Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2004:AP0301

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-05-2004
Datum publicatie
01-06-2004
Zaaknummer
03-00143
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tariefgroepindeling. Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2004, 852
FutD 2004-1008

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

negende enkelvoudige belastingkamer

nummer 03/00143 (inkomstenbelasting)

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : [X]

te : [Z]

verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst/[P]

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar

betreft : navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2000

nummer : [01.H.07]

mondelinge behandeling : met schriftelijke toestemming van partijen niet gehouden

gronden:

1. Belanghebbende is sedert 29 maart 1996 gehuwd met [Y]. Dit huwelijk is volgens het Huwelijksbesluit Mohamedanen Suriname op 3 juli 2000 door verstoting ontbonden.

In een uitspraak van 19 juli 2000 heeft de rechtbank te [Z] de scheiding van tafel en bed uitgesproken van belanghebbende en zijn echtgenote, en voorts bevolen dat ten overstaan van een notaris wordt overgegaan tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap

Belanghebbende en haar echtgenoot hebben een op 5 november 1998 geboren dochter.

2. In de gemeentelijke basisadministratie stonden belanghebbende en haar echtgenoot gedurende het gehele jaar 2000 ingeschreven op het adres [a-weg 1 te Z]. Van december 1999 tot eind april 2000 verbleven zowel belanghebbende als haar echtgenoot in Suriname. Op 6 maart 2001 zijn belanghebbende en zijn echtgenote verhuisd naar de [b-weg 2 te Z].

3. Belanghebbende verzoekt bij de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2000 om indeling in tariefgroep 4 met alleenstaande-ouderaftrek.

4. Artikel 54 aanhef en onderdeel d in verbinding met artikel 55, vijfde lid, Wet op de inkomstenbelasting 1964 bepaalt, voor zover van belang:

"De in Nederland wonende belastingplichtige geniet de alleenstaande-ouderaftrek indien hij, ongehuwd zijnde, in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden een huishouden heeft gevoerd met een kind of pleegkind dat in belangrijke mate door hem is onderhouden, en hij deze huishouding gedurende die tijd heeft gevoerd met geen ander dan kinderen of pleegkinderen die bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar niet hebben bereikt. Voor de toepassing van deze bepaling wordt als ongehuwd aangemerkt de gehuwde belastingplichtige die duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenoot".

5. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag belanghebbende conform de ingediende aangifte ingedeeld in tariefgroep 4. Bij de onderhavige navorderingsaanslag is de tariefgroepindeling gewijzigd in tariefgroep 2 op grond van de omstandigheid dat belanghebbende in het jaar 2000 niet langer dan zes maanden een huishouden met alleen haar dochter heeft gevoerd maar tevens met haar echtgenoot. Alsdan voldoet zij naar de opvatting van de Inspecteur niet aan onder 5. genoemde voorwaarden.

6. Er is sprake van een gezamenlijk huishouden indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding anders dan op commerciƫle basis.

7. Belanghebbende, op wie in redelijkheid de bewijslast rust omdat zij geacht moet worden de ter zake relevante gegevens te kunnen verschaffen, maakt tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk dat haar echtgenoot na zijn terugkeer uit Suriname eind april 2000 gedurende de rest van het jaar 2000 op een ander adres heeft gewoond dan het in de gemeentelijke basisadministratie geregistreerde adres [a-weg 1 te Z] en maakt evenmin aannemelijk dat hij op genoemd adres een eigen huishouding heeft gevoerd. Belanghebbende heeft voorts niet of onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een daadwerkelijke scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap, zoals onder 1 genoemd, heeft plaatsgevonden.

De omstandigheid dat het huwelijk door het Huwelijksbesluit Mohamedanen Suriname op 3 juli 2000 is ontbonden en de rechtbank Zwolle op 19 juli 2000 de scheiding van tafel en bed heeft uitgesproken, doet daaraan niet af.

8. Naar het oordeel van het Hof kan in redelijkheid geen andere conclusie worden getrokken dan dat belanghebbende na terugkeer uit Suriname eind april 2000 gedurende de rest van het jaar 2000 zowel met haar dochter als met haar echtgenoot een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd zodat artikel 54 aanhef en onderdeel d in verbinding met artikel 55, vijfde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 toepassing mist. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de navorderingsaanslag belanghebbende terecht ingedeeld in tariefgroep 2.

9. Het beroep is ongegrond.

proceskosten:

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

beslissing:

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 13 mei 2004 mr.drs. A.M. van Amsterdam, lid van de negende enkelvoudige belastingkamer. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. A.M.F. Geerling als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(A.M.F. Geerling) (A.M. van Amsterdam)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 14 mei 2004

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.