindt onder voorwaarden die verdachte voor ogen heeft, maar die niet aansluiten bij de pathologie die behandeld moet worden om recidive te voorkomen.

Sanders heeft als getuige-deskundige ter terechtzitting van het hof van 18 maart 2005 – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard:

Vanuit de symptomatologie van verdachte is aan te nemen dat zijn gevoel van dreiging nog niet over is, zodat hij hierop zal reageren. Er is daarom een aanhoudend gevaar voor recidive. Het recidivegevaar staat in direct verband met de mate en ernst van de psychiatrische symptomatologie.

De uitspraak van verdachte ter terechtzitting dat hij geen psychiatrische hulp nodig heeft, niet wil meewerken aan een behandeling in een gesloten setting en geen medicatie zou accepteren, verbaast me niet. Ik denk dat hij niet in een inrichting wil worden opgenomen.

Het hof neemt het advies op de in het rapport van het Pieter Baan Centrum daarvoor bijgebrachte gronden over en maakt dat advies tot zijn oordeel.

Sanders heeft in zijn op 24 juni 2004 opgemaakte rapport alsook ter terechtzitting van het hof van 18 maart 2005 aangegeven de voorkeur te hebben voor behandeling van verdachte in een niet strafrechtelijk kader. Hiertoe heeft wellicht in enige fase de mogelijkheid bestaan, doch het hof is van oordeel, gelet op het in het rapport van het Pieter Baan Centrum, het door Bruijns en Spangenberg ter terechtzitting van het hof van 28 juli 2004 verwoorde en het door Sanders ter terechtzitting van het hof van 18 maart 2005 verwoorde recidivegevaar dat door hen onverminderd aanwezig wordt geacht, dat deze mogelijkheid thans is gepasseerd.

Daarbij heeft het hof voorts in aanmerking genomen dat zowel uit de rapportage van het Pieter Baan Centrum als uit de rapportage van Sanders, alsook uit de verklaringen van Bruijns, Spangenberg en Sanders ter terechtzitting van hof, is gebleken dat er gevaar bestaat voor de maatschappij, voor personen en voor verdachte zelf. Verder is zowel uit voornoemde bronnen alsook uit de verklaringen van verdachte zelf ter terechtzitting gebleken dat hij niet bereid is tot vrijwillige opname in een psychiatrische instelling of tot medicatiegebruik.


Uit hetgeen hiervoor is overwogen, blijkt dat bij verdachte tijdens het begaan van de bewezenverklaarde feiten een gebrekkige ontwikkeling en/of een ziekelijke soornis van de geestvermogens bestond. De bewezenverklaarde feiten zijn misdrijven waarvoor op grond van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht terbeschikkingstelling kan worden opgelegd.
De bewezenverklaarde feiten leveren gevaar op voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, terwijl uit de rapportages en verklaringen van de getuige-deskundigen blijkt dat voor recidive moet worden gevreesd. Gelet hierop en op hetgeen hiervoor overigens is overwogen, eist naar het oordeel van het hof de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel terbeschikkingstelling en de verpleging van overheidswege. Daarom zal het hof gelasten dat verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel dat hij van overheidswege wordt verpleegd.


Het na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, met betrekking tot hetwelk het onder 1 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Vordering tenuitvoerlegging

Het hof is ten aanzien van de vordering van de officier van justitie te Zutphen van 20 september 2002, tot tenuitvoerlegging van het bij vonnis van de meervoudige kamer te Zutphen van 20 november 2001 opgelegde voorwaardelijke deel van de straf, van oordeel, dat -nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt- de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis, dient te worden gelast.

Verzoek opheffing voorlopige hechtenis

De raadsman van verdachte heeft verzocht om opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte.
Het hof realiseert zich dat verdachte reeds lange tijd in voorlopige hechtenis verblijft. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, worden echter nog altijd bezwaren en gronden aanwezig geacht. Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis zal daarom worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 14h, 14i, 14j, 36b, 36c, 36d, 37a, 37b, 57 en 285 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart de dagvaarding in eerste aanleg wat betreft het onder 6 tenlastegelegde nietig.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 4 en 7 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

de in beslag genomen voorwerpen

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een mes.

tenuitvoerlegging

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer te Zutphen van 20 november 2001, te weten van:

gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

de voorlopige hechtenis

Wijst af het verzoek tot opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door

mr Ruys, voorzitter,

mrs Boekhorst Carrillo en Besier, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr Vodegel, griffier,

en op 1 april 2005 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Parketnummer: 21-003510-03

Aanvulling als bedoeld in artikel 365a juncto artikel 359, derde lid, juncto artikel 415 van het Wetboek van Strafvordering op het arrest van dit hof van 1 april 2005 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboorteplaats] 1968,

thans verblijvende in P.I. [plaats] .

Door het hof gebezigde bewijsmiddelen

Ten aanzien van feit 1

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit gerechtshof, meervoudige kamer voor strafzaken, op 28 juli 2004, voorzover inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Ik heb op 1 juli 2002 in Zutphen [slachtoffer 1] bedreigd met een mes.

2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0631/02-648401 (als dossierpagina 1.6 gevoegd bij proces-verbaal nr. PL0631/02-203887), door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , respectievelijk hoofdagent en brigadier-rechercheur van politie regio Noord en Oost Gelderland, en door hen gesloten en getekend op 2 juli 2002, voorzover inhoudende als de op die datum tegenover voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van verdachte – zakelijk weergegeven – :

Het klopt dat ik gisteren met een mes achter de heer [slachtoffer 1] ben aangelopen. Ik heb een brief geschreven waarin exact staat wat er is gebeurd. Die moet u maar bij de stukken voegen.

3. Een schriftelijk bescheid, zijnde een ongedateerde schriftelijke verklaring verdachte, als bijlage 1.7 gevoegd bij proces-verbaal nr. PL0631/02-203887, in het bijzonder voorzover inhoudende – zakelijk weergegeven – :

Ik heb een strubbeling met de heer [slachtoffer 1] gehad. Ik heb daarbij een mes getrokken. Ik heb naar hem geschopt. Ik heb geprobeerd angst te zaaien.

Dit geschrift wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

4. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0631/02-648401 (als dossierpagina 1.1 gevoegd bij proces-verbaal nr. PL0631/02-203887), door [verbalisant 3] , agent van politie regio Noord en Oost Gelderland, en door hem gesloten en getekend op 1 juli 2002, voorzover inhoudende als de op die datum tegenover voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 1] – zakelijk weergegeven – :

Op 1 juli 2002 liep ik in Zutphen. Ik zag [verdachte] aan komen rennen. Ik zag dat [verdachte] iets in zijn hand had. Ik zag dat [verdachte] hard op mij afrende. Ik stapte net op tijd naar rechts, zodat ik hem kon ontwijken. Terwijl ik hem ontweek, lukte het [verdachte] nog om mij met zijn rechterbeen hard tegen mijn linker scheenbeen te schoppen.
Ik zag dat [verdachte] een gevechtshouding had aangenomen. Ik zag dat [verdachte] in zijn rechterhand een mes had. [verdachte] had het mes zodanig vast dat hij ermee kon steken. Ik hoorde dat [verdachte] schreeuwde. Ik kan mijn gevoel op dat moment het best beschrijven als overlevingsdrift. Ik draaide me om en rende hard richting de Turfstraat. Ik keek om en ik zag dat [voornaam verdachte] hard achter mij liep met het mes nog in zijn hand. [voornaam verdachte] schreeuwde wel weer, maar ik weet niet wat. Ik bereikte de achterdeur van fotozaak Drent. Ik zag dat [verdachte] een harde klap tegen deze deur gaf, terwijl ik de deurkruk vasthield. Ik zag dat [verdachte] luid scheldend wegliep. Er waren twee grondwerkers die daar aan het werk waren. Zij zijn hier getuige van geweest.
Ik voel me ernstig bedreigd. Ik ben ervan overtuigd dat [voornaam verdachte] mij neergestoken zou hebben als ik niet weggerend was. Zijn hele gedrag was zeer beangstigend.

5. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0631/02-648401 (als dossierpagina 1.4 gevoegd bij proces-verbaal nr. PL0631/02-203887), door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie regio Noord en Oost Gelderland, en door hem gesloten en getekend op 1 juli 2002, voorzover inhoudende als de op die datum tegenover voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van [getuige] – zakelijk weergegeven – :

Op 1 juli 2002 bevond ik mij te Zutphen. Ik was met een aantal collega’s bezig met grondwerkzaamheden. Plotseling zag ik dat er een man aan kwam rennen die direct gevolgd werd door een andere man. De eerste man droeg een rode jas, de tweede man droeg een lichte trui. Ik zag dat de man met de rode jas hard rende. Hij liep naar de winkel Foto Brent. Ik zag dat de andere man hem volgde. Ik zag dat deze man in zijn hand een mes droeg. De man met de rode jas ging bij Foto Brent naar binnen. De man met de lichte trui wilde ook naar binnen. Ik zag dat dit niet lukte. Hij sloeg met zijn vuist op de deur.

6. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0631/02-648401 (als dossierpagina 1.5 gevoegd bij proces-verbaal nr. PL0631/02-203887), door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie regio Noord en Oost Gelderland, en door hem gesloten en getekend op 1 juli 2002, voorzover inhoudende als de op die datum tegenover voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van [getuige] – zakelijk weergegeven – :

Toen de man met de lichte trui voor de winkel stond, hoorde ik dat hij riep: “Ik krijg je nog wel een keer”.

Ten aanzien van feit 2

7. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit gerechtshof, meervoudige kamer voor strafzaken, op 28 juli 2004, voorzover inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Ik heb in de periode van 1 januari 2002 tot en met 30 mei 2002 in Arnhem [slachtoffer 2] bedreigd.

8. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0600/02-257870 (als dossierpagina 5.1 gevoegd bij proces-verbaal nr. PL0631/02-203887), door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie regio Noord en Oost Gelderland, en door hem gesloten en getekend op 30 mei 2002, voorzover inhoudende als de op die datum tegenover voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 2] – zakelijk weergegeven – :

Ik doe aangifte van bedreiging met de dood. Ik ben een vriendin van de moeder van [verdachte] . Ik ken [voornaam verdachte] hierdoor al 27 jaar. Ik woonde met [voornaam verdachte] , zijn zus en zijn moeder [voornaam moeder] samen in één huis. Ik voedde samen met [voornaam moeder] [voornaam verdachte] en zijn zus op.
Op oudejaarsavond is [voornaam verdachte] bij mij geweest. Na ongeveer een week belde [voornaam verdachte] mij op. Ik heb het antwoordapparaat aangezet. Vervolgens belde [voornaam verdachte] dagelijks. Hij deed bijna altijd hetzelfde verhaal. Hij begon mij te bedreigen en midden in de nacht op te bellen. Ik heb dit allemaal nog op band. [voornaam verdachte] bedreigde mij met de dood. Hij zei: “Als niemand mij wil geloven, dan gaan ze er allemaal aan. Eerst [voornaam slachtoffer 4] en dan de rest en jij als een van de laatsten. Ik zal als laatste het graf in gaan”. Ik voelde mij bedreigd en angstig. Ik ben bang dat [voornaam verdachte] het uitvoert. Ik neem de bedreigingen erg serieus.

9. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0631/02-648401 (als dossierpagina 2 gevoegd bij proces-verbaal nr. PL0631/02-203887), door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie regio Noord en Oost Gelderland, en door hem gesloten en getekend op 3 juli 2002, voorzover inhoudende als relaas van verbalisant – zakelijk weergegeven – :

Ik, verbalisant, ben sinds december 2001 wijkagent in [plaats] . Hierdoor heb ik ook ambtshalve contact met [verdachte] . De stiefmoeder van [verdachte] werd telefonisch met de dood bedreigd. Zij pakte de telefoon niet meer op en had standaard het antwoordapparaat aan staan. De meeste telefoongesprekken zijn op band opgenomen. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , ben nu in het bezit van deze opnamen en heb ze beluisterd. Op de opname heb ik gehoord dat [voornaam verdachte] zijn stiefmoeder met de dood bedreigt.

Ten aanzien van feit 3

10. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit gerechtshof, meervoudige kamer voor strafzaken, op 28 juli 2004, voorzover inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Ik heb in de periode van 1 juli 2002 tot en met 18 april 2002 in Zutphen [slachtoffer 3] bedreigd.

11. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0631/02-241845 (als dossierpagina 4.1 gevoegd bij proces-verbaal nr. PL0631/02-203887), door [verbalisant 4] , agent van politie regio Noord en Oost Gelderland, en door haar gesloten en getekend op 18 april 2002, voorzover inhoudende als de op die datum tegenover voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 3] – zakelijk weergegeven – :

Ik doe aangifte van bedreiging.
Ik ben werkzaam bij het Spectrum als psycholoog. Ik heb [verdachte] van mei 2000 tot en met juni 2001 in behandeling gehad.
Op 12 april 2002 kreeg ik een telefoontje van agent [verbalisant 1] met de mededeling dat er een brief van [verdachte] circuleert waarin ik bedreigd word. Agent [verbalisant 1] heeft de brief op mijn kantoor gebracht. In de brief stond letterlijk: “Nu mijn boosheid van het waarom ik onder andere [slachtoffer 3] om zeep ga helpen”. Ik voel me hierdoor bedreigd. Bij mij bestond de overtuiging dat [voornaam verdachte] zijn bedreiging werkelijk zou uitvoeren.

12. Een schriftelijk bescheid, zijnde een ongedateerde brief met als afzender [verdachte] , als bijlage 11.1 gevoegd bij proces-verbaal nr. PL0631/02-203887, in het bijzonder voorzover inhoudende – zakelijk weergegeven – :

Nu mijn boosheid van het waarom ik onder andere [slachtoffer 3] om zeep ga helpen.
Deze brief gaat ook naar de pers.

Dit geschrift wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

13. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0631/02-648401 (als dossierpagina 2 gevoegd bij proces-verbaal nr. PL0631/02-203887), door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie regio Noord en Oost Gelderland, en door hem gesloten en getekend op 3 juli 2002, voorzover inhoudende als relaas van verbalisant – zakelijk weergegeven – :

Ik, verbalisant, ben sinds december 2001 wijkagent in [plaats] . Hierdoor heb ik ook ambtshalve contact met [verdachte] . [voornaam verdachte] schreef vele brieven naar verschillende instanties, onder andere politie, justitie, reclassering en het GAK en naar zijn familie. Zijn psycholoog [slachtoffer 3] en zijn reclasseringsambtenaar [slachtoffer 1] werden in deze brieven bedreigd.

Ten aanzien van feit 5

14. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit gerechtshof, meervoudige kamer voor strafzaken, op 28 juli 2004, voorzover inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Ik heb in de periode van 1 maart 2002 tot en met 5 april 2002 [slachtoffer 4] bedreigd.

15. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0600/02-236922 (als dossierpagina 2.1 gevoegd bij proces-verbaal nr. PL0631/02-203887), door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie regio Noord en Oost Gelderland, en door hem gesloten en getekend op 5 april 2002, voorzover inhoudende als de op die datum tegenover voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 4] – zakelijk weergegeven – :

Ik doe aangifte van bedreiging. Ik ben de tante van [verdachte] . Sinds twee weken stuurt [voornaam verdachte] brieven naar mijn buren. In de brief van 18 maart 2002 schreef [voornaam verdachte] dat mijn angsten uit zouden komen en dat hij mij verrot wil slaan. Ik ben bang dat [voornaam verdachte] mij iets aandoet. Bij mij bestond de overtuiging dat [voornaam verdachte] zijn bedreiging werkelijk zou uitvoeren.
De brieven die ik en mijn buren hebben ontvangen, zal ik aan u overhandigen als bewijsvoering.

Getekend door de voorzitter en de griffier op