Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2004:AR8865

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
30-11-2004
Datum publicatie
07-01-2005
Zaaknummer
B04/545
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art 1:45 lid 1 BW, aflegging beedigde verklaring in verband met voorgenomen huwelijk.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2005/18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 november 2004

Familiekamer

Rekestnummer 545/2004

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[verzoekster],

en

[verzoeker],

beiden wonende te Lelystad,

verzoekers, afzonderlijk te noemen respectievelijk

“verzoekster” en “verzoeker”,

procureur mr E.Kliijn,

tegen

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Lelystad,

zetelend te Lelystad, verder te noemen “de ambtenaar”.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Zwolle van 8 april 2004, uitgesproken onder zaaknummer 91629 FARK 03-3300.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 1 juli 2004, zijn verzoekers in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Zij verzoeken het hof die beschikking te vernietigen.

2.2 Namens de ambtenaar van de burgerlijke stand is geen verweerschrift ingediend.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 4 november 2004 plaatsgevonden. Verzoekers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door mr T.L. Tan, advocaat te Amsterdam. Hoewel behoorlijk opgeroepen is namens de ambtenaar geen vertegenwoordiger verschenen.

2.4 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een brief van 4 november 2004 van het Openbaar Ministerie waarin de advocaat-generaal concludeert dat er geen overwegingen van openbare orde of algemeen belang zijn die namens het Openbaar Ministerie bij het hof onder de aandacht moeten worden gebracht en dat de advocaat-generaal zich verder van advies onthoudt.

2.5 Voorts heeft het hof kennis genomen van de door mr Tan tijdens de mondelinge behandeling overgelegde brief van 24 september 2004 van de minister van Buitenlandse Zaken aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal betreffende de voorgenomen wijziging in het beleid ten aanzien van de legalisatie en verificatie van buitenlandse documenten. (Tweede Kamer, vergaderjaar 2004-2005, 29 831, nr 1).

3 De vaststaande feiten

Ten aanzien van verzoekers

3.1 Volgens de overgelegde uittreksels uit de basisadministratie van de gemeente Lelystad van 11 november 2003 hebben verzoekers de Ghanese nationaliteit, verblijft verzoeker sinds 8 januari 1991 en verzoekster sinds 6 november 1997 in Nederland, en zijn uit hun relatie twee kinderen geboren, op 10 juni 1998 en 1 maart 2001.

3.2 Verzoekers hebben uittreksels uit het geboorteregister, alsmede een huwelijksakte ter legalisatie en verificatie aangeboden bij de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging te Accra (Ghana).

3.3 Bij beschikking van 21 mei 1999 heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken geweigerd de door verzoekster bij de Nederlandse vertegenwoordiging te Accra aangeboden documenten te legaliseren.

3.4 Bij brief van 30 juni 1999 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen deze beslissing. Op 18 april 2000 heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken bevindingen van het onderzoek kenbaar gemaakt. Deze bevindingen kwamen er onder andere op neer dat de juistheid van de gegevens van het door verzoeker respectievelijk verzoekster overgelegde uittreksel uit het geboorteregister en de overgelegde huwelijksakte van verzoekers niet door onafhankelijke bronnen worden bevestigd. Ten aanzien van het geboorte uittreksel van verzoekster bestond gerede twijfel omtrent de afstamming naar vaders zijde en omtrent de juistheid van de geboortedatum. Daarnaast werd erop gewezen dat de huwelijksakte niet rechtsgeldig is en derhalve niet kan worden gelegaliseerd.

3.5 Bij brief van 7 februari 2001 heeft verzoekster haar bezwaarschrift ingetrokken.

3.6 Verzoekers hebben opnieuw uittreksels uit het geboorteregister ter legalisatie en verificatie aangeboden bij de Nederlandse vertegenwoordiging te Accra.

3.7 Bij beschikking van 1 juni 2001 heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken geweigerd de door verzoekster bij de Nederlandse vertegenwoordiging te Accra aangeboden documenten te legaliseren.

3.8 Tegen deze beslissing heeft verzoekster bij brief van 5 juli 2001 bezwaar gemaakt op bij brief van 28 maart 2003 nader aangevoerde gronden.

3.9 Voormeld bezwaar is bij beslissing van 19 augustus 2003 ongegrond verklaard onder meer omdat er grote discrepanties bestaan tussen de geboorteakten van verzoekers die bij de eerste aanvraag werden aangeboden en de akten die bij de laatste legalisatie werden aangeboden. Bij het door verzoekster overgelegde geboortebewijs werd opgemerkt dat deze niet rechtsgeldig is naar lokaal recht omdat geen originele registratie in het geboorteregister is teruggevonden. Voorts is bij deze beslissing een beroep op artikel 4:84 Abw verworpen omdat de in het bezwaarschrift genoemde omstandigheden, namelijk dat verzoekers er niet in slagen met hulp uit onafhankelijke, objectieve bronnen de inhoudelijke juistheid van de ter legalisatie aangeboden documenten te onderbouwen, geen bijzondere omstandigheid in de zin van dat artikel vormt.

3.10 Verzoekers zijn voornemens met elkaar in het huwelijk te treden en hebben in verband hiermee bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Lelystad aangifte gedaan van hun voorgenomen huwelijk.

3.11 De ambtenaar heeft bij brief van 7 oktober 2003 geweigerd over te gaan tot het opmaken van een akte van huwelijksaangifte van verzoekers omdat de Nederlandse ambassade te Accra (Ghana) heeft geweigerd de aangeboden documenten te legaliseren, het namens verzoekster ingestelde bezwaar ongegrond is verklaard en zonder een gelegaliseerd en inhoudelijk geverifieerd geboortebewijs van verzoekster haar identiteit niet kan worden vastgesteld.

3.12 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank te Zwolle op 17 november 2003, hebben verzoekers verzocht de ambtenaar te gelasten hen een beëdigde verklaring te laten afleggen als bedoeld in artikel 1:45, lid 3 BW en alsnog de akte huwelijksaangifte op te maken.

3.13 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van verzoekers afgewezen en het besluit van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Lelystad van 7 oktober 2003 bekrachtigd.

4 De motivering van de beslissing

4.1 Verzoekers voeren onder meer aan dat de ambtenaar de huwelijksaangifte en eedsaflegging uitsluitend heeft geweigerd omdat verzoekers geen gelegaliseerde geboorteakte hebben overgelegd, zodat de ambtenaar in redelijkheid niet zelf heeft kunnen oordelen of er gerede twijfel bestaat omtrent de identiteit en afstamming van verzoekers.

4.2 Naar het oordeel van het hof dient ervan te worden uitgegaan dat de ambtenaar het tot zijn taak mag (en moet) rekenen te waarborgen dat de door hem op te maken akten een zo hoog mogelijk waarheidsgehalte hebben. Voor wat betreft het opmaken van een akte van huwelijksaangifte betekent dit dat hij dient te kunnen beschikken over de persoons- en afstammingsgegevens van de betrokkenen, zulks om te kunnen nagaan of er -naar Nederlands recht- huwelijksbeletselen zijn. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat het de ambtenaar vrijstaat iemand tot de in artikel 1:45 lid 3 BW bedoelde eedsaflegging te weigeren, indien hij gerede twijfel heeft en in redelijkheid kan hebben over de identiteit en afstamming van de betrokkenen. Het hof zal dan ook onderzoeken of de ambtenaar omtrent de persoons- en afstammingsgegevens van verzoekers twijfel heeft en die twijfel ook in redelijkheid kan hebben.

4.3 Uit de onder 3.11 vermelde brief van 7 oktober 2003 leidt het hof af dat de ambtenaar kennelijk twijfelt aan de identiteit en afstamming van verzoekers omdat de ambassade te Accra geweigerd heeft de overgelegde geboortebewijzen van verzoekers te legaliseren en dus de identiteit van verzoekers niet kan worden vastgesteld. In die brief is niet aangegeven, anders dan dat legalisatie van de geboortebewijzen van verzoekers is geweigerd, omtrent welke concrete gegevens met betrekking tot de identiteit en afstamming van verzoekers hij twijfelt. De ambtenaar heeft in hoger beroep geen verweer gevoerd en is ook niet ter zitting verschenen. Aldus heeft de ambtenaar onvoldoende duidelijkheid verschaft op grond van welke gegevens hij gerede twijfel had omtrent de identiteit en afstamming van verzoekers en heeft hij, zoals in hoger beroep onweersproken vast staat, nagelaten die gegevens zelfstandig nader te onderzoeken.

4.4 Voorts verwijst het hof naar twee door verzoekers overgelegde uitspraken van de Raad van State van 8 september 2004 waarbij is vastgesteld dat legalisatie van buitenlandse openbare akten slechts kan strekken tot bevestiging van de formele echtheid van een document en niet tot het bieden van uitsluitsel omtrent de juistheid van de inhoud ervan. Indien in procedures onder Nederlands recht twijfel rijst over de juistheid van de inhoud van een document, kan aan diplomatieke of consulaire ambtenaren worden verzocht de daarin vermelde feiten te doen verifiëren. Aan de hand van de uitkomsten van dat verificatieonderzoek kan door de Nederlandse instanties worden beoordeeld of het document zijn door de houder beoogde rol als bewijsstuk kan vervullen in de procedure waarvoor het als bewijsstuk nodig is. Naar aanleiding van voormelde uitspraken van de Raad van State heeft de minister van Buitenlandse Zaken de hiervoor onder 2.5 vermelde brief aan de Tweede Kamer geschreven waarin hij aangeeft dat het legaliseren van brondocumenten niet meer afhankelijk mag worden gesteld van de uitkomst van het verificatieonderzoek. Legalisatie zal derhalve, enkel en alleen, plaats moeten vinden op basis van een oordeel over formele echtheid. De minister ziet zich derhalve genoodzaakt het legalisatie- en verificatiebeleid te herzien, aldus voormelde brief van de minister.

4.5 Voor zover de ambtenaar betoogt dat verzoekers niet tot de in artikel 1:45 lid 3 BW bedoelde eedsaflegging kunnen worden toegelaten omdat een geboorteakte niet ontbreekt en de genoemde wetsbepaling derhalve geen toepassing vindt omdat verzoekers beschikken over niet gelegaliseerde geboorteakte(n) dient dit betoog te worden verworpen nu naar het oordeel van het hof de situatie waarin een persoon beschikt over niet gelegaliseerde geboorteakte(n) gelijk gesteld dient te worden met de situatie waarin een geboorteakte ontbreekt.

4.6 Op grond van het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat de ambtenaar er onvoldoende blijk van heeft gegeven zelfstandig te hebben onderzocht of omtrent de identiteit en afstamming van verzoekers gerede twijfel bestaat en of er termen aanwezig zijn om verzoekers niet tot de in artikel 1:45 lid 3 BW bedoelde eed toe te laten. Onder deze omstandigheden en bij gebreke van feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel nopen, moet het ervoor worden gehouden dat de ambtenaar niet in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat omtrent de identiteit en afstamming van verzoekers gerede twijfel bestaat.

4.7 Het hof overweegt voorts dat door de weigering van de legalisatie van de geboorteaktes en de weigering van de ambtenaar verzoekers toe te laten tot het afleggen van een beëdigde verklaring waardoor het opmaken van een akte van huwelijksaangifte niet mogelijk is, kunnen verzoekers niet met elkaar huwen. Verzoeker verblijft al vanaf 1991 in Nederland, hij beschikt over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en hij heeft met verzoekster twee kinderen die in Nederland zijn geboren welke kinderen een van hem afhankelijke verblijfsvergunning hebben. Voorts wonen verzoekers al meerdere jaren, in elk geval vanaf 1997, samen. Indien verzoekers niet met elkaar kunnen huwen houdt verzoekster bovendien geen uitzicht op een verblijfsvergunning en moet zij rekening houden met beëindiging van haar gezinsleven met verzoeker en hun kinderen in Nederland vanwege uitzetting naar Ghana. Van verzoeker kan niet verlangd worden dat hij verzoekster volgt omdat hij hier een goede baan heeft en kostwinner is; hij is reeds acht jaar werkzaam als vliegtuigmonteur.

4.8 Op grond van het vorenstaande is het hof, anders dan de rechtbank, dan ook van oordeel dat verzoekers moeten worden toegelaten tot het afleggen van de eed als bedoeld in artikel 1:45 lid 3 BW en alsnog de akte van huwelijksaangifte dient te worden opgemaakt.

4.9 Verzoekers hebben voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verzocht de ambtenaar te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties. Nu de ambtenaar in hoger beroep niet is verschenen en aldus niet de mogelijkheid heeft gehad op deze vermeerdering van het verzoek te reageren zal het hof dat verzoek afwijzen en de kosten compenseren.

5 De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hierboven is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te vernietigen.

5.2 Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank te Zwolle van 8 april 2004 en opnieuw beschikkende:

beveelt de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Lelystad verzoekers in de gelegenheid te stellen om de in artikel 1:45 lid 3 BW bedoelde beëdigde verklaring af te leggen en alsnog de akte van huwelijksaangifte op te maken;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs Hooft Graafland, Wammes en Van Ginhoven en is op 30 november 2004 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.