Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2004:AR8175

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
05-10-2004
Datum publicatie
27-12-2004
Zaaknummer
03/670
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit het voorgaande kan niet worden afgeleid dat het niet de bedoeling van partijen is geweest dat de man niet zou profiteren van de waardeontwikkeling van de woning. Uit de beweegredenen om het huis op naam van de vrouw te zetten, de wijze waarop de woning is gefinancierd -beide partijen hebben zich voor de lening hoofdelijk verbonden-, de door de man met betrekking tot de woning verrichte activiteiten en gedane investeringen en de omstandigheid dat tijdens de samenwoning gedurende 15 jaar alleen de man inkomsten uit arbeid genereerde en dat uit dat inkomen ook de over de lening verschuldigde rente werd betaald rechtvaardigen om, rekening houdend met de redelijkheid en de billijkheid die de rechtsverhouding van partijen mede beheerst, als uitgangspunt te nemen dat partijen hun samenwoning, mede gezien de financiële verstrengelingen van hun zakelijke en privé-uitgaven, kennelijk zodanig vorm hebben willen geven dat zij delen in de waardeontwikkeling van de woning. Naar het oordeel van het hof hebben partijen onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit een andere verdeling dan een verdeling bij helfte van de overwaarde zou kunnen volgen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KWEP 2005/16
JPF 2005/44
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 oktober 2004

vierde civiele kamer

rolnummer 2003/670

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal appèl,

geïntimeerde in het incidenteel appèl,

procureur: mr J.M. Bosnak,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appèl,

appellante in het incidenteel appèl,

procureur: mr T.J. van Veen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de vonnissen van 11 oktober 2001, 24 januari 2002 en 26 maart 2003 die de rechtbank te Arnhem tussen principaal appellant (hierna te noemen: de man ) als eiser in conventie/verweerder in reconventie en principaal geïntimeerde (hierna te noemen: de vrouw) als gedaagde in conventie/eiseres in reconventie heeft gewezen; van die vonnissen is een fotocopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 De man heeft bij exploot van 19 juni 2003 de vrouw aangezegd van de vonnissen van 24 januari 2002 en 26 maart 2003 in hoger beroep te komen, twee grieven tegen deze vonnissen geformuleerd en toegelicht en de vrouw gedagvaard voor dit hof.

2.2 Bij memorie van eis heeft de man de twee grieven tegen de bestreden vonnissen en de toelichting zoals opgenomen in het exploot van dagvaarding herhaald en overeenkomstig dit exploot gevorderd dat het hof bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden vonnissen zal vernietigen voor zover de grieven zich daartegen richten en opnieuw rechtdoende:

I de vrouw zal veroordelen om binnen vier weken na betekening van het in deze te wijzen arrest aan de man in eigendom over te dragen de woning en de daarbij behorende gronden staande en gelegen te [adres];

II zulks onder de gelijktijdige verplichting voor de man om gelijktijdig met de notariële overdracht aan de vrouw uit te keren een bedrag van € 158.623,50 te vermeerderen met de hypotheekrente voor de extra financiën zoals verwoord door de rechtbank in haar vonnis d.d. 26 maart 2003, zulks op straffe van een door de man direct opeisbare dwangsom ad € 500,- voor iedere dag, een gedeelte van een dag voor een gehele gerekend, dat de vrouw nalatig blijft uitvoering te geven aan dit arrest.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft de vrouw de grieven bestreden, vijf producties in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en de man alsnog zijn vorderingen als ongegrond en onbewezen zal ontzeggen dan wel hem hierin niet ontvankelijk zal verklaren, uitvoerbaar bij voorraad onder veroordeling van de man in de kosten van de procedure.

2.4 Bij dezelfde memorie heeft de vrouw incidenteel beroep ingesteld tegen de vonnissen van 24 januari 2002 en 26 maart 2003, daartegen zes grieven aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden en gevorderd dat het hof:

1. de bestreden vonnissen zal vernietigen en de man alsnog zijn vorderingen als ongegrond en onbewezen zal ontzeggen dan wel hem hierin niet ontvankelijk zal verklaren;

4. de man zal veroordelen aan de vrouw te betalen een bedrag van € 121.583,96 te vermeerderen met de wettelijke rente over de door de vrouw afgesloten lening alsmede de wettelijke rente vanaf 2 september 2003 tot aan de datum waarop de man het volledige verschuldigde aan haar heeft voldaan, een en ander uitvoerbaar bij voorraad met veroordeling van de man in de kosten van de procedure.

2.5 Bij memorie van antwoord in het incidenteel beroep heeft de man de grieven van de vrouw bestreden en geconcludeerd dat het hof de door de vrouw opgeworpen grieven ongegrond zal verklaren.

Voorts heeft de man bij die gelegenheid zijn vordering in het principaal appèl vermeerderd aldus dat hij thans tevens subsidiair vordert dat het hof bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw zal veroordelen om binnen vier weken na betekening van het in deze te wijzen arrest aan de man zal voldoen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, een bedrag ad € 113.122,56 te verminderen met de door de vrouw betaalde netto rente over een bedrag van € 77.778,- over de periode dat zij aantoonbaar deze rente heeft voldaan. De man vordert eveneens dat de vrouw zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure in het principaal en incidenteel appèl.

2.6 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De grieven

3.1 De man heeft in het principaal beroep twee grieven aangevoerd.

Grief I is gericht tegen overweging 4.7 in het vonnis van 24 januari 2002 waarin de vordering van de man tot toedeling van de woning aan hem wordt afgewezen. De grief strekt ertoe dat de woning aan hem in eigendom zal worden overgedragen.

Grief II is gericht tegen overweging 4.11 van het vonnis van 24 januari 2002 en overweging 2.6 van het vonnis van 26 maart 2003. Het betreft de financiële afwikkeling van de door de vrouw betaalde rekening-courantschuld groot f. 67.576,30. Uit de door de man in zijn memorie van eis in het principaal appèl opgenomen berekening volgt dat deze grief ertoe strekt dat hiervan slechts f. 46.288,15 ( € 21.004,-) voor zijn rekening komt.

3.2 De vrouw heeft in het incidenteel beroep de volgende grieven aangevoerd.

Grief I

Ten onrechte heeft de Rechtbank in haar vonnis van 24 januari 2002 geoordeeld dat in de gegeven omstandigheden naar redelijkheid en billijkheid moet worden aangenomen dat partijen de bedoeling hadden dat de woning en de gronden aan beide partijen, ieder voor de helft, zouden toebehoren.

Grief II

Ten onrechte heeft de Rechtbank in haar vonnis van 24 januari 2002 geoordeeld dat de man met recht aanspraak kan maken op de helft van (de) actuele (over)waarde.

Grief III

Ten onrechte heeft de Rechtbank in haar vonnis van 26 maart 2003 de gevorderde wettelijke rente niet toewijsbaar geacht aangezien niet is gesteld of gebleken dat de man in verzuim is geraakt.

Grief IV

Ten onrechte heeft de Rechtbank (ten aanzien van) de rekening-courantschuld nummer 30556788 in haar vonnis van 26 maart 2003 geoordeeld dat (het hof leest: ten aanzien van de resterende f. 42.576,30) slechts 2/3e deel voor rekening van de man diende te worden gebracht.

Grief V

Ten onrechte heeft de Rechtbank in haar vonnis van 26 maart 2003 bepaald dat de boete gelijkelijk tussen partijen moet worden gedeeld.

Grief VI

Ten onrechte heeft de Rechtbank in haar vonnis van 26 maart 2003 bepaald dat de man een vordering op de vrouw heeft wegens overbedeling van € 113.122,56 minus de nog vast te stellen betaalde hypotheekrente extra financiering.

4 De vaststaande feiten

Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties dan wel als door de rechtbank vastgesteld en in hoger beroep niet bestreden, de navolgende feiten vast.

4.1 Partijen hebben gedurende ongeveer vijftien jaar, tot eind 1999, samengewoond. Zij hebben geen samenlevingsovereenkomst gesloten en zijn ook geen geregistreerd partnerschap aangegaan.Uit hun relatie zijn vier kinderen geboren.

4.2 De man heeft eind 1999 de gezamenlijk door partijen bewoonde woning verlaten.

4.3 De onder 4.2 bedoelde woning betreft een tot woning verbouwde schaapskooi aan de [adres]. De man heeft deze schaapskooi indertijd “gevonden” waarna hij deze van de eigenaresse heeft gehuurd. Deze schaapskooi was toen niet geschikt voor bewoning terwijl bewoning evenmin door de gemeente werd toegestaan in verband met strijd met het vigerende bestemmingsplan. De man heeft deze schaapskooi met hulp van anderen bewoonbaar gemaakt en samen met zijn toenmalige echtgenote en uit dit huwelijke geboren kinderen gedurende ongeveer een jaar bewoond. Later is de man in deze schaapskooi gaan samenwonen met de vrouw. Ook toen hebben er verbouwingen aan de schaapskooi plaatsgevonden.

4.4 In 1987 is de schaapskooi met bijbehorende bosgrond voor f. 100.000,- van de toenmalige eigenaresse gekocht. Ter uitvoering van deze koopovereenkomst is de schaapskooi met bijbehorende grond bij notariële akte van 21 december 1987 aan de vrouw overgedragen. De koopsom is toen volledig gefinancierd met een hypothecaire lening welke op naam van de man en de vrouw was gesteld en waarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk was.

4.5 Bij notariële akte van 24 januari 1992 heeft de vrouw gekocht en geleverd gekregen een aan de schaapskooi met bijbehorende grond belendend perceel bosgrond en weiland gelegen nabij de [...]. De koopsom bedroeg f. 50.000,- en was volledig gefinancierd met een hypothecaire geldlening. Ook deze geldlening stond op beider naam waarvoor ieder voor het geheel aansprakelijk was.

4.6 De waarde van de onder 4.4 en 4.5 bedoelde onroerende zaken kan worden gesteld op € 377.500,-.

4.7 Tijdens de samenwoning had de vrouw geen inkomsten uit arbeid. Zij had wel vermogen waarvan een deel is geïnvesteerd in de woning.

4.8 De man heeft bij exploot van 2 mei 2001 beslag tot levering doen leggen op bovengenoemde schaapskooi met bijbehorende grond en het onder 4.5 genoemde perceel.

4.9 De vrouw heeft op 2 juni 2003 deze beide onroerende zaken verkocht voor € 387.500,-.

4.10 Bij vonnis in kort geding van 31 juli 2003 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank te Arnhem het onder 4.8 genoemde beslag opgeheven.

5 De motivering van de beslissing in het principaal- en het incidenteel hoger beroep

De woning met de daarbij behorende grond en het perceel bosgrond en weiland

5.1 Het hof is van oordeel dat uit de in het geding gebrachte notariële koopovereenkomst van 17/18 juni 2003 in samenhang met de tussen partijen gevoerde kort gedingprocedure, de in die koopovereenkomst opgenomen transportdatum van 1 augustus 2003 en de stelling van de man bij zijn memorie van antwoord in het incidenteel appèl dat de woning met bijbehorende grond op naam van [A.] staat en eigendomsoverdracht inmiddels heeft plaatsgevonden, voldoende aannemelijk is geworden dat de vrouw de beide onroerende zaken heeft verkocht en overgedragen aan de koper, de heer [A.]. Het hof is voorts van oordeel dat de man zijn stelling, dat hier geen sprake is van een reële koopovereenkomst en dat de heer [A.] slechts als stroman fungeert tegen de achtergrond van de in het geding gebrachte stukken onvoldoende heeft onderbouwd. De man heeft van deze stelling ook geen bewijs aangeboden zodat het hof deze stelling passeert en in hoger beroep tot uitgangspunt neemt dat de betreffende woning met gronden niet meer de eigendom zijn van de vrouw. Dit heeft tot gevolg dat de vrouw de betreffende onroerende zaken niet in eigendom kan overdragen aan de man. Aldus zal de vordering van de man strekkende tot overdracht van deze onroerende zaken aan hem reeds om die reden niet kunnen worden toegewezen. Grief I van de man behoeft daarom geen nadere bespreking.

5.2 De grieven I en II van de vrouw lenen zich voor gezamenlijke behandeling en komen op tegen de beslissing van de rechtbank dat de man aanspraak kan maken op de helft van de overwaarde van de woning en de daarbij behorende gronden. Juist is, zoals de vrouw stelt, dat de man in eerste aanleg hierop niet uitdrukkelijk aanspraak heeft gemaakt. Bij zijn memorie van antwoord in het incidenteel appèl vordert hij echter subsidiair betaling door de vrouw van de helft van deze overwaarde. De vrouw heeft op deze vermeerdering van eis nog niet gereageerd. Het beginsel van hoor en wederhoor brengt met zich dat zij daartoe alsnog in de gelegenheid wordt gesteld, waartoe de zaak naar de rol wordt verwezen. Voorshands lijkt uitgangspunt te zijn, gelet op deze eisvermeerdering, dat de vrouw geen belang meer heeft bij bespreking van haar bezwaar zoals verwoord in haar toelichting op grief I, dat de rechtbank hiermee buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden.

5.3 Partijen hebben in hoger beroep geen bezwaren geformuleerd tegen de door de rechtbank vastgestelde waarde en de op basis daarvan berekende overwaarde na aftrek van de hypothecaire schuld en de kosten van herplanting: € 275.239,-. Voorshands, vooruitlopend op het eventuele akteverzoek van de vrouw zoals in rov. 5.2 bedoeld, is alsdan de vraag of de vrouw de helft van deze overwaarde - € 137.619,50 - aan de man moet betalen zoals de rechtbank heeft beslist. Het hof overweegt daarover het volgende.

5.4 Partijen hebben ongeveer 15 jaren samengewoond en hebben uit hun relatie vier kinderen gekregen. Deze relatie waarbij partijen een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en in welk kader zij een gemeenschappelijke rekening-courant hadden met de Rabobank is een rechtsverhouding die mede wordt beheerst door de redelijkheid en de billijkheid.

5.5 Vast staat dat de woning door de man is “gevonden” en samen met zijn toenmalige echtgenote bewoonbaar is gemaakt. De man had dus reeds voordat hij met de vrouw in deze woning ging samenwonen eigen arbeid en geld in de woning geïnvesteerd. De man noemt in dit verband een bedrag van f. 160.000,-. De vrouw heeft erkend dat de woning reeds gedeeltelijk door de man en zijn toenmalige echtgenote was gerenoveerd maar heeft ontkend dat daarmee een bedrag van f. 160.000,- gemoeid is geweest. De man heeft het door hem genoemde bedrag niet met stukken onderbouwd en heeft op dat punt geen bewijs aangeboden.

Tussen partijen staat voorts vast dat de voor de schaapskooi/woning betaalde koopsom (f. 100.000,-) mede was gebaseerd op de toestand waarin de schaapskooi was vòòr de verbouwingen met het oog op de bewoning. De betaalde koopsom correspondeerde dus niet met de toentertijd actuele waarde van de schaapskooi. De door de man en zijn toenmalige echtgenote geïnvesteerde bedragen en arbeid waren derhalve niet in de koopsom begrepen.

De woning is door de vrouw gekocht en aan haar overgedragen. Beide partijen voeren hiertoe -samengevat- aan dat dit is gebeurd in verband met het bedrijfsrisico van de man -volgens de vrouw is hij tweemaal failliet verklaard hetgeen de man niet heeft betwist- alsmede om te bewerkstelligen dat de woning buiten het bereik van de kinderen uit het vorige huwelijk van de man zou blijven. De vrouw heeft in dit verband voorts als reden aangevoerd dat zij vermogen -geld- had. Vast staat dat de koopsom volledig is gefinancierd zodat deze aankoop niet met gelden van de vrouw is gefinancierd. Ook staat vast dat gedurende de samenwoning op deze lening niet - althans nagenoeg niet - is afgelost en de verschuldigde rente is betaald uit de arbeidsinkomsten van de man.

Vast staat voorts dat tijdens de samenwoning verbouwingen aan de woning hebben plaatsgevonden. De vrouw stelt dat deze verbouwingen met haar geld zijn betaald. Zij heeft tijdens de samenwoning met de man aanzienlijke bedragen van haar ouders geschonken gekregen. Zij stelt dat deze bedragen zijn opgegaan in de huishouding, aan de verbouwingen en aan leningen aan de man. Zij heeft niet onderbouwd welke bedragen zij in de woning heeft geïnvesteerd. Zij heeft op dit punt ook geen gespecificeerd bewijsaanbod gedaan.

Uit het voorgaande kan niet worden afgeleid dat het niet de bedoeling van partijen is geweest dat de man niet zou profiteren van de waardeontwikkeling van de woning. Uit de beweegredenen om het huis op naam van de vrouw te zetten, de wijze waarop de woning is gefinancierd -beide partijen hebben zich voor de lening hoofdelijk verbonden-, de door de man met betrekking tot de woning verrichte activiteiten en gedane investeringen en de omstandigheid dat tijdens de samenwoning gedurende 15 jaar alleen de man inkomsten uit arbeid genereerde en dat uit dat inkomen ook de over de lening verschuldigde rente werd betaald rechtvaardigen om, rekening houdend met de redelijkheid en de billijkheid die de rechtsverhouding van partijen mede beheerst, als uitgangspunt te nemen dat partijen hun samenwoning, mede gezien de financiële verstrengelingen van hun zakelijke en privé-uitgaven, kennelijk zodanig vorm hebben willen geven dat zij delen in de waardeontwikkeling van de woning. Naar het oordeel van het hof hebben partijen onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit een andere verdeling dan een verdeling bij helfte van de overwaarde zou kunnen volgen. De man gaat immers blijkens zijn eindafrekening in de dagvaarding in hoger beroep uit van een verdeling bij helfte en de vrouw heeft daartegen geen verweer gevoerd of een andere verdeling aangegeven. Voorshands falen de grieven I en II van de vrouw.

5.6 Grief II van de man en grief IV van de vrouw lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Ten aanzien van de door de vrouw betaalde rekening-courantschuld van f. 67.576,30 heeft de rechtbank geoordeeld dat daarvan f. 25.000,- in ieder geval voor rekening van de man komt. In de toelichting op zijn 2e grief heeft de man weliswaar aangevoerd dat de rechtbank dat oordeel niet heeft gemotiveerd en heeft hij aangekondigd bescheiden ter staving van het tegendeel in het geding te brengen, maar de man gaat in de eindafrekening, die in zijn memorie van grieven is vervat, en zijn daarmede corresponderende vordering bij zijn memorie van grieven ervan uit dat het bedrag van f. 25.000,- inderdaad geheel voor zijn rekening komt. Het hof zal dan ook daarvan eveneens uitgaan. De als produktie 5 bij zijn memorie van antwoord in het incidenteel appèl overgelegde stukken kunnen om die reden onbesproken blijven. Het hof gaat op dit punt tevens voorbij aan de bij memorie van antwoord in het incidenteel appèl opgenomen rekening-courant schuld van € 24.496,94 als in zoverre niet nader onderbouwd.

De vrouw stelt dat ook het resterende bedrag van f. 42.576,30 geheel voor rekening van de man komt terwijl de man stelt dat dit bedrag bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld. Het hof overweegt hierover het volgende. De rekening-courantschuld betreft een debetsaldo op de gezamenlijke rekening van de man en de vrouw. Het betreft een en/of rekening waaruit volgt dat partijen ieder voor het geheel over de gelden op deze rekening kunnen beschikken. Nu partijen geen feiten en omstandigheden hebben gesteld waaruit anders zou kunnen volgen moet aangenomen worden dat partijen ten opzichte van de bank hoofdelijk verbonden zijn voor de uit deze rekening voortvloeiende schuld. Ingevolge artikel 6:10 lid 1 BW moet dan ieder bijdragen in de mate dat de schuld hem in de onderlinge verhouding aangaat. Uit de stukken volgt dat het krediet in rekening-courant is aangegaan voor de eenmanszaak van de man. Voorts volgt uit de overgelegde rekeningafschriften dat via deze rekening-courant rekening naast zakelijke- ook privé- uitgaven zijn gedaan en dat via deze rekening de maandelijkse rente en aflossing op lening nr. 3055.953.967 werd betaald. Voor deze lening waren de man en de vrouw hoofdelijk verbonden. Ook staat vast dat tijdens de samenwoning alleen de man inkomen uit arbeid genereerde en dat met dit inkomen naast de kosten van de huishouding ook de renteverplichtingen werden betaald. Gedurende de samenwoning van 15 jaar werden met het inkomen van de man de renteverplichting alsmede het grootste gedeelte van de kosten van de huishouding betaald. Tijdens de samenwoning is echter nagenoeg niets afgelost. Dit gebeurt pas na de herfinanciering. De man is kort daarna uit de woning vertrokken.

De man heeft onvoldoende gemotiveerd betwist de stelling van de vrouw dat hij begin 2000 een nieuwe bankrekening heeft geopend waarop zijn inkomsten werden gestort en dat van de gezamenlijke rekening-courant rekening toen nog de meeste vaste lasten van de man werden betaald alsmede het salaris van [W.] en dat de man van deze rekening in maart 2000 f. 12.400,- heeft laten overboeken naar zijn eigen bankrekening. Uit de overgelegde bankafschriften volgt dat via deze rekening de renteverplichtingen alsmede de aflossing werden betaald betreffende de hypothecaire schuld van de aan de vrouw in eigendom toebehorende woning. Tegen de achtergrond van al deze feiten en omstandigheden is het hof met de rechtbank van oordeel dat uit de rechtsverhouding tussen partijen voortvloeit dat de man 2/3 van het resterende bedrag, derhalve f. 28.384,30, voor zijn rekening neemt. Aldus faalt grief II van de man en grief IV van de vrouw.

5.7 Ten aanzien van de boete heeft de vrouw gesteld dat de man na de strafrechtelijke zitting aan de vrouw heeft toegezegd voor de volledige betaling daarvan zorg te zullen dragen. De man heeft deze stelling niet gemotiveerd betwist. De man heeft ook geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit zou kunnen volgen dat hij niet langer aan deze toezegging is gebonden. Het hof is van oordeel dat tegen deze achtergrond de boete (f. 1.200,- ) geheel voor rekening komt van de man. Aldus slaagt grief V van de vrouw.

5.8 Grief III van de vrouw slaagt. Zij heeft in eerste aanleg in haar conclusie van eis in reconventie aanspraak gemaakt op de wettelijke rente over de rekening-courant schuld en de door haar betaalde boete, tezamen f. 68.776,30. Uit het voorgaande volgt dat de man aan de vrouw verschuldigd is f. 25.000,- + f. 28.384,20 + f. 1.200,- = f. 54.584,20/€ 24.769,23. Nu blijkt dat de man een groot gedeelte van het gevorderde bedrag daadwerkelijk aan de vrouw verschuldigd is, is hij hierover ook de wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag dat deze in rechte is gevorderd. Uit zijn houding in conventie was voldoende duidelijk dat een aanmaning nutteloos was en de conclusie van eis in reconventie kan worden aangemerkt als een schriftelijke mededeling als bedoeld in art. 6:82 lid 2 BW.

5.9 Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden en de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van een akte door de vrouw als onder 5.2 is overwogen.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

verwijst de zaak naar de rol van 9 november 2004 teneinde de vrouw in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten als onder 5.2 is overwogen;

verstaat dat de man daarop bij antwoordakte kan reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs Wesseling-Lubberink, Wammes en Van Ginhoven en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 oktober 2004.