Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2004:AP1070

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-05-2004
Datum publicatie
10-06-2004
Zaaknummer
03-01184
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is volgens het kentekenregister houder van het motorrijtuig merk Jaguar met kenteken [AA-00-BB]. De geldigheid van het kenteken van het motorrijtuig was geschorst voor de tijdvakken 13 juni 2001 tot en met 12 juni 2002, 22 juli 2002 tot en met 1 januari 2003 en daarna vanaf 2 januari 2003.

Vaststaat dat op 1 december 2002 met het motorrijtuig van belanghebbende de weg in Nederland is gebruikt, terwijl voor het motorrijtuig van belanghebbende een schorsing van de geldigheid van het kenteken van kracht was.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67c, geldigheid: 2004-05-13
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 35, geldigheid: 2004-05-13
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 36, geldigheid: 2004-05-13
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 19, geldigheid: 2004-05-13
Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 34, geldigheid: 2004-05-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-1169

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

vijfde enkelvoudige belastingkamer

nummer 03/01184 (motorrijtuigenbelasting)

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : [X]

te : [Z]

ambtenaar : Inspecteur/Belastingdienst Centraal bureau motorrijtuigenbelasting

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaarschrift

soort belasting : motorrijtuigenbelasting

tijdvak : 21 februari 2002 tot en met 20 februari 2003

mondelinge behandeling : op 6 mei 2004 te Arnhem

waarbij verschenen : belanghebbende, alsmede [de Inspecteur]

gronden:

1. Belanghebbende is volgens het kentekenregister houder van het motorrijtuig merk Jaguar met kenteken [AA-00-BB]. De geldigheid van het kenteken van het motorrijtuig was geschorst voor de tijdvakken 13 juni 2001 tot en met 12 juni 2002, 22 juli 2002 tot en met 1 januari 2003 en daarna vanaf 2 januari 2003.

2. Met dagtekening 30 november 2002 heeft belanghebbende aan de Inspecteur een brief verzonden met daarin de volgende tekst:

‘Door de verkoop van mijn huis in [Q, a-weg 1], dd 29-11-2, ga ik mijn auto verplaatsen van [de a-weg 1] naar [de b-weg 2, postcode, R]

Per 1-12-02 staat de auto daar in een loods.

Ik verwacht u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben.’

De brief vermeldt geen kenteken.

Ter zitting heeft de Inspecteur gesteld de brief van belanghebbende te hebben ontvangen.

3. Vaststaat dat op 1 december 2002 met het motorrijtuig van belanghebbende de weg in Nederland is gebruikt, terwijl voor het motorrijtuig van belanghebbende een schorsing van de geldigheid van het kenteken van kracht was.

4. De Inspecteur heeft belasting ten bedrage van € 821 van belanghebbende nageheven over het tijdvak 21 februari 2002 tot en met 20 februari 2003. Daarbij is een boete toegepast van 100 percent van de nageheven belasting.

5. Belanghebbende stelt:

- hij heeft de Belastingdienst tijdig geïnformeerd over de verplaatsing, welke informatie is te beschouwen en ook was bedoeld als een aangifte tot opheffing van de schorsing,

- hij heeft op de brief, die wel door de Inspecteur is ontvangen, geen reactie ontvangen, en

- hij vindt de naheffingsaanslag onterecht en de opgelegde boete buiten proportioneel en buitensporig.

6. Op grond van hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994 kan de geldigheid van een kentekenbewijs worden geschorst. Die schorsing kan enkel – evenals de aanvraag om afgifte dan wel een wijziging van een kentekenbewijs – ingaan na opgave op een postkantoor. Is schorsing van kracht dan wordt vervolgens op grond van artikel 19 van de Wet de belasting niet geheven. Een brief aan de Belastingdienst ter zake van het ‘weer gaan rijden’ tijdens een periode van schorsing of melding van een verplaatsing van een motorrijtuig waarvan de geldigheid van het kentekenbewijs is geschorst, is derhalve gericht aan een bestuursorgaan dat niet bevoegd is ter zake van de geldigheid van een kentekenbewijs en heeft daardoor niet het beoogde effect.

7. De Inspecteur heeft gesteld dat bij de aanvang van een schorsing de houder van een motorrijtuig afzonderlijk door de Belastingdienst schriftelijk wordt geïnformeerd over de voorwaarden van het tijdens de schorsing niet hoeven betalen van belasting en dat daarbij is aangegeven dat met het motorrijtuig ten tijde van de schorsing niet de weg mag worden gebruikt. De Inspecteur heeft voorts gesteld dat belanghebbende, gezien eerdere verzoeken om schorsing, bekend is met de gang van zaken omtrent het aanvragen en beëindigen van een schorsing. Belanghebbende heeft ter zitting erkend dat hij de door de Inspecteur bedoelde schriftelijke informatie van de Belastingdienst heeft ontvangen.

8. Ingevolge het bepaalde in artikel 35 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet) wordt bij constatering van gebruik van de weg met een motorrijtuig tijdens een schorsing van de geldigheid van het kentekenbewijs de belasting nageheven over een tijdsduur van vier aaneengesloten tijdvakken van drie maanden. Op grond van artikel 37 van de Wet juncto artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en paragraaf 34 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 bedraagt de boete ter zake van dit verzuim ten hoogste 100 percent met een maximum van € 4.537.

9. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur terecht en in overeenstemming met artikel 35 van de Wet de belasting van belanghebbende nageheven over het onder 4 genoemde tijdvak. Belanghebbende heeft verzuimd vóór het weggebruik met zijn motorrijtuig de geldigheid van het kentekenbewijs weer in te roepen. Belanghebbende was door de Belastingdienst eerder geïnformeerd over de voorwaarden. Ook kon hij gelet op eerdere door hem aangevraagde schorsingen bekend zijn met de voorwaarden.

10. Met betrekking tot de boete heeft belanghebbende aangevoerd dat hij met zijn brief van 30 november 2002 impliciet beoogde aangifte te doen en dat daarom geen plaats is voor een ‘buitensporige’ boete als door de Inspecteur is opgelegd.

11. Voor het geval belanghebbende met zijn stellingen wil betogen dat hem ter zake van het gebruik van de weg met zijn motorrijtuig tijdens een lopende schorsing geen verwijt treft, kan het Hof de conclusie van belanghebbende niet delen. Belanghebbende was geïnformeerd omtrent de aan de schorsing verbonden voorwaarden en kon daarom redelijkerwijs niet menen dat hij met een brief als voormeld aan zijn verplichtingen, bij hervatting van het weggebruik, voldeed. Bovendien verschaft de brief geen dan wel onvoldoende duidelijkheid. De brief vermeldt niet welk motorrijtuig belanghebbende bedoelt. Voorts heeft de Inspecteur gesteld – en naar het oordeel van het Hof geheel begrijpelijk – dat hij meende dat belanghebbende met de brief enkel de nieuwe stallingsplaats van het motorrijtuig beoogde op te geven. Daartegenover staat dat belanghebbende zich bij de overheid heeft gemeld inzake een gebeurtenis met betrekking tot het motorrijtuig waarvoor een schorsing liep.

12. Het voorgaande overwegend moet in dit geval worden gesproken van in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid aan de zijde van belanghebbende. Daarbij is naar het oordeel van het Hof een boete van 50 percent passend en geboden.

13. Het beroep is ten dele gegrond.

proceskosten:

Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is het Hof in dit geding niet gebleken.

beslissing:

Het Gerechtshof

- verklaart het beroep gegrond;

- bevestigt de bestreden uitspraak voor zover betrekking hebbende op de nageheven belasting ten bedrage van € 821,00;

- vernietigt de bestreden uitspraak inzake de boetebeschikking en stelt de boete vast op € 410,50;

- verstaat dat de Staat der Nederlanden aan belanghebbende het voor het beroep betaalde griffierecht van € 31 vergoedt.

Aldus gedaan op 13 mei 2004 door mr Röben, vice-president, lid van de vijfde enkelvoudige belastingkamer.

De beslissing is in tegenwoordigheid van mr Aalbersberg als griffier op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken..

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(L.A. Aalbersberg) (J.B.H. Röben)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 18 mei 2004

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.