Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2004:AP1053

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
25-05-2004
Datum publicatie
10-06-2004
Zaaknummer
03-01239
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ingevolge artikel 7, lid 2, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen – te dezen van toepassing krachtens artikel 123, lid 3, van de Waterschapswet – kan het bezwaar- of beroepschrift niet zijn gegrond op de stelling dat het aanslagbiljet of de aanmaning niet is ontvangen. Blijkens haar wordingsgeschiedenis strekt deze bepaling er weliswaar toe – evenals artikel 17, lid 3, eerste volzin, van de Invorderingswet 1990 – het risico van het niet-ontvangen zijn van een aanslagbiljet of aanmaning te leggen bij de belastingschuldige, maar niet tevens van deze het bewijs te verlangen van diens stelling dat het aanslagbiljet niet is verzonden of uitgereikt.

Wetsverwijzingen
Invorderingswet 1990 8, geldigheid: 2004-05-25
Invorderingswet 1990 11, geldigheid: 2004-05-25
Invorderingswet 1990 13, geldigheid: 2004-05-25
Kostenwet invordering rijksbelastingen 7, geldigheid: 2004-05-25
Waterschapswet 123, geldigheid: 2004-05-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2004/1146

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste enkelvoudige belastingkamer

nummer 03/01239 (omslagheffing)

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : [X]

te : [Z]

verweerder : De ambtenaar belast met de invordering van de waterschapsbelasting van het waterschap Rijn en IJssel

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaarschrift tegen in rekening gebrachte kosten van vervolging.

betreft : omslagheffing gebouwd/ongebouwd jaar 2002

nummer : [01]

mondelinge behandeling : met schriftelijke toestemming van partijen niet gehouden

gronden:

1. Ingevolge artikel 7, lid 2, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen – te dezen van toepassing krachtens artikel 123, lid 3, van de Waterschapswet – kan het bezwaar- of beroepschrift niet zijn gegrond op de stelling dat het aanslagbiljet of de aanmaning niet is ontvangen. Blijkens haar wordingsgeschiedenis strekt deze bepaling er weliswaar toe – evenals artikel 17, lid 3, eerste volzin, van de Invorderingswet 1990 – het risico van het niet-ontvangen zijn van een aanslagbiljet of aanmaning te leggen bij de belastingschuldige, maar niet tevens van deze het bewijs te verlangen van diens stelling dat het aanslagbiljet niet is verzonden of uitgereikt.

2. In de stellingen van belanghebbende ligt niet alleen besloten dat hij het aanslagbiljet en de aanmaning niet heeft ontvangen, maar ook dat deze niet aan hem zijn verzonden onderscheidenlijk aan hem zijn uitgereikt.

3. Noch bij de aangevallen uitspraak noch bij het verweerschrift heeft de verweerder, op wie in dezen de bewijslast, rust een kopie overgelegd van de aanslag(gegevens).

4. De enkele verklaring van de verweerder dat de aanslagen en aanmaningen waterschapsbelastingen worden geprint bij [A-bedrijf te Q] en door deze instelling gesorteerd op postcode worden aangeleverd bij de TPG-post ontslaat hem niet van deze bewijslast. De door de verweerder uitgesproken aanname dat de bezorging op correcte wijze heeft plaatsgevonden omdat elders in de straat van belanghebbende met dezelfde dagtekening aanslagen zijn bezorgd, vormt voorts onvoldoende bewijs voor het antwoord op de vraag of een aanslagbiljet is opgemaakt en aan belanghebbende is toegezonden of uitgereikt zoals artikel 8, lid 1, van de Invorderingswet 1990 voorschrijft.

5. Uit de omstandigheid dat de verweerder bij zijn verweerschrift wel kopieën heeft overgelegd van het betekende dwangbevel, van het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift en van de bestreden uitspraak leidt het Hof af dat de verweerder zelf niet tevens beschikte over kopieën van de door [A-bedrijf] aangemaakte aanslagen en aanmaningen dan wel dat [A-bedrijf] niet in staat was ten behoeve van de verweerder van deze originele stukken kopieën te vervaardigen. Door in zijn verweerschrift uitdrukkelijk te vermelden dat hij instemde met een uitspraak van het Hof zonder mondelinge behandeling heeft de verweerder er vervolgens bewust voor gekozen dat hij het van hem onder punt 4, slot, verlangde bewijs, niet ook nog ter zitting zou kunnen leveren.

6. Onder deze omstandigheden kan belanghebbende, wiens stellingen op zichzelf niet ongeloofwaardig zijn, niet worden gezegd in gebreke te zijn gebleven het verschuldigde bedrag tijdig te betalen, in de zin van artikel 1 van de voormelde Kostenwet. Hem zijn dan ook ten onrechte € 4,- aan kosten voor het verzenden van een aanmaning en € 23,- voor het betekenen van een dwangbevel in rekening gebracht.

slotsom

Het beroep is gegrond.

proceskosten:

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

beslissing:

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van verweerder alsmede de daarbij gehandhaafde en onder aanslagnummer [01] in rekening gebrachte kosten van vervolging;

- gelast het waterschap Rijn & IJssel aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht van € 31 te vergoeden.

Aldus gedaan op 25 mei 2004 mr. M.C.M. de Kroon, lid van de eerste enkelvoudige belastingkamer. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(J.L.M. Egberts) (M.C.M. de Kroon)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 25 mei 2004

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.