Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2004:AR5328

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
26-10-2004
Datum publicatie
10-11-2004
Zaaknummer
03-02061
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Baatbelasting.

Nu belanghebbende baat heeft bij de aanleg van riolering, is hij terecht in de heffing van baatbelasting betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2004/1316
FutD 2004-2091
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

derde meervoudige belastingkamer

nummer 03/02061

U i t s p r a a k

op het beroep van [X], wonende te [Z], hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van het hoofd Financiën van de gemeente Barneveld, hierna: de Ambtenaar, betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de baatbelasting opgelegd ten bedrage van € 2.722,68.

1.2. Deze aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Ambtenaar heeft het beroep bij verweerschrift bestreden.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 23 september 2004. Daar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede [de Ambtenaar].

1.5. Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota's moet als hier ingelast worden aangemerkt.

1.6. Zonder bezwaar van de wederpartij hebben belanghebbende en de Ambtenaar bij hun pleitnota’s bijlagen overgelegd.

1.7. Deze zaak is met instemming van partijen in voormelde zitting tegelijkertijd behandeld met tien andere zaken. Partijen hebben ermee ingestemd dat al hetgeen ter zitting door partijen naar voren is gebracht gelding zal hebben voor alle elf zaken.

2. Verordening

2.1. De raad van de gemeente Barneveld heeft op 31 oktober 2000 vastgesteld de Verordening baatbelasting riolering 1999. Deze Verordening behoort tot de gedingstukken. De Verordening is deugdelijk bekend gemaakt.

2.2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2001.

2.3. Bij de vaststelling van de Verordening is gelet op een tweetal bekostigingsbesluiten:

– het besluit “verspreide aansluitingen en fase I 1998” van 8 september 1998 (hierna: riolering fase 1)

– het besluit “riolering buitengebied 1999” van 30 maart 1999 (hierna: riolering fase 2).

2.4. Voor de aanleg van de riolering fase 1 is vastgesteld dat via de heffing van een baatbelasting maximaal ƒ 2.850.000 van de voor rekening van de gemeente blijvende lasten van de voorzieningen(aanleg van riolering en individuele behandeling van afvalwater) zal worden omgeslagen over de genothebbenden krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de door deze voorzieningen gebate onroerende zaken. Het aantal percelen is daarbij gesteld op 143 en als indicatie van het te betalen bedrag is in de toelichting bij dit bekostigingsbesluit ƒ 6.000 genoemd.

2.5. Voor de aanleg van de riolering fase 2 is vastgesteld dat via de heffing van een baatbelasting maximaal ƒ 6.733.316 van de voor rekening van de gemeente blijvende lasten van de voorzieningen(aanleg van riolering en individuele behandeling van afvalwater) zal worden omgeslagen over de genothebbenden krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de door deze voorzieningen gebate onroerende zaken. Het aantal percelen is daarbij gesteld op 317 en als indicatie van het te betalen bedrag is in de toelichting bij dit bekostigingsbesluit ƒ 6.000 genoemd.

3. Vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast:

3.1. Belanghebbende is eigenaar van een onroerende zaak aan de [a-weg 1 te Z].

3.2. Deze onroerende zaak is gelegen in het gebied afgebeeld op de bij de Verordening behorende kaart (fase 2, deel 1+2, [Z])

4. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

– is er sprake van baat?

– staat het gebruik van een alternatieve, goedkopere, voorziening aan de aanslag in de weg?

– heeft de gemeente subsidie laten lopen?

– Is de aanslag in strijd met de redelijkheid en billijkheid opgelegd, mede gelet op de tot betalingsproblemen aanleiding gevende omvang van het op grond van die aanslag te betalen bedrag?

4.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen in de van hen afkomstige stukken en in de zitting zijn aangevoerd.

4.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vernietiging van de aanslag. De Ambtenaar concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

5. Overwegingen omtrent het geschil

Ambtshalve gegeven overweging

5.1. De uiteindelijk voor rekening van de gemeente gebleven kosten voor “riolering fase 1” en “riolering fase 2” hebben tezamen ƒ 4.772.000 bedragen en het aantal gebate onroerende zaken is 495 gebleken. In totaal is 495 × ƒ 6.000 = ƒ 2.970.000 verhaald ofwel 62,2%.

5.2. In de toelichting op de bekostigingsbesluiten is sprake van een eigen bijdrage van ƒ 6.000. Dit bedrag is in december 1994 vastgesteld door de raad.

5.3. Het Hof begrijpt, in weerwil van de gebezigde tekst, de bekostigings-besluiten, daaronder begrepen de daarop gegeven toelichtingen, mede gelet op de ter zitting door de Ambtenaar overgelegde berekening, aldus dat de kosten van “riolering fase 1” zijn begroot op ƒ 2.850.000 en die van “riolering fase 2” op ƒ 6.733.316 en dat het door middel van baatbelasting te verhalen bedrag is bepaald op maximaal ƒ 6.000 per gebate onroerende zaak. Aldus is voldaan aan de in artikel 222, tweede lid, van de Gemeentewet verwoorde eis dat het bekostigingsbesluit dient aan te geven in welke mate de aan die voorzieningen verbonden lasten zullen worden verhaald.

5.4. Nu het totaalbedrag van de kosten uiteindelijk lager is (ƒ 4.772.000) dan het bij de bekostigingsbesluiten geraamde bedrag (ƒ 9.583.316), maar niet lager dan het volgens de toelichting op het bekostigingsbesluit te verhalen bedrag (ƒ 2.970.000), mag dit laatste bedrag geheel door middel van een baat-belasting worden verhaald (HR 8 augustus 2003, nr. 36777, BNB 2003/340).

Baat

5.5. Belanghebbende heeft van beëdigd makelaars begrepen dat geen prijsverschillen zijn te zien tussen woningen met een rioolaansluiting en woningen zonder die voorziening. Hij concludeert dat er dan ook geen baat kan zijn.

5.6. Een onroerende zaak is gebaat wanneer deze door de voorziening objectief gezien in een voordeliger positie komt te verkeren. Niet beslissend is of de voorziening per saldo voordeel of nadeel voor de onroerende zaak heeft doen ontstaan (HR 8 mei 1957, BNB 1957/198), maar of de onroerende zaak als zodanig, dat wil zeggen onafhankelijk van het gebruik dat deze belanghebbende daarvan maakt, door de voorzieningen in een betere positie is gekomen.

De voorziening biedt aan de eigenaar van de zaak de mogelijkheid een aansluiting op de riolering tot stand te brengen en creëert, als het gaat om de lozing van afvalwater, een aanmerkelijk betere gebruiksmogelijkheid voor de onroerende zaak vergeleken met de voordien bestaande situatie.

Belanghebbendes onroerende zaak is derhalve gebaat.

Een goedkoper alternatief

5.7. Belanghebbende stelt dat er een goedkoper alternatief voorhanden is, het rietbedfilter, en dat de gemeente hem in staat had moeten stellen die mogelijkheid te benutten en hem om die reden “vrijstelling” had moeten geven.

5.8. Belanghebbende kan in die opvatting niet worden gevolgd. De enkele omstandigheid dat een voorziening tot stand is gebracht waarbij de onroerende zaak van belanghebbende is gebaat, vormt een belastbaar feit, dat de grondslag voor de aanslag verschaft. In de wet, noch in de Verordening wordt voorzien in een vrijstelling als door belanghebbende bedoeld.

Redelijkheid en billijkheid

5.9. Voorzover belanghebbende met zijn klacht tot uitdrukking heeft willen brengen dat hij het opleggen van een heffing onder die omstandigheden onredelijk en onbillijk vindt, kan die klacht niet slagen, nu – behoudens in bijzondere zich hier niet voordoende gevallen – de redelijkheid en billijkheid van de wet of een door de gemeenteraad vastgestelde verordening niet door de rechter mag worden getoetst.

Betalingsproblemen

5.10. Belanghebbende heeft in dit verband nog opgemerkt dat het bedrag van ƒ 6.000 met daarbij gevoegd nog de voor zijn rekening komende kosten van aansluiting op het maximaal 40 meter van de onroerende zaak verwijderde hoofdriool tezamen een dermate hoge kostenpost vormen dat die niet in één keer kan worden betaald. Belanghebbende wenst vanwege de zijns inziens hoge in rekening gebrachte rente geen gebruik te maken van de in artikel 6 van de Verordening geboden mogelijkheid tot betaling van een jaarlijkse belasting. Kwijtschelding van baatbelasting kan niet worden verleend (artikel 8 van de Verordening). Het Hof mist bevoegdheid te oordelen over invorderingsproblemen, maar wijst belanghebbende er nog op dat voor het bedrag van de belasting om een uitstelregeling kan worden verzocht.

Subsidie

5.11. Belanghebbende meent dat de “voor rekening van de gemeente blijvende lasten” lager hadden kunnen zijn indien bestaande subsidies daarvoor waren benut. De Ambtenaar heeft gesteld dat alle mogelijkheden ter zake van subsidies zijn benut. Nog afgezien van de vraag of dit gevolgen zou moeten hebben voor de aanslag van belanghebbende, heeft hij tegenover de betwisting door de Ambtenaar niet aannemelijk gemaakt dat uitsluitend voor de aanleg van riolering aan te wenden subsidies door de gemeente zijn ontvangen en dat die door haar voor andere doeleinden zijn aangewend.

Cumulatie rioolrecht en baatbelasting

5.12. Belanghebbende meent dat alle bij de gemeente opkomende kosten van riolering bekostigd moeten worden uit het rioolrecht en dat voor het heffen van extra belasting geen plaats is.

5.13. Het staat de gemeente, gelet op de terzake bestaande wettelijke bepalingen, vrij te besluiten naast het rioolafvoerrecht voor de aanleg van rioleringen een baatbelasting te heffen.

Gelijkheidsbeginsel

5.14. Belanghebbende beklaagt zich erover dat de gemeente verzuimd heeft om in de periode waarin de aanleg van riolering (volledig)gesubsidieerd kon plaatsvinden niet aanstonds voor alle onroerende zaken aansluiting op het riool heeft mogelijk gemaakt. Deze klacht kan belanghebbende niet baten, aangezien het de belastingrechter niet vrijstaat te oordelen over dergelijke besluiten van de gemeenteraad.

5.15. Belanghebbende klaagt voorts tevergeefs over de tariefverschillen tussen projecten met gebate onroerende zaken in het buitengebied en projecten met dergelijke onroerende zaken binnen de bebouwde kom, aangezien bij die projecten geen sprake is van gelijke gevallen en door belanghebbende bovendien niet aannemelijk is gemaakt dat de onroerende zaken binnen de bebouwde kom niet naar de mate van hun ongelijkheid ongelijk zijn behandeld.

5.16. De omstandigheid dat de gemeente eerder bij andere projecten geen of minder belasting heeft geheven, staat aan het opleggen van de onderhavige aanslag niet in de weg, aangezien het de gemeente vrij staat om al dan niet een dergelijke belasting te heffen tegen tarieven die door de rechter niet getoetst kunnen worden, tenzij die tarieven, anders dan in het onderhavige geval, tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing leiden. Opmerking verdient hierbij, dat de Ambtenaar onweersproken heeft gesteld dat de gemeente is overgegaan tot het heffen van de onderhavige baatbelasting nadat de rijkssubsidies ter zake van de aanleg van rioolsystemen sterk waren verminderd.

5.17. Niet is gesteld of aannemelijk geworden dat de onroerende zaken tot welke de werkingssfeer van de Verordening zich uitstrekt voor de toepassing van de baatbelasting ongelijk zijn behandeld.

Conclusie

Het beroep is ongegrond.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 26 oktober 2004 door mr. J. Lamens, vice-president, als voorzitter, mr. J.B.H. Röben, vice-president en mr. Tj. van Rij, raadsheer-plaatsvervanger.

De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

(J.L.M. Egberts) (J. Lamens)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 26 oktober 2004

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

– de naam en het adres van de indiener;

– de dagtekening;

– de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

– de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.