Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2004:AR8445

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
02-11-2004
Datum publicatie
29-12-2004
Zaaknummer
B04/408
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

familierecht. Hoger beroep tegen vaststelling bijdrage in de kosten van levensonderhoud.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 november 2004

Familiekamer

Rekestnummer 408/2004

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in het principaal beroep,

verweerder in het incidenteel beroep,

verder te noemen “de man”,

procureur mr J.M.J. Huver,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in het principaal beroep,

verzoekster in het incidenteel beroep,

verder te noemen “de vrouw”,

procureur mr J.M.J. Huver.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 23 februari 2004, uitgesproken onder zaak/rekestnummer 97978 / FA RK 03-10637.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 19 mei 2004, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Hij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, het tussen partijen gesloten convenant en de beschikking van de rechtbank te Zutphen van 23 mei 2002 te wijzigen en

a. de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de hierna te noemen [K.] per maand en met ingang van 12 juni 2002 vast te stellen primair op € 550,-, subsidiair op een bedrag tussen de € 550,- en € 750,-, meer subsidiair op € 750,-;

b. de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw vast te stellen

-van 12 juni 2002 tot 1 augustus 2002 op € 1.100,- per maand;

-van 1 augustus 2002 tot 1 november 2002 op € 725,- per maand;

-primair: vanaf 1 november 2002 op nihil;

-subsidiair: van 1 november 2002 tot 1 augustus 2004 op € 725,- per maand;

van 1 augustus 2004 tot 19 mei 2010 op € 375,- per maand;

met ingang van 19 mei 2010 op nihil;

en voorts te bepalen dat:

c. de overige in het convenant overeengekomen bijdragen in de kosten van levensonderhoud (het hof leest) van de vrouw en van verzorging en opvoeding (het hof leest) van de hierna te noemen [K.] vervallen;

d. de vrouw aan de man dient te restitueren € 48.518,- te verhogen met de na 19 mei 2004 teveel betaalde alimentatie.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 22 juni 2004, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. Daarbij heeft zij tevens incidenteel beroep ingesteld. Zij verzoekt het hof de man in zijn verzoek in het principaal beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans dat verzoek af te wijzen en in het incidenteel beroep de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende:

A. de bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud per maand vast te stellen:

4. van 12 juni 2002 tot 1 januari 2003 op € 1.100,-;

2. van 1 januari 2003 tot 1 april 2003 op € 1.446,-;

3. van 1 april 2003 tot 1 oktober 2003 op € 1.592,-;

4. van 1 oktober 2003 tot 1 maart 2004 op € 3.368,-;

5. vanaf 1 maart 2004 op € 2.798,-;

B. de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [K.] per maand vast te stellen:

1. van 12 juni 2002 tot 1 januari 2003 op € 1.000,-;

2. vanaf 1 januari 2003 op € 1.185,-;

en de man te veroordelen in de kosten van de procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

2.3 Daarop heeft de man in het incidenteel beroep een verweerschrift ingediend, ingekomen ter griffie van het hof op 12 juli 2004, waarin hij het hof verzoekt de vrouw in haar verzoek in het incidenteel beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel dat verzoek af te wijzen en de vrouw in de kosten van het geding in hoger beroep te veroordelen.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 7 oktober 2004 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de man bijgestaan door mr J.J.H. van Eldik, advocaat te Arnhem en de vrouw bijgestaan door mr C.H. Tjabringa, advocaat te Hattem.

2.5 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een fax-brief van 5 oktober 2004 van mr Tjabringa met bijlagen en een fax-brief van mr Van Eldik van 6 oktober 2004 met bijlagen.

3 De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 26 september 1997 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 23 mei 2002 heeft de rechtbank te Zutphen echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 12 juni 2002 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Uit het huwelijk van partijen is op 21 februari 1998 [K.] geboren, over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.3 Partijen hebben, om de gevolgen van hun echtscheiding te regelen, op 22 april 2002 een convenant opgemaakt en ondertekend, waarin zij onder meer zijn overeengekomen dat de man met ingang van 1 juni 2002 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [K.] van € 635,- per maand zal betalen, te vermeerderen met de kosten zoals van sportverenigingen en onderwijs en, eveneens met ingang van 1 juni 2002, een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van € 454,- per maand, met de bepaling dat deze bijdrage, indien de vrouw voor het huren van passende woonruimte meer huur zal moeten betalen dan € 545,- per maand, met het bruto equivalent van het meerdere zal worden verhoogd. Bij voormelde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank op het gezamenlijk verzoek van partijen de alimentatie voor de vrouw vastgesteld op € 454,- per maand en de alimentatie voor [K.] op € 635,- per maand, beide bedragen met ingang van 1 juni 2002 maar niet eerder dan de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in bedoelde registers.

3.4 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank te Arnhem op 24 maart 2003, heeft de man, stellende dat er bij de overeengekomen bijdragen sprake is van grove miskenning van de wettelijke maatstaven als bedoeld in art. 1:401 lid 5 BW, verzocht te verklaren voor recht dat de behoefte van de vrouw dient te worden gerelateerd aan de welstand van partijen tijdens het huwelijk en derhalve maximaal € 1.125,- netto per maand bedraagt, vast te stellen dat de bepalingen met betrekking tot levensonderhoud in het echtscheidingsconvenant in strijd zijn met de wettelijke maatstaven en dat convenant met betrekking tot levensonderhoud te wijzigen en de in het convenant overeengekomen partneralimentatie en kinderalimentatie te wijzigen en die bedragen vast te stellen op bedragen die de rechtbank redelijk acht voor zowel de periode vanaf 1 juni 2002 tot de datum van de verkoop van de voormalige echtelijke woning te [woonplaats], als voor de periode daarna en bij de bepaling van de alimentatie rekening te houden met de gewijzigde omstandigheden ingaande 1 april 2003, kosten rechtens.

3.5 De vrouw heeft verweer gevoerd en bij zelfstandig verzoek verzocht, eveneens stellende dat er bij de overeengekomen bijdragen sprake is van grove miskenning van de wettelijke maatstaven, het convenant te wijzigen en de bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 1 juni 2002 tot de datum van levering van de echtelijke woning vast te stellen op € 2.849,50 per maand en daarna op € 3.804,50 per maand en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [K.] met ingang van 1 juni 2002 tot het moment dat de man meer is gaan verdienen ten gevolge van zijn directeurschap van het filiaal van [...] in Denemarken/Finland vast te stellen op € 1.250,- per maand en daarna op € 1.750,- per maand.

3.6 Tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft de vrouw haar verzoek gewijzigd en verzocht de bijdrage voor [K.] vast te stellen op € 900,- per maand tot de salarisverhoging van de man en daarna op € 1.150,- per maand en voor haarzelf op respectievelijk € 3.502,- en € 3.447,- per maand.

3.7 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank overwogen dat er sprake is van grove miskenning van de wettelijke maatstaven aan de zijde van de vrouw bij de totstandkoming van de bedragen in het convenant, het echtscheidingsconvenant van 22 april 2002 en de beschikking van de rechtbank te Zutphen van 23 mei 2002 gewijzigd en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [K.] met ingang van 12 juni 2002 op € 1.000,- per maand vastgesteld en de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw:

- van 12 juni 2002 tot 1 januari 2003 op € 675,- per maand;

- van 1 januari 2003 tot 1 april 2003 op € 964,- per maand;

- van 1 april 2003 tot 1 oktober 2003 op € 1.061,- per maand;

- van 1 oktober 2003 tot aan de datum van het transport van de nieuwe woning van de man op € 2.245,- per maand en daarna op € 1.758,- per maand.

De rechtbank heeft de kosten gecompenseerd en het meer of anders verzochte afgewezen.

Ten aanzien van de man

3.8 De man is op 15 juli 2002 gaan samenwonen en in november 2002 gehuwd met [partner ] (verder te noemen "[partner]"), die in eigen levensonderhoud voorziet. [partner ] werkte aanvankelijk 30 uur per week en werkt sinds januari 2004 24 uur per week. Haar inkomen bedraagt blijkens de specificatie van augustus 2003 € 2.709,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantiegeld. Uit dat huwelijk is op 30 maart 2003 een dochter, [Y.], geboren.

Het inkomen van de man bedroeg blijkens de desbetreffende jaaropgaven in 2001 bij zijn toenmalige werkgever tot 1 november 2001 € 48.637,- en bij zijn nieuwe werkgever met ingang van 1 november 2001 € 13.845,-, in totaal dus € 62.482,-, in 2002 € 102.674,-, te vermeerderen met het ingehouden spaarloon € 613,-, samen € 103.287,-, en in 2003 € 114.575,-, te vermeerderen met het ingehouden spaarloon van € 613,-, samen € 115.188,-. Zijn inkomen bedraagt blijkens de overgelegde salarisspecificaties in januari 2004 € 8.648,- en in september 2004 € 8.750,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en een belaste tegemoetkoming van de werkgever in de premie ziektekostenverzekering van respectievelijk € 150,78 en € 154,- per maand. De man, die directeur van [...] Nederland en [...] Scandinavië is, is met zijn nieuwe werkgever [...] Noord Europa vanaf 1 november 2001 een bonusregeling overeengekomen. In 2003 heeft de man een bonus over 2002 ontvangen van € 11.000,- bruto, die is opgenomen in de jaaropgaaf 2003.

3.9 De lasten van de man bedragen per maand:

- € 960,05 aan hypotheekrente in 2002 en tot 1 oktober 2003 voor de voormalige echtelijke woning waarin de vrouw bleef wonen,

- € 224,19 aan premies levensverzekering gekoppeld aan die hypotheek en

- € 79,- aan overige eigenaarslasten in 2002 voor die woning, die in 2003 € 95,- bedroegen;

- € 501,83 aan huur per maand met ingang van 15 juli 2002 van de man en [partner ] tot datum transport van hun nieuwe woning op 1 april 2004;

- € 141,36 aan premie ziektekostenverzekering van de man en [K.] (€ 43,81) tot 1 april 2003, waarop in mindering komen € 21,- die zijn begrepen in de norm;

- € 212,67 aan premie ziektekostenverzekering van de man en [K.] (€ 50,21) en de helft van de premie voor [Y.] met ingang van 1 april 2003 waarop in mindering komen € 21,- per maand die zijn begrepen in de norm;

- € 34,- aan kosten omgangs-regeling;

- € 64,50 aan premie lijfrente bij ABN AMRO (€ 774,- per jaar);

- € 3,52 aan premie begrafenisverzekering;

- € 195,02 aan rente/aflossing op een schuld aan de Rabobank (betreft aanschaf auto door de vrouw) tot 1 oktober 2003;

- € 525,91 aan extra uitgaven wonen en leefkosten van de vrouw tot 1 januari 2003.

De woonlast van de man en [partner ] bedraagt ingaande 1 april 2004 per maand € 1.750,58 aan hypotheekrente, € 719,50 aan premie voor twee (spaar- en levens)verzekeringen die zijn gekoppeld aan de woning en € 95,- aan overige eigenaarslasten. Het eigenwoningforfait van deze woning bedraagt € 2.680,-per jaar. De man heeft recht op extra heffingskorting omdat [Y.] deel uitmaakt van zijn gezin.

Ten aanzien van de vrouw

3.10 De vrouw, geboren op 19 september 1964, vormt met [K.] een gezin. Zij heeft een HAVO-opleiding en ervaring in administratieve functies. Sinds 1 januari 2000 werkt zij in een administratieve functie gedurende 18 uur per week verspreid over 4 dagen per week (4,5 uur per dag). Haar belastbaar inkomen bedroeg volgens de overgelegde jaaropgaven in 2002 € 7.818,-, te vermeerderen met het ingehouden spaarloon van € 787,56, samen € 8.605,56, en in 2003 € 8.619,-. Blijkens de overgelegde salarisspecificaties bedraagt haar inkomen in januari 2004 € 706,94 bruto per maand en in augustus 2004 € 716,07, te vermeerderen met vakantietoeslag. De vrouw is tegen ziektekosten verzekerd krachtens de Ziekenfondswet. [K.] is met ingang van 1 juli 2003 medeverzekerd tegen ziektekosten op de polis van de vrouw zonder extra kosten voor de vrouw. Zij heeft recht op extra heffingskortingen omdat [K.] bij haar woont.

3.11 De lasten van de vrouw bedragen per maand:

- € 337,54 aan huur vanaf 1 oktober 2003;

- € 46,- aan kosten kinderopvang voor [K.] tot 1 januari 2003 en € 90,36 vanaf die datum;

- € 14,73 aan premie begrafenisverzekering voor de vrouw;

- € 9,54 aan premie begrafenisverzekering voor [K.];

- € 16,55 aan premie aanvullende ziekenfondsverzekering.

Het eigenwoning forfait dat bij de vrouw fiscaal wordt bijgeteld tot de verkoop van de woning in oktober 2003 bedraagt € 1.978,- per jaar.

4 De motivering van de beslissing

4.1 Het hof stelt voorop dat de rechtbank - in hoger beroep onbestreden- heeft vastgesteld dat bij de totstandkoming van de afspraken in het echtscheidingsconvenant omtrent de alimentatie voor de vrouw en [K.] sprake is geweest van grove miskenning van de wettelijke maatstaven als bedoeld in art. 1:401 lid 5 BW, zodat een onderzoek naar behoefte en draagkracht noodzakelijk en gerechtvaardigd is.

Partijen zijn verdeeld over de behoefte van [K.], de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.

4.2 De man stelt dat de behoefte van [K.] moet worden gebaseerd op het gezinsinkomen tijdens de samenleving, € 3.170,- besteedbaar per maand, zodat die behoefte volgens de tabel kosten kinderen € 550,- per maand bedraagt en dat de verhoging van zijn inkomen na het uiteengaan van partijen die behoefte niet verhoogt. Zou dat wel het geval moeten zijn dan dient bedoelde tabel in ieder geval niet lineair doorgetrokken te worden en bedraagt de behoefte ten hoogste € 750,- per maand. De vrouw stelt dat het hogere inkomen van de man bepalend is voor de behoefte en dat beide inkomens van partijen na de echtscheiding moeten worden opgeteld. De tabel doortrekkend bedraagt de behoefte dan € 1.185,- per maand, aldus de vrouw.

4.3 Het hof overweegt dat uitgangspunt voor de bepaling van de behoefte van [K.] is de aanbeveling van de werkgroep Alimentatienormen in het rapport Alimentatienormen 2001 om uit te gaan van het gezinsinkomen van de ouders ten tijde van het huwelijk dan wel het latere inkomen van de man als dat hoger is. Partijen zijn in november 2001 uiteen gegaan doordat de man elders is gaan wonen. Juist met ingang van 1 november 2001 is het inkomen van de man aanzienlijk verhoogd. Het vorenbedoelde gezinsinkomen ten tijde van de samenwoning was, zo blijkt uit de hiervoor onder 3.8 en 3.9 genoemde cijfers, veel lager dan het inkomen van de man nadien en na de echtscheiding. De behoefte van [K.] ingaande 12 juni 2002 wordt dan ook bepaald door dat hogere inkomen van de man in 2002. Het besteedbaar inkomen van de man in 2002 is onbetwist hoger dan € 3.500,- per maand, het hoogste inkomen volgens de tabel kosten kinderen. Het hof is van oordeel dat de tabel niet (lineair) dient te worden doorgetrokken nu de tabel gebaseerd is op onderzoek van het CBS en er geen onderzoek is gedaan naar de uitgaven van gezinnen met kinderen met een hoger besteedbaar inkomen dan € 3.500,- per maand. Het hof stelt de behoefte van [K.] ingaande 12 juni 2002 in redelijkheid vast op € 750,- per maand, naast de premie ziektekostenverzekering voor [K.] die de man tot 1 juli 2003 heeft betaald. De kosten voor kinderopvang van € 46,- per maand in 2002 en van € 90,36 per maand in 2003 zijn niet zodanig hoog dat deze tot verhoging van de behoefte leiden. Andere bijzondere lasten voor [K.] heeft de vrouw niet aannemelijk gemaakt. Het gevonden bedrag van € 750,- per maand dient jaarlijks ingaande 1 januari 2003 te worden verhoogd met de wettelijke indexering. De verwijzing van de man naar de uitspraak van de Hoge Raad van 27 februari 2004, NJ 2004, 283, wijst het hof van de hand omdat in dat geval de man geen gezin had gevormd met het kind, hetgeen in de onderhavige zaak juist wel het geval is. Anders dan de vrouw meent dient het latere, hogere inkomen van de man niet vermeerderd te worden met het inkomen van de vrouw na de scheiding. Dit laatste is ook de opvatting van bovengenoemde werkgroep.

4.5 De man stelt dat de vrouw samenwoont sinds 1 november 2002 met [...] als waren zij gehuwd, zodat de man op grond van artikel 1:160 BW met ingang van die datum niet langer onderhoudsplichtig is. De vrouw betwist gemotiveerd dat zij samenwoont. Tegenover die betwisting heeft de man naar het oordeel van het hof onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan blijken dat er sprake is van een dergelijke samenwoning waartoe vereist is dat er sprake is van een duurzame relatie tussen ongehuwde partners, die met elkaar samenwonen en elkaar wederzijds verzorgen. De man heeft ook geen bewijs aangeboden van zijn stelling en het hof ziet geen aanleiding hem met het bewijs daarvan te belasten. Het beroep op art. 1:160 BW faalt dan ook.

4.6 De man betwist dat de vrouw behoefte heeft aan de verzochte bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en stelt dat zij in staat moet worden geacht haar werk uit te breiden zonder daarvoor extra kosten voor kinderopvang te maken, waardoor zij voor een groter deel in haar behoefte kan voorzien. De behoefte van de vrouw moet niet gerelateerd worden aan het hogere inkomen van de man sedert 1 november 2001 maar aan het inkomen daarvoor. Na 6 jaar moet zij in staat zijn geheel in eigen levensonderhoud te voorzien en dient de alimentatie op nihil te worden gesteld, aldus de man. De vrouw betwist hetgeen de man stelt. Haar behoefte dient wèl te worden gerelateerd aan het gestegen inkomen van de man na 1 november 2001 omdat daardoor de uitgaven uit de gezamenlijke pot, die mede werd gevoed door het hogere inkomen van de man, stegen. Gelet op de taakverdeling binnen het huwelijk had zij naast de zorg voor [K.] en het huishouden geen gelegenheid om evenals de man carrière te maken. Uitbreiding van haar werk bij haar huidige werkgever is niet mogelijk. De vrouw overweegt omscholing. De vrouw wil graag in haar eigen levensonderhoud gaan voorzien maar weet niet wanneer dat mogelijk is.

4.7 Het hof overweegt dat beide partijen de behoefte van de vrouw berekenen met behulp van de “60% regel”, een in de praktijk wel toegepaste rekenmethode, die inhoudt dat eerst het besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk wordt berekend, daarvan wordt afgetrokken de behoefte van het kind/de kinderen, in casu [K.], en van het restant 60% wordt genomen, hetgeen dan de netto behoefte van de vrouw oplevert.

4.8 Het hof stelt vast dat de vrouw gelet op haar huidig inkomen uit arbeid en de extra heffingskortingen behoefte heeft aan alimentatie. Dat de vrouw binnen afzienbare tijd in staat is meer te gaan werken en te verdienen acht het hof niet aannemelijk nu uitbreiding van het werk bij de huidige werkgever volgens de vrouw niet mogelijk lijkt, een baan elders niet voorhanden lijkt - het enkele overleggen door de man van vacatures in de administratieve sector in de wijde omgeving van [woonplaats] acht het hof daartoe onvoldoende - terwijl de vrouw daarnaast de laatste tijd problemen ervaart met het gedrag van [K.], wellicht mede ten gevolge van het al langer bestaande verschil in opvatting tussen partijen ten aanzien van de opvoeding van [K.]. Dat de vrouw in het recente verleden reële mogelijkheden heeft gehad om haar werk uit te breiden dan wel elders meer te werken en te verdienen is niet aannemelijk geworden. Van de vrouw mag wel verlangd worden dat zij alles in het werk stelt op termijn in eigen levensonderhoud te gaan voorzien zoals zij ook stelt te wensen. Dat omscholing middels een studie voedingsleer zoals de vrouw tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard daarvoor een goede aanzet vormt, heeft de vrouw naar het oordeel van het hof niet aannemelijk gemaakt. Verdere scholing en uitbreiding van haar werkzaamheden op administratief gebied liggen veel meer voor de hand. Bij het bepalen van de mede aan de welstand tijdens het huwelijk gerelateerde behoefte van de vrouw houdt het hof rekening met alle relevante omstandigheden waaronder zowel de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk als het uitgavenpatroon in dezelfde periode. De behoefte dient daarnaast zoveel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud te worden bepaald.

4.9 De man heeft onweersproken gesteld dat zijn inkomen in 2000 lager was dan in 2001. Het aanmerkelijk hogere inkomen van de man met ingang van 1 november 2001 dient dan ook naar het oordeel van het hof mede gelet op de korte duur van het huwelijk (vijf jaar) een geringe rol te spelen bij de bepaling van de welstand, temeer omdat dit niet leidde tot een hoger uitgavenpatroon van de vrouw maar wel tot gevolg had dat de kosten van het gescheiden huishouden van partijen konden worden betaald. Onder deze omstandigheden acht het hof het redelijk voor de bepaling van de welstand uit te gaan van het onder 3.8 genoemde jaarinkomen over geheel 2001 van de man en dat over 2002 van de vrouw (omdat het hof niet beschikt over de opgaaf over 2001 van de vrouw). Op basis daarvan berekent het hof het besteedbaar inkomen van partijen op € 4.290,- per maand. Daarbij houdt het hof, net zoals dat gebruikelijk is bij de berekening van de behoefte van een kind, rekening met de fiscale aftrek van de hypotheekrente van de echtelijke woning zoals in 3.9 genoemd, het eigenwoning forfait van € 1.978,- en de aftrek van de premie lijfrente van € 774,- bij de ABN AMRO bij de man, de (extra) heffingskortingen bij beide partijen en het werkgeversdeel van de premie ziekenfondsverzekering bij de vrouw. Na aftrek van de kosten voor [K.], die het hof hiervoor op € 750,- per maand heeft bepaald, kan op basis van de door partijen voorgestane rekenmethode als behoefte van de vrouw in beginsel aangehouden worden 60% van het restant ofwel € 2.125,- per maand netto.

4.10 Vervolgens dient het hof na te gaan welke lasten de vrouw redelijkerwijs heeft of kan opvoeren. Naast de in 3.11 genoemde lasten waarvan het hof de premie begrafenisverzekering voor [K.] en de kosten van kinderopvang van [K.] tot de behoefte van [K.] rekent en niet tot die van de vrouw, voert de vrouw aan dat zij een auto tot haar beschikking heeft en tijdelijk met [K.] in een stacaravan woont van 10 bij 4 meter die zij zo snel mogelijk wil verlaten. Zij wil een woning gaan huren waarvoor zij ca. € 800,- à € 850,- per maand nodig acht. Het hof is van oordeel dat het redelijk is dat de vrouw een woning gaat huren. Tegenover de betwisting daarvan door de man heeft de vrouw niet aannemelijk gemaakt dat zij daarvoor € 800,- à € 850,- per maand nodig heeft. Mede gelet op de hoogte van de woonlast tijdens het huwelijk acht het hof een huur van € 700, - per maand redelijk. Het hof gaat ervan uit dat de vrouw op korte termijn deze last zal hebben. De kosten van een auto stelt het hof in redelijkheid op € 350,- per maand. Andere bijzondere lasten heeft de vrouw niet aangevoerd. Een behoefte van € 2.125,- per maand netto betekent dat de vrouw naast haar arbeidsinkomen een alimentatie in 2004 nodig heeft van € 2.210,- per maand bruto. De vrouw heeft dan voldoende ruimte voor de hiervoor genoemde, redelijke lasten en houdt dan nog enig bedrag ”vrij” te besteden over, hetgeen gelet op de welstand tijdens het huwelijk ook redelijk is.

In de periode voor 1 oktober 2003 is de behoefte van de vrouw aan alimentatie lager omdat de man tot dat moment verschillende lasten voor de vrouw heeft betaald.

4.11 Het hof zal eerst de draagkracht van de man bespreken.

De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om de vastgestelde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en in de kosten van verzorging en opvoeding van [K.] te betalen. De vrouw betwist dat.

4.12 Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de man uit van de hiervoor in 3.8 en 3.9 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.

4.13 De in 3.8 genoemde bonusregeling houdt -kort gezegd- in dat de man recht heeft op een bonus van 0-10% van het bruto jaarsalaris afhankelijk van het bereiken van tevoren overeengekomen doelstellingen en de algehele economische situatie. Volgens de brief van 29 oktober 2003 van de directeur van [...] Europa is met het management afgesproken dat ook al worden de gestelde doelstellingen gehaald over 2003 slechts 6% bonus zal worden uitgekeerd vanwege de duidelijke voorbeeldrol naar het personeel in het kader van loonmatiging. Volgens de brief van 7 mei 2004 van diezelfde directeur heeft het management besloten geen bonus uit te keren aan de directeuren over 2003 ondanks dat [...] Nederland een uitstekend jaar heeft gedraaid. Feitelijk is dus alleen in 2003 aan de man een bonus uitgekeerd die betrekking had op 2002. In deze omstandigheden acht het hof het redelijk de in 2003 ontvangen bonus van € 11.000,- bruto toe te rekenen aan drie jaren: 2002, 2003 en 2004, hetgeen een verhoging oplevert van € 3.666,- per jaar bruto in 2002 en 2004 en een verlaging van tweemaal dat bedrag in 2003 ten opzichte van de in 3.8 vermelde bedragen. Bovendien acht het hof gelet op de goede resultaten van de onderneming in het recente verleden aannemelijk dat de man, die als directeur zelf grote invloed kan uitoefenen op het al dan niet toekennen van een bonus, in de nabije toekomst in aanmerking kan komen voor een bonus. Voor 2005 behoeft dan ook niet van een lager inkomen dan over 2003/2004 te worden uitgegaan.

4.14 Tot 1 april 2003 rekent het hof bij de vaststelling van de draagkracht van de man met de norm alleenstaande en het daarbijbehorende draagkracht percentage van 60. Nu de man en [partner ] beiden onderhoudsplichtig zijn jegens [Y.] en [partner ] in eigen levensonderhoud voorziet, acht het hof het redelijk om bij de vaststelling van de draagkracht van de man met ingang van 1 april 2003 te rekenen met de norm voor een co-ouder, het gemiddelde tussen de alleenstaande ouder norm en de norm voor een alleenstaande, en het daarbij horend draagkrachtpercentage van 52,5. Anders dan de rechtbank houdt het hof met de helft van de opvangkosten van [Y.] van € 234,- niet apart rekening omdat met alle kosten van [Y.] voldoende rekening wordt gehouden door de hogere norm en het lagere draagkrachtpercentage, hetgeen tot een aanzienlijke “vrije” ruimte bij de man leidt.

4.15 De woonlasten van de man en [partner ] dienen - omdat [partner ] in eigen levensonderhoud voorziet - bij helfte te worden gedeeld, zoals aanbevolen door de werkgroep Alimentatienormen. Het hof ziet geen aanleiding deze kosten toe te delen naar rato van het inkomen van de man en [partner ] op grond van het enkele feit dat het inkomen van de man veel hoger is dan dat van [partner ]. De vrouw stelt dat de woonlast van de man sedert 1 april 2004 onredelijk hoog is en dat de beide premies die gekoppeld zijn aan de hypothecaire lening niet noodzakelijk zijn, vermogensvormend zijn en daarom buiten beschouwing moeten blijven. De helft van de woonlasten van de man en [partner ] betekent volgens berekening van het hof een netto woonlast voor de man van € 886,- per maand, hetgeen gelet op het inkomen van de man naar het oordeel van het hof niet onredelijk hoog is.

4.16 In alle periodes houdt het hof rekening met de premie voor een lijfrente van € 774,- per jaar omdat deze verzekering tijdens het huwelijk al bestond en het gelet op het pensioentekort dat de man heeft, redelijk is dat de man deze verzekering voortzet. Daarentegen houdt het hof geen rekening met de premie voor verzekeringen bij RVS in verband met een pensioengat nu de man de noodzaak hiervan, tegenover de betwisting door de vrouw, niet heeft aangetoond.

4.17 Evenals de rechtbank onderscheidt het hof verschillende periodes:

periode 1 van 12 juni 2002 tot 1 januari 2003;

periode 2 van 1 januari 2003 tot 1 april 2003 (geboorte [Y.]);

periode 3 van 1 april 2003 tot 1 oktober 2003 (verkoop voormalige echtelijke woning);

periode 4 van 1 oktober 2003 tot 1 januari 2004 (loongegevens 2004);

periode 5 van 1 januari 2004 tot 1 april 2004 (aankoop woning man)

periode 6 vanaf 1 april 2004.

4.18 In periode 1 heeft de man de eigenaarslasten van de voormalige echtelijke woning betaald, de maandlast voor een lening voor de aanschaf van een auto door de vrouw en extra uitgaven wonen en leefkosten van de vrouw. Het hof houdt in de draagkrachtberekening van de man op de gebruikelijke en in het rapport Alimentatienormen 2001 aanbevolen wijze met de eigenaarslasten rekening: in het fiscale traject komt de hypotheekrente in aftrek en in het draagkrachtloos inkomen worden alle genoemde posten als last meegenomen en niet als alimentatie voor de vrouw. De vrouw krijgt in deze situatie een fiscale bijtelling van 100% van het eigenwoning forfait. De man heeft dan voldoende ruimte voor een alimentatie van € 750,- per maand voor [K.] en ook nog ruimte voor een bijdrage voor de vrouw. Het hof acht het redelijk dat de hiervoor genoemde lasten die de man aan/voor de vrouw heeft betaald, in mindering op haar behoefte komen. Het hof berekent de netto woonlast op € 779,- per maand. Tezamen met de extra kosten van € 525,- per maand en de maandlast van de lening van € 195,- voor de auto heeft de man € 1.499,- per maand aan / mede ten behoeve van de vrouw betaald. Rekeninghoudend met het inkomen uit arbeid van de vrouw in 2002 en deze netto bijdrage van € 1.499,- per maand heeft de vrouw dan meer dan € 2.125,- per maand netto zodat zij geen behoefte heeft aan een bijdrage in de vorm van alimentatie van de man. Over deze periode dient de alimentatie voor de vrouw dan ook op nihil te worden gesteld. Daarbij overweegt het hof dat het het standpunt van de man in hoger beroep dat de alimentatie voor de vrouw in de periode van 12 juni 2002 tot 1 augustus 2002 op € 1.100,- en van 1 augustus 2002 tot 1 november 2002 op € 725,- per maand dient te worden vastgesteld aldus begrijpt dat de man dit niet aanbiedt naast de door hem aan/ ten behoeve van de vrouw betaalde lasten van € 1.499,- per maand in periode 1 en van € 1.071,- per maand zoals hierna in 4.19 becijferd in periode 2 en 3. De man kan zich hierover nog uitlaten en de vrouw kan daarop reageren.

4.19 In periode 2 en 3 wijzigt de bijdrage van de man: in plaats van de netto bijdrage van € 525,- per maand heeft hij volgens de -in hoger beroep onvoldoende bestreden- vaststelling van de rechtbank € 97,- per maand bijgedragen terzake premie FBTO en andere lasten ten behoeve van [K.] en de vrouw, dus samen met de eigenaarslasten en de maandlast voor de lening in totaal € 1.071,- per maand netto. Rekeninghoudend met het inkomen van de vrouw in 2003 heeft zij dan behoefte aan een alimentatie van € 620,- per maand bruto, waarmee zij een netto inkomen heeft van € 2.125,- per maand. De man heeft voldoende draagkracht voor deze bijdrage naast de geïndexeerde bijdrage van € 750,- per maand voor [K.].

4.20 Na periode 3 is er geen sprake meer van een netto bijdrage van de man aan de vrouw omdat de woning is verkocht en de lening voor de auto van de vrouw is afgelost. In periode 4 heeft de vrouw behoefte aan een alimentatie van € 2.300,- bruto per maand. De man heeft volgens de berekening van het hof voldoende draagkracht hiervoor naast de geïndexeerde bijdrage voor [K.]. Ingaande 1 januari 2004 heeft de vrouw, rekeninghoudend met de loongegevens over 2004 behoefte aan een alimentatie van € 2.200,- bruto per maand. De man heeft ingaande 1 januari 2004 voldoende draagkracht voor deze bijdrage naast die voor [K.], ook indien het hof vanaf 1 april 2004 rekening houdt zowel fiscaal als in het draagkrachtloos inkomen van de man met de helft van de eigenaarslasten van de nieuwe woning van de man en [partner ]. In alle berekeningen houdt het hof rekening met de fiscale consequenties van het betalen van partner- en kinderalimentatie aan de zijde van de man en de fiscale gevolgen hiervan aan de zijde van de vrouw.

4.21 Indien blijkt dat de man aan de vrouw teveel alimentatie ten behoeve van [K.] en / of de vrouw heeft betaald, acht het hof het gelet op de omstandigheden van partijen redelijk dat de man het teveel betaalde verrekent met de nog te verschijnen termijnen. Terugbetaling door de vrouw van hetgeen teveel betaald mocht zijn acht het hof niet redelijk omdat aannemelijk is dat de vrouw hetgeen zij heeft ontvangen heeft besteed voor haar levensonderhoud.

4.22 Voor een nihilstelling van de alimentatie voor de vrouw op een termijn van zes jaar zoals de man verzoekt ziet het hof onvoldoende aanleiding omdat thans nog onvoldoende kan worden ingeschat of de vrouw binnen die termijn in staat zal zijn geheel in haar levensonderhoud te voorzien. Dit verzoek dient dan ook te worden afgewezen.

4.23 Omdat partijen elkaars gewezen echtelieden zijn ziet het hof aanleiding de kosten in hoger beroep te compenseren.

4.24 Teneinde interpretatie- en executieproblemen tussen partijen te voorkomen zal het hof alvorens verder te beslissen partijen verzoeken zich uit te laten uitsluitend over

- de fiscale behandeling van de door de man in het tijdvak 12 juni 2002 tot 1 oktober 2003 aan / ten behoeve van de vrouw betaalde lasten, zoals in 4.18 en 4.19 omschreven en

- het aanbod van de man over de periode 12 juni 2002 tot 1 november 2002 zoals in 4.18 omschreven.

Iedere verdere beslissing zal het hof aanhouden.

De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel beroep:

verzoekt partijen - de man vóór 23 november 2004 en de vrouw vóór 7 december 2004 - bij brief aan het hof, met kopie aan de wederpartij, zich uit te laten zoals hiervoor in 4.24 overwogen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs Mens, Hooft Graafland en Renckens en is op 2 november 2004 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.