Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2004:AR6520

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-11-2004
Datum publicatie
29-11-2004
Zaaknummer
02-04322
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verfijnde mineralenheffingen.

Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich ertegen het bezwaar tegen een voldoening op aangifte van nihil ontvankelijk te verklaren.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-2239
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

tweede meervoudige belastingkamer

nr. 02/04322

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : [X]

te : [Z]

verweerder : de inspecteur van het Bureau Heffingen van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaarschrift tegen aangifte

soort belasting : verfijnde mineralenheffingen

kalenderjaar : 2000

onderzoek ter zitting : op 20 oktober 2004 te Arnhem door mr. Kooijmans, als voorzitter, mr. Den Ouden en mr. Monsma in tegenwoordigheid van mr. Snoijink als griffier

waarbij verschenen : [belanghebbende, zijn gemachtigde, alsmede de inspecteur]

gronden:

1. Voor dit geding staat vast:

1.1. Op 31 augustus 2001 heeft de verweerder belanghebbendes aangifte voor de voormelde heffingen ontvangen, die daarin zijn berekend op ƒ 24 820 aan fosfaatheffing en ƒ 0 aan stikstofheffing.

1.2. Op de aangifte is geen bedrag aan heffing voldaan in verband met door belanghebbende gevraagd uitstel van betaling.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de eigen aangifte een bezwaarschrift ingediend. Daarin is hij door de verweerder bij de aangevallen uitspraak van 25 november 2002 ontvangen. Het bezwaar is ongegrond verklaard.

2. In geschil is of de verweerder belanghebbendes bezwaar terecht ongegrond heeft verklaard.

3.1. Ambtshalve oordeelt het Hof, dat belanghebbende ten onrechte in zijn bezwaar is ontvangen.

3.2. Volgens artikel 24 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), te dezen van overeenkomstige toepassing krachtens artikel 41, tweede lid, in verbinding met artikel 34 van de Meststoffenwet, staat bezwaar open tegen – voor zover hier van belang – het bedrag dat als belasting op aangifte is voldaan. Het in dit en het voorafgaande artikel tot uitdrukking komende, zogeheten gesloten, stelsel van rechtsmiddelen kan niet worden doorbroken op beleidsmatige gronden als door de verweerder in de onderdelen 8 en 9 van het verweerschrift zijn aangevoerd.

3.3. Veeleer verzet het hiervoor omschreven stelsel zich ertegen, aan te nemen dat bezwaar zou openstaan tegen een aangifte waarop, zoals in dit geval, de aangegeven belasting niet daadwerkelijk is voldaan. Inhoudelijke bezwaren zouden dan immers wederom aan de orde kunnen komen na daadwerkelijke betaling en, voor zover (geheel of gedeeltelijk) niet is betaald en wordt nageheven op de voet van artikel 20 AWR, nogmaals in bezwaar tegen een naheffingsaanslag. Voorts kent de Meststoffenwet, anders dan de Wet op de omzetbelasting 1968 in artikel 33, geen regeling die voorziet in een bij aangifte te doen verzoek om teruggaaf en een beslissing van de inspecteur daarop bij voor bezwaar vatbare beschikking. Daardoor mist ook het arrest van de Hoge Raad van 18 december 1991, nr. 27 128 (BNB 1992/183*), voor dit geval betekenis.

3.4. Nu vaststaat dat op de onder 1.1 bedoelde aangifte geen bedrag aan belasting is voldaan, had belanghebbende in zijn bezwaar tegen die aangifte niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Nu het bezwaar niet-ontvankelijk is, komt het Hof niet toe aan een beoordeling van het geschil.

slotsom:

De aangevallen uitspraak kan niet in stand blijven.

proceskosten:

De proceskosten van belanghebbende zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht en in samenhang met de gelijktijdig behandelde beroepszaak met kenmerk 01/1719 voor zover betreffend de uitspraak op bezwaar tegen de aangifte voor het kalenderjaar 1999, kenmerk BH/59974900/WF/sm, te berekenen op 2x € 322,– x 1,5 x 1 = € 966 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en op zijn reis- en verblijfkosten, begroot op € 31.

beslissing:

Het Gerechtshof:

– verklaart het beroep gegrond;

– vernietigt de uitspraak van de verweerder;

– verklaart belanghebbende niet-ontvankelijk in zijn bezwaar;

– gelast de Staat aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht van € 29 te vergoeden;

– veroordeelt de verweerder in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 997, te vergoeden door de Staat.

Aldus gedaan te Arnhem op 3 november 2004 door mr. Kooijmans, voorzitter, mr. Den Ouden en mr. Monsma. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Snoijink als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, De voorzitter,

(W.J.N.M. Snoijink) (J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 8 november 2004

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schrif-telijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzend-datum van het proces-verbaal van deze uitspraak het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hiervoor een griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt om een schriftelijke uitspraak te verkrijgen, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.