Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2004:AR6782

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-04-2004
Datum publicatie
18-01-2005
Zaaknummer
2003/827
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De man stelt dat hij ondanks de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap op 3 december 2002 (door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking) belang heeft bij toewijzing van zijn verzoek tot opheffing van de gemeenschap aangezien een opheffingsverzoek op grond van artikel 1:111 juncto 1:110 BW in dit geval terugwerkt tot 25 april 2002. Als de gemeenschap voortduurt tot 3 december 2002 bestaat voor de man het risico dat de vrouw in de periode van 25 april 2002 tot 3 december 2002 nieuwe schulden heeft doen ontstaan waarvoor de man kan worden aangesproken. Bovendien heeft de man in die periode betalingen aan schuldeisers verricht als aflossing op huwelijkse schulden. Voorts stelt de man dat de vrouw op lichtvaardige wijze schulden heeft gemaakt, de goederen der gemeenschap heeft verspild, handelingen heeft verricht die kennelijk indruisen tegen het bestuur van de man over de goederen der gemeenschap en dat zij weigert althans nalaat aan de man de nodige inlichtingen te verschaffen omtrent de stand van de goederen der gemeenschap.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij belang heeft bij een beslissing op zijn verzoek tot opheffing van de gemeenschap. Het verzoek kan als op de wet gegrond en onweersproken worden toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 april 2004

Familiekamer

Rekestnummer 827/2003

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, verder te noemen “de man”,

procureur mr F.J. Boom,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster, verder te noemen “de vrouw”.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Zwolle van 14 augustus 2003, uitgesproken onder zaaknummer 75161 FARK 02-1128.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 14 november 2003, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Hij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad de tussen partijen bestaand hebbende wettelijke gemeenschap van goederen op te heffen (per 25 april 2002) althans te bepalen dat die gemeenschap opgeheven is dan wel als opgeheven dient te worden beschouwd per 25 april 2002 met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.2 De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 25 maart 2004 plaatsgevonden. De man is in persoon verschenen, bijgestaan door mr A. Stoel, advocaat te Dronten. De vrouw is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2.4 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een faxbericht van 24 maart 2004 van de procureur van de man met als bijlagen verschillende producties betreffende de schulden van de vrouw.

3 De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 16 december 1976 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van de rechtbank te Zwolle van 21 augustus 2002 heeft de rechtbank te Zwolle echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 3 december 2002 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank te Zwolle op 17 april 2002, heeft de man opheffing van de gemeenschap op grond van 1:109 BW verzocht. De inschrijving van het opheffingsverzoek in de zin van artikel 1:110 lid 1 BW heeft plaatsgevonden op 17 april 2002 en de bekendmaking op 25 april 2002. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek.

4 De motivering van de beslissing

4.1 De man stelt dat hij ondanks de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap op 3 december 2002 (door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking) belang heeft bij toewijzing van zijn verzoek tot opheffing van de gemeenschap aangezien een opheffingsverzoek op grond van artikel 1:111 juncto 1:110 BW in dit geval terugwerkt tot 25 april 2002. Als de gemeenschap voortduurt tot 3 december 2002 bestaat voor de man het risico dat de vrouw in de periode van 25 april 2002 tot 3 december 2002 nieuwe schulden heeft doen ontstaan waarvoor de man kan worden aangesproken. Bovendien heeft de man in die periode betalingen aan schuldeisers verricht als aflossing op huwelijkse schulden. Voorts stelt de man dat de vrouw op lichtvaardige wijze schulden heeft gemaakt, de goederen der gemeenschap heeft verspild, handelingen heeft verricht die kennelijk indruisen tegen het bestuur van de man over de goederen der gemeenschap en dat zij weigert althans nalaat aan de man de nodige inlichtingen te verschaffen omtrent de stand van de goederen der gemeenschap.

4.2 Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij belang heeft bij een beslissing op zijn verzoek tot opheffing van de gemeenschap. Het verzoek kan als op de wet gegrond en onweersproken worden toegewezen.

5 De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hierboven is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te vernietigen.

5.2 Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank te Zwolle van 14 augustus 2003 en opnieuw beschikkende:

heft op de gemeenschap tussen de man en de vrouw met ingang van 25 april 2002;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de man een uittreksel van deze beschikking zal publiceren overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:112 lid 2 Rv, in de Staatscourant en in de Zwolse Courant;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs Hooft Graafland, Van Ginkel en Mens en is op 13 april 2004 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.