Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2004:AR8769

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
16-11-2004
Datum publicatie
05-01-2005
Zaaknummer
B04/522
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art 1:253a BW, geschil tussen ouders over inenting kind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 november 2004

Familiekamer

Rekestnummer 2004/522

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, verder te noemen “de moeder”,

procureur: mr F.J. Boom,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder, verder te noemen “de vader”,

procureur: mr J.H. Schaap.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Almelo van 31 maart 2004, uitgesproken onder zaaknummer 60570 FA RK 03-695.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 24 juni 2004, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Zij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en de man alsnog in zijn verzoek ex artikel 1:253a BW niet-ontvankelijk te verklaren, c.q. dit verzoek af te wijzen, kosten rechtens.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen per fax ter griffie van het hof op 26 juli 2004, heeft de vader het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden. Hij verzoekt het hof de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren c.q. haar verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 2 november 2004 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de moeder bijgestaan door mr H.B. Reinalda, advocaat te Enschede, en de vader bijgestaan door mr B.A.M. Oude Breuil, advocaat te Enschede. Namens de Raad voor de Kinderbescherming te Almelo (verder te noemen “de raad”) is mr [...] verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1 Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit het huwelijk van partijen zijn geboren [zoon], op 15 juni 1995 (verder te noemen “[zoon]”) en [dochter], op 21 november 1996 (verder te noemen “[dochter]”). Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. De gewone verblijfplaats van de kinderen is bij de moeder.

3.2 De moeder heeft zich tot de rechtbank te Almelo gewend met het verzoek een omgangsregeling vast te stellen (zaaknummer 55879/ FA RK 03-49). In de loop van dat geding heeft de vader bij brief van zijn raadsman van 20 oktober 2003 de rechtbank verzocht een beslissing ex artikel 1:253a BW te nemen over een geschil tussen de vader en de moeder over het laten inenten van de kinderen. De rechtbank heeft dit verzoek, dat de vader in een processtuk betreffende de omgangsregeling heeft verwoord, als een nieuwe procedure behandeld onder zaaknummer 60570 FA RK 03-695.

3.3 Op 19 november 2003 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden over dat verzoek. Vervolgens hebben beide partijen nadere stukken in het geding gebracht. De mondelinge behandeling is op 25 februari 2004 voortgezet.

3.4 Bij bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de kinderen zullen worden gevaccineerd overeenkomstig het advies van de Stichting Entorganisatie voor Overijssel en Flevoland, alsmede tegen meningokokken worden ingeënt en dat de vader met de kinderen meegaat als ze ingeënt moeten worden, tenzij de moeder aangeeft dat zelf te willen doen.

4 De motivering van de beslissing

4.1 Kort samengevat gaat het in deze zaak om het volgende. Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over hun kinderen die bij de moeder wonen. De moeder is gestopt met het laten inenten van de kinderen omdat zij van oordeel is dat de bijwerkingen die de kinderen daarvan ondervinden voor hen te nadelig zijn. Volgens de vader worden de medische klachten van de kinderen echter niet veroorzaakt door de inentingen en is het in het belang van de kinderen dat zij worden ingeënt volgens het rijksvaccinatieprogramma. De rechtbank heeft op de voet van artikel 1:253a BW op verzoek van de vader een beslissing genomen over dit geschil tussen partijen en bepaald dat de kinderen alsnog zullen worden ingeënt. De moeder voert vier grieven aan tegen die beschikking.

4.2 De moeder klaagt met grief 1 over het verloop van de procedure in eerste aanleg. De moeder had een procedure met betrekking tot een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen aanhangig gemaakt. Vooruitlopend op de mondelinge behandeling in die procedure, heeft de raadsman van de vader bij brief van 20 november 2003 de rechtbank nadere informatie verstrekt. In die brief is tevens de gezondheid van de kinderen aan de orde gesteld en heeft de vader de rechtbank expliciet verzocht een beslissing te nemen op de voet van artikel 1:253a BW over de de noodzaak om de kinderen te laten inenten. De rechtbank heeft dat verzoek als een nieuwe procedure aangemerkt. De moeder stelt dat de rechtbank de vader in dat verzoek niet-ontvankelijk had dienen te verklaren omdat het in strijd is met een behoorlijke procesorde dat de aan de orde zijnde procedure omtrent de omgangsregeling is uitgemond in de bestreden beschikking en, subsidiair, de man ten onrechte heeft nagelaten zich met een zelfstandig verzoekschrift tot de rechtbank te wenden bij zijn verweerschrift in de procedure omtrent de omgangsregeling.

4.3 Niet valt in te zien welk belang de moeder heeft bij deze klacht nu gesteld noch gebleken is dat zij in haar processuele belangen is geschaad. Hoewel slechts uit het kopje “onderwerp” en het rekestnummer in de aanhef van de oproep voor de mondelinge behandeling blijkt dat de rechtbank het onderhavige verzoek als een nieuwe procedure ging behandelen, valt niet in te zien dat de moeder door deze procesrechtelijke gang van zaken in haar belangen is geschaad. De rechtbank heeft beide partijen immers de gelegenheid gegeven om nadien stukken in het geding te brengen terwijl de mondelinge behandeling, die op 19 november 2003 heeft plaatsgevonden, is voortgezet op 25 februari 2004. Evenmin berust het door de moeder gestelde vereiste, dat het onderhavige verzoek van de vader als zelfstandig tegenverzoek had moeten worden ingesteld op het recht. Het enkele feit dat er twee keer griffierecht is geheven leidt niet tot een ander oordeel, nu dit niet anders zou zijn geweest ingeval de vader een zelfstandig verzoekschrift zou hebben ingediend. De grief faalt mitsdien.

4.4 De grieven 2, 3 en 4, waarmee de moeder klaagt over het oordeel van de rechtbank dat het in het belang van de kinderen is om ingeënt te worden, lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

4.5 Vooropgesteld dient te worden dat de moeder geen principiële of godsdienstige bezwaren heeft tegen het laten inenten van de kinderen overeenkomstig het Rijksvaccinatieprogramma. Zoals uit het beroepschrift blijkt en door de moeder ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is bevestigd, verzet zij zich tegen de inenting van de kinderen omdat de kinderen in haar visie lichamelijke klachten zullen ondervinden als bijwerkingen ten gevolge van de inentingen. Nu uit de stellingen van de moeder volgt dat zij met de vader van oordeel is dat in beginsel van haar verlangd kan worden dat zij de kinderen laat inenten, terwijl de vader betwist dat de in het verleden bij de kinderen geconstateerde medische klachten het gevolg zijn van de inentingen, dient de moeder aannemelijk te maken dat inentingen van de kinderen bij hen lichamelijke klachten ten gevolge zullen hebben. De hiertegen gerichte klacht van de moeder faalt om die reden.

4.6 Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de moeder er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de bij de kinderen in het verleden geconstateerde medische problemen zijn veroorzaakt door de inentingen. Immers, uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 19 november 2003 blijkt dat de moeder heeft verklaard dat de huisarts de mening was toegedaan dat er geen verband bestond tussen de klachten van de kinderen en de inentingen. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling ten overstaan van het hof heeft de moeder hierover verklaard dat zij na de eerste inenting van [zoon] de huisarts heeft geconsulteerd die echter geen relatie zag met de inenting en dat zij, gelet op deze mededeling, niet opnieuw de huisarts heeft geraadpleegd na de daarop volgende inenting. Wel heeft zij het consultatiebureau telefonisch benaderd dat reageerde met de mededeling dat het mogelijk was dat er bijwerkingen optraden. De moeder heeft echter het consultatiebureau niet bezocht. Gesteld noch gebleken is dat zij andere artsen heeft geraadpleegd. De moeder heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat eventuele toekomstige inentingen eveneens tot lichamelijke klachten zullen leiden.

4.7 Het hof acht de door de moeder overgelegde informatie van de Nederlandse Vereniging Kritisch Prikken niet voldoende overtuigend ten aanzien van [zoon] en [dochter]. Hoewel uit die informatie blijkt dat ernstige bijwerkingen kunnen optreden na inentingen van kinderen, volgt uit die informatie niet dat dit bij [zoon] en [dochter] het geval was of zal zijn, terwijl de moeder dat ook niet overigens aannemelijk heeft gemaakt.

4.8 Voor zover de moeder bedoelt te stellen dat de vader niet kan terugkomen op zijn eerdere berusting in de toestand dat de kinderen niet meer zouden worden ingeënt, althans dat hij zijn rechten dienaangaande heeft verwerkt, verwerpt het hof die stelling. Daargelaten dat de vader heeft betwist dat hij zich daarbij heeft neergelegd en dat hij heeft gesteld dat de situatie omstreeks de echtscheiding er niet naar was om over het achterwege laten van de inenting te klagen, is het hof van oordeel dat een verzoek als het onderhavige slechts aan een termijn gebonden is voor zover het betreft de (on)mogelijkheid van de uitvoering daarvan, nu het gaat om de vraag wat in het belang is van de kinderen.

4.9 Uit het voorgaande volgt dat de grieven falen. De vader heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling onbestreden verklaard dat recente informatie van zijn huisarts heeft uitgewezen dat het nog steeds mogelijk en zinvol is om de kinderen te laten inenten. De raad heeft geadviseerd de kinderen te laten inenten. Hoewel er geen sprake is van een levensbedreigende situatie voor de kinderen en het in feite een geschil tussen de ouders betreft, is de raad van oordeel dat het zowel in het belang van het kind, als in het algemeen belang is, om de kinderen te laten inenten.

4.10 Het hof sluit zich bij het advies van de raad aan. Nu bovendien de bezwaren van de moeder zich niet specifiek richten tegen de in het dictum van de bestreden beschikking geformuleerde vaccinatie, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

4.11 Aangezien partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de uit dat huwelijk geboren kinderen betreft, zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren als hierna vermeld.

De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank te Almelo van 31 maart 2004;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs Hooft Graafland, Wesseling-Lubberink en Wammes en is op 16 november 2004 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.